Waarheid en onwaarheid betekenis & definitie

De correspondentietheorie is wellicht de meest gebruikelijke waarheidstheorie, ten dele omdat ‘correspondentie’ zowel strikt als ruim kan worden geïnterpreteerd. In haar meest strikte vorm, waaraan vooral de namen van Moore en Russell zijn verbonden, is bij deze theorie een relatie in het geding tussen twee zaken, dat wat waar is (een propositie, overtuiging, oordeel enzovoort) en dat wat dit waar maakt (een feit, of misschien een stand van zaken of gebeurtenis).

Het feit heeft een structuur die door de propositie enzovoort wordt nagebootst of afgebeeld. Maar het is moeilijk paren te vinden waarvan de elementen inderdaad op deze wijze met elkaar corresponderen, vooral omdat structuren zoals een propositie die kan hebben, waarbij relaties in het geding zijn tussen substantieven en werkwoorden, of subjecten en predikaten, volstrekt lijken te verschillen van wat we in werkelijkheid aantreffen. Soortgelijke moeilijkheden doen zich voor bij correspondentie- of beeldtheorieën over de wijze waarop zinnen of proposities betekenis hebben. Als bovendien alles wat we kennen proposities zijn, en als proposities de wereld afbeelden, hoe kunnen we dan de proposities met de wereld zelf vergelijken om te bepalen of ze haar nauwgezet afbeelden?

Er bestaat een minder strikte vorm van de theorie, die niet meer vereist dat elk onderdeel van de propositie aan een onderdeel van de werkelijkheid beantwoordt. In deze opvatting is iets waar als het met een feit kan worden gecorreleerd, en onwaar als dat niet kan of als de ontkenning ervan met een feit kan worden gecorreleerd. In een nog ruimere versie wordt iets waar geacht als het eenvoudig ‘de dingen beschrijft zoals ze zijn’. Zo komen we ten slotte terecht bij de redunantie- of geen-waarheidstheorie van F.P. Ramsey, volgens welke een zin waar noemen neerkomt op herhalen wat hij zegt. Volgens deze opvatting is waarheid geen eigenschap van wat dan ook, maar verschaft het gebruik van ‘waar’ ons een manier om bondig te Verwijzen naar wat er is gezegd. Een ontwikkeling hiervan is de performatieve of accoord-theorie: een taalhandelingstheorie. Als we iets ‘waar’ noemen verrichten we volgens deze theorie een handeling van toestemming, herhaling, erkenning - we zeggen ‘accoord’ of ‘dat klopt’. Men heeft deze theorieën echter bekritiseerd als ongeschikt om alle betekenissen van ‘waar’ te dekken, en ruime correspon- dentietheorieën zijn opnieuw verdedigd door Austin en, in gewijzigde vorm, door Hamlyn.

Een recente variant van de correspondentietheorie is de semantische theorie van Tarski. Deze is in de eerste plaats ontworpen voor kunsttalen, die oneindig vele elementen of ‘woorden’ kunnen hebben die echter van welomschreven soorten zijn en welomschreven functies hebben; de theorie is echter niet tot kunsttalen beperkt. Zinnen in een gegeven taal L worden ‘waar in L’ genoemd wanneer de elementen ervan zo zijn gecombineerd dat de zinnen beweren wat het geval is; ‘sneeuw is wit’ is waar in het Nederlands dan en alleen dan als sneeuw wit is. Men vermijdt hiermee proposities en feiten als entiteiten op te vatten, en de theorie is gemakkelijk op strenge en formele wijze te ontwikkelen. Maar de mogelijkheden om dit procédé zonder grote complicaties toe te passen, zelfs op formele talen, zijn begrensd: de paradox van de leugenaar en de stellingen van GÖdel zorgen voor problemen.

