Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 01-03-2020

aanlappen

betekenis & definitie

1. (1915) (sold.) betalen hetgeen tekort is.

• Immers, dit loopt nogal in de papieren, maar door botje bij botje te leggen, lukt het wel. Het woord hiervoor is lappen (en „aanlappen is betalen hetgeen te kort komt). (de Sumatra Post, 11/03/1915)

2. (1903) (beurs) verkopen; à la baisse speculeren. Eigenlijk in de zin van 'aansmeren'.
• Hij had 100 common shares Wabash willen koopen, had er 150 gekocht, maar de EO, die hij te veel had, kon hij niet meer kwijt. Ze waren hem „aangelapt". (Het nieuws van den dag, 09/10/1903)
• (Jac. van Ginneken: Handboek der Nederlandsche taal. 1914)