Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

Gepubliceerd op 09-02-2021

aan de boom schudden

betekenis & definitie

(1980+) (wielr.) voortdurend demarreren, waardoor het peloton als blaren uiteendwarrelt. In het Franse wielerargot noemt men dit ‘sonner les cloches’.

• Adri van der Poel - weer hij - ging nog maar eens aan de boom schudden. (De Morgen, 23/01/1989)
• Negentig kilometer voor de finish besloot hij eens flink aan de boom te schudden. (Wieler Revue, 31/03/1989)
• Criquielion en De Wilde ontsnapten uit een kopgroep van zes, bouwden een voorsprong op van 46 sekonden, maar toen Sean Kelly in de negende ronde even aan de boom schudde kwam alles weer samen. (Het Nieuwsblad, 26/07/1989)
• Die Van Keirsbulck is al lang uitgewoond (conditioneel ingestort) en weggedrumd (naar achteren gereden) als de kleppers (toprenners) een keertje flink aan de boom gaan schudden (het tempo zodanig verhogen dat er renners moeten lossen). Kurt is er 'n echte patattencoureur (specifieke criteriumrenner) die blij mag zijn als-ie met zijnen gaspijpenfiets (fiets van goedkoop materiaal) het laagvliegrondje (snel, lichtlopend criterium-parcours) van Sint Job in 't Goor op zijn palmares (erelijst) kan bijschrijven. (Nieuwsblad van het Noorden, 02/04/1990)
• In hun onstilbare honger naar FICP- en wereldbekerpunten schudden de knechten in de voorjaarsklassiekers flink aan de boom ... (Sport International, mei 1992)
• Het kwartet moest capituleren, maar er diende zich snel een herkansing aan. Opnieuw schudde Sørensen aan de boom. (NRC Handelsblad, 29/08/1994)
• Indurain schudde in de Haute-Savoie met zo veel geweld aan de boom dat het op weg naar La Plagne vruchten regende. (de Volkskrant, 12/07/1995)