De correspondentietheorie bevalt filosofen die een scherp onderscheid maken tussen kennend subject en het gekende. Zij die dit afwijzen, met name idealisten, geven vaak de voorkeur aan de coherentietheorie. Het grondidee hiervan is dat iets waar is als het coherent of logisch consistent is met een aanvaard stelsel van beweringen, of consistent met een ruimer stelsel dan waarmee een van zijn concurrenten consistent is. Deze theorie veronderstelt dat consistentie onafhankelijk van waarheid kan worden gedefinieerd, en tevens dat een van de verschillende mogelijke consistente systemen van proposities ruimer is dan alle andere. Idealisten die deze theorie aanhangen zeggen echter dat strikt genomen alleen het stelsel als geheel opgevat waar is. Afzonderlijke proposities erin verschaffen slechts partiële benaderingen tot de waarheid. Kunnen we werkelijk ‘Caesar stak de Rubicon over’ begrijpen, zo zou men zich kunnen afvragen, en dus in staat zijn om het waar te noemen, voordat we alle oorzaken en gevolgen ervan, zelfs tot het einde der tijden, begrijpen? De theorie wordt daarom soms een waarheidsgradentheorie genoemd. Nog een reden om te menen dat waarheid een kwestie van graden is, is dat we niet kunnen weten of iets tot het ruimste coherente stelsel behoort, als dat al bestaat, zorider iedere propositie te onderzoeken, zodat we ons in de praktijk met minder tevreden moeten stellen. Bovendien is het in geavanceerde wetenschappen zoals de kosmologie vaak moeilijk om te beslissen tussen verschillende maar onderling inconsistente manieren om het heelal te beschrijven. Alle bekende bewegingen van hemellichamen kunnen door een geocentrische theorie, als die maar voldoende complex mag zijn, worden verklaard. De coherentietheorie kan worden aangevuld door strategieën zoals het kiezen van de eenvoudigste uit verschillende concurrerende hypothesen. Zij is dan aantrekkelijk in die gebieden van de wetenschap waar onmiddellijke verificatie onmogelijk is. Misschien is het ten dele om deze reden dat zij door sommige positivisten (Neurath, Hempel) werd aangehangen. Vgl. ook conventionalisme, instrumentalisme, positivisme. Dit soort overwegingen ligt eveneens ten grondslag aan de pragmatische theorie-, zie daarvoor pragmatisme.

Welke soorten zaken kunnen waar zijn? Is ‘waar’ in eigenlijke of primairezin toepasselijk op mentale handelingen en toestanden, zoals uitingen, oordelen, overtuigingen, of op linguistische zaken, zoals indicatieve zinnen, of op bepaalde abstracte zaken zoals proposities (zie zinnen, proposities, uitspraken)? ‘Uitspraak’ zou kunnen dienen als vrijblijvende term. Hoe we deze vraag beantwoorden heeft gevolgen voor onze opvatting over de relatie tussen waarheid en tijd of werkwoordvormen: kan bijvoorbeeld de zin ‘ik heb het warm’ waar worden? Is alles dat van het juiste type is om waar of onwaar te zijn ook altijd hetzij waar, hetzij onwaar, zoals de wet van het uitgesloten derde in een van haar vormen eist? Is ‘mijn vrouw slaapt’, gezegd door een vrijgezel, onwaar (Russell) of noch waar noch onwaar (Strawson)? Volgens de opvatting van Strawson zijn er ‘truth-value gaps’ (‘waarheidswaardegaten’), d.w.z. gevallen waarin geen waarheidswaarde aan een uitspraak kan worden toegekend omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het doen van een bewering (in het geval van ons voorbeeld is niet voldaan aan de voorwaarde dat de spreker getrouwd is). Sommigen hebben gemeend dat bepaalde uitspraken over de toekomst noch waar noch onwaar zijn, aangezien de toekomst nog onbepaald is. Vgl. vrije wil (i.v.m. logisch determinisme).

Men denke ook aan verhalen en mythen, bijvoorbeeld aan gevallen als ‘eenhoorns zijn herbivoren’, aangenomen dat de legenden over de voedingsgewoonten van eenhoorns geen uitsluitsel geven. Er zijn ook andere uitspraken die van het juiste type lijken te zijn om waar of onwaar te worden genoemd maar die soms geen van beide worden geacht, of waarvan men denkt dat ze nietvan dit type zijn. Voorbeelden zijn waarde-uitspraken, natuurwetten en contrafactische conditionele zinnen. Het lijkt dus dat sommige uitspraken noch waar noch onwaar zijn omdat ze niet tot het juiste type behoren, terwijl andere niet onwaar hoeven te zijn maar verkeerd kunnen zijn om een andere reden (‘mijn vrouw slaapt’, gezegd door eeen vrijgezel, ‘jij bent een nikker’, gezegd tegen een neger). Bij metaforen, vergelijkingen e.d. rijst weer de vraag of er graden van waarheid zijn; moeten bijvoorbeeld overdrijvingen worden gekenschetst als bijna waar, of tamelijk waar, of als enige waarheid bevattend? Ook de paradox van de graankorrels wordt hier wel mee in verband gebracht.

Speciale problemen doen zich voor in logica en wiskunde. Wat wil het zeggen dat een logische of mathematische uitspraak waar is? Wat is het verband tussen ‘waar’ en ‘bewijsbaar’ (vgl. stellingen van GÖdel, wiskundig intuitionisme).

Er wordt vaak onderscheid gemaakt (al wordt dit ook vaak genegeerd) tussen de betekenis van ‘waar’ en de criteria voor waarheid. Het is niet altijd duidelijk op welke van deze twee een gegeven theorie geacht wordt van toepassing te zijn. Zie ook feit , geldig, paradox van de leugenaar,voldoen aan, waarheidswaarde, filosofie van de wiskunde.
G.E. Moore, Some Main Problems of Philosophy, 1953 (voordrachten uit 1910-11).
B. Russell, The Problems of Philosophy, 1912 (Problemen der filosofie, 1980), hoofdstuk 12. (Zie ook B. Russell, ‘The philosophy of logical atomism’, The Monist, 1918, herdrukt in zijn Logic and Knowledge, 1956, en in D. Pears (red.), Russell’s Logical Atomism, 1972.)
G. Pitcher (red.), Truth, 1964. (Bevat artikelen van J.L. Austin, P.F. Strawson, G J. Warnock, M. Dummett, F.P. Ramsey (fragment). Vgl. over Dummett de bibliografie bij waarheidswaarde.)
D.W. Flamlyn, ‘The correspondence theory of truth’, Philosophical Quarterly, 1962. (Pleidooi voor de ruimere correspondentietheorie. Tamelijk moeilijk.)
A. Tarski, ‘The semantic conception of truth’, Philosophy and Phenomenological Research, 1944, herdrukt in H. Feigl en W. Sellars (red.), Readings in Philosophical Analysis, 1949.
M. Black, ‘The semantic definition of truth’, Analysis, vol. 8,1948, herdrukt in M. Macdonald, Philosophy and Analysis, 1954. (Over Tarski.)
H. H. Joachim, The Nature of Truth, 1906. (Coherentietheorie.)
R. M. Chisholm, Theory ofKnowledge, 1966 (Kennistheorie, 1968). (Floofdstuk 5 gaat over waarheid, maar zie ook de index.)
P.F. Strawson, Logic-Linguistic Papers, 1971. (Flet begrip waarheid komt in verscheidene artikelen ter sprake. Zie voor ‘truth-value gaps’ de hoofdstukken 1 en 4.)
A.J. Ayer, The Concept of a Person, 1963 (Over de persoonlijkheid, 1966), hoofdstuk 6, ‘Truth’. (Kritiek op coherentie-, pragmatische en correspondentietheorie. Ayers eigen opvatting komt dicht bij die van Ramsey.) J.F.A.K. van Benthem, ‘Enkele opmerkingen over zelf-referentie en zelfweerlegging’, Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte, 1976. (Onderzoekt een gerelativeerd waarheidsbegrip: ‘waar in zekere zin’.) R.M. Sainsbury, ‘Degrees of belief and degrees of truth’, Philosophical Papers, 1986. (Pleidooi vooproposities, uitspraken)? ‘Uitspraak’ zou kunnen dienen als vrijblijvende term. Hoe we deze vraag beantwoorden heeft gevolgen voor onze opvatting over de relatie tussen waarheid en tijd of werkwoordvormen: kan bijvoorbeeld de zin ‘ik heb het warm’ waar worden? Is alles dat van het juiste type is om waar of onwaar te zijn ook altijd hetzij waar, hetzij onwaar, zoals de wet van het uitgesloten derde in een van haar vormen eist? Is ‘mijn vrouw slaapt’, gezegd door een vrijgezel, onwaar (Russell) of noch waar noch onwaar (Strawson)? Volgens de opvatting van Strawson zijn er ‘truth-value gaps’ (‘waarheidswaardegaten’), d.w.z. gevallen waarin geen waarheidswaarde aan een uitspraak kan worden toegekend omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het doen van een bewering (in het geval van ons voorbeeld is niet voldaan aan de voorwaarde dat de spreker getrouwd is). Sommigen hebben gemeend dat bepaalde uitspraken over de toekomst noch waar noch onwaar zijn, aangezien de toekomst nog onbepaald is. Vgl. vrije wil (i.v.m. logisch determinisme).

Men denke ook aan verhalen en mythen, bijvoorbeeld aan gevallen als ‘eenhoorns zijn herbivoren’, aangenomen dat de legenden over de voedingsgewoonten van eenhoorns geen uitsluitsel geven. Er zijn ook andere uitspraken die van het juiste type lijken te zijn om waar of onwaar te worden genoemd maar die soms geen van beide worden geacht, of waarvan men denkt dat ze nietvan dit type zijn. Voorbeelden zijn waarde-uitspraken, natuurwetten en contrafactische conditionele zinnen. Het lijkt dus dat sommige uitspraken noch waar noch onwaar zijn omdat ze niet tot het juiste type behoren, terwijl andere niet onwaar hoeven te zijn maar verkeerd kunnen zijn om een andere reden (‘mijn vrouw slaapt’, gezegd door eeen vrijgezel, ‘jij bent een nikker’, gezegd tegen een neger). Bij metaforen, vergelijkingen e.d. rijst weer de vraag of er graden van waarheid zijn; moeten bijvoorbeeld overdrijvingen worden gekenschetst als bijna waar, of tamelijk waar, of als enige waarheid bevattend? Ook de paradox van de graankorrels wordt hier wel mee in verband gebracht.

Speciale problemen doen zich voor in logica en wiskunde. Wat wil het zeggen dat een logische of mathematische uitspraak waar is? Wat is het verband tussen ‘waar’ en ‘bewijsbaar’ (vgl. stellingen van GÖdel, wiskundig intuitionisme).

Er wordt vaak onderscheid gemaakt (al wordt dit ook vaak genegeerd) tussen de betekenis van ‘waar’ en de criteria voor waarheid. Het is niet altijd duidelijk op welke van deze twee een gegeven theorie geacht wordt van toepassing te zijn. Zie ook feit , geldig, paradox van de leugenaar,voldoen aan, waarheidswaarde, filosofie van de wiskunde.
G.E. Moore, Some Main Problems of Philosophy, 1953 (voordrachten uit 1910-11).
B. Russell, The Problems of Philosophy, 1912 (Problemen der filosofie, 1980), hoofdstuk 12. (Zie ook B. Russell, ‘The philosophy of logical atomism’, The Monist, 1918, herdrukt in zijn Logic and Knowledge, 1956, en in D. Pears (red.), Russell’s Logical Atomism, 1972.)
G. Pitcher (red.), Truth, 1964. (Bevat artikelen van J.L. Austin, P.F. Strawson, G J. Warnock, M. Dummett, F.P. Ramsey (fragment). Vgl. over Dummett de bibliografie bij waarheidswaarde.)
D.W. Flamlyn, ‘The correspondence theory of truth’, Philosophical Quarterly, 1962. (Pleidooi voor de ruimere correspondentietheorie. Tamelijk moeilijk.)
A. Tarski, ‘The semantic conception of truth’, Philosophy and Phenomenological Research, 1944, herdrukt in H. Feigl en W. Sellars (red.), Readings in Philosophical Analysis, 1949.
M. Black, ‘The semantic definition of truth’, Analysis, vol. 8,1948, herdrukt in M. Macdonald, Philosophy and Analysis, 1954. (Over Tarski.)
H. H. Joachim, The Nature of Truth, 1906. (Coherentietheorie.)
R. M. Chisholm, Theory ofKnowledge, 1966 (Kennistheorie, 1968). (Floofdstuk 5 gaat over waarheid, maar zie ook de index.)
P.F. Strawson, Logic-Linguistic Papers, 1971. (Flet begrip waarheid komt in verscheidene artikelen ter sprake. Zie voor ‘truth-value gaps’ de hoofdstukken 1 en 4.)
A.J. Ayer, The Concept of a Person, 1963 (Over de persoonlijkheid, 1966), hoofdstuk 6, ‘Truth’. (Kritiek op coherentie-, pragmatische en correspondentietheorie. Ayers eigen opvatting komt dicht bij die van Ramsey.) J.F.A.K. van Benthem, ‘Enkele opmerkingen over zelf-referentie en zelfweerlegging’, Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte, 1976. (Onderzoekt een gerelativeerd waarheidsbegrip: ‘waar in zekere zin’.) R.M. Sainsbury, ‘Degrees of belief and degrees of truth’, Philosophical Papers, 1986. (Pleidooi voor graden van waarheid.)

Gepubliceerd op 20-04-2017