Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 20-04-2017

2017-04-20

Universalia en particularia

betekenis & definitie

Meervoud van universale en particulare. De dingen om ons heen hebben trekken met andere dingen gemeen. Het is karakteristiek voor de meeste dergelijke trekken dat ze onbepaald vele zaken kunnen kenmerken. Daarom worden zulke trekken ‘universalia’ genoemd. Universalia worden in de dingen ‘gedistantieerd’ of‘geconcretiseerd’: het universale blauw wordt geïnstantieerd in een korenbloem, en de korenbloem wordt een ‘instantiatie’ van dit universale genoemd. De bepaling van de ontologische status van universalia vormt een klassiek filosofisch probleem. Vooral in de Griekse wijsbegeerte wordt dit probleem vaak het één-veel-probleem of het probleem van één over vele genoemd.

De traditionele drie benaderingen ervan zijn: realisme, conceptualisme en nominalisme. Bij realisme (in de hier bedoelde betekenis) denken we vóór alles aan Plato, die universalia opvatte als objecten (vgl. idee, vorm) die los staan van de individuele dingen. Het grote probleem was duidelijk te maken wat dit voor objecten zijn en hoe ze zich tot de dingen verhouden. Plato’s Vormen worden soms als particularia opgevat (zie hieronder); in dat geval worden ze dus niet als universalia beschouwd, hoewel ze de functie daarvan hebben. Platonisme staat tegenwoordig voor iedere opvatting waarin zaken als universalia, proporties, getallen enzovoort als onafhankelijke objecten worden beschouwd. Een beroemde moderne Platonist is Frege. In een andere vorm van realisme, vaak aan Aristoteles toegeschreven (maar de interpretatie van Aristoteles is zeer controversieel), wordt ontkend dat universalia objecten zijn of dat ze los van de dingen bestaan, maar wordt toch gesteld dat het reële entiteiten zijn, die bestaan doordat ze in de dingen gerealiseerd worden. Het is onduidelijk hoe in deze opvatting zoiets als ‘eenhoornschap’ moet worden begrepen. De opvattingen van Plato en Aristoteles worden vaak aangeduid met de termen universalia ante rem of res(universalia die aan de zaak of zaken vooraf gaan) respectievelijk universalia in re of rebus (universalia in de zaak of zaken). Universalia post rem of res (universalia na, of afgeleid van, de zaak of zaken) slaat meestal op het nominalisme, hoewel het ook voor het conceptualisme zou kunnen staan. De term substantiële universalia wordt, evenals ‘reaüsme’, vooral voor de opvatting van Plato, een enkele maal ook voor die van Aristoteles gebruikt.

In de opvatting van het conceptualisme zijn universalia gedachten of ideeen in en geconstrueerd door de geest. Bij deze (door Plato zonder meer afgewezen) opvatting moeten we vooral aan de Britse empiristen denken. Het conceptualisme moge het menselijke denken en de betekenis van vele woorden verklaren, het kan niet meer verklaren waarom de wereld zelf is zoals zij is (Plato meende dat zijn Vormen hiertoe wél in staat waren). Het conceptualisme omzeilt Plato’s dilemma dat het universale hetzij zich buiten de dingen bevindt en er dus geen betekenis voor heeft, hetzij zich erin bevindt en dus gespleten is. Maar wat is deze conceptualistische gedachte of idee voor iets? Zijn er beelden bij betrokken, en zo ja, van welke aard? Kunnen verschillende mensen een en hetzelfde idee hebben, waardoor het universale weer wordt opgesplitst, of hebben ze gelijksoortige maar afzonderlijke ideeen, wat tot het probleem van de privé-taal leidt?

Volgens het nominalisme, in het bijzonder vertegenwoordigd door Ockham in de middeleeuwen en door vele filosofen in onze tijd, zijn er alleen algemene woorden zoals ‘hond’, maar geen universalia in de zin van entiteiten als ‘hondheid’. Vgl. betekenis, en ook hieronder over type en teken. (Voor N. Goodman (1906-) betekent nominalisme dat we alleen individuen (in de tweede betekenis) dienen te erkennen; die kunnen weliswaar abstract zijn, maar klassen worden er niet toe gerekend.)
Er zijn twee manieren om een klasse van objecten te definiëren. Men kan haar extensioneel of in extensie definiëren door de elementen ervan op te sommen, of men kan haar definiëren als omvattende al die zaken die een zekere eigenschap of verzameling eigenschappen gemeen hebben: we definiëren dan intensioneel of in intensie; zie intensionaliteit. De eerste definitiewijze is van weinig nut omdat het daarbij ónmogelijk is dat een eenmaal gedefinieerde klasse er nieuwe elementen bij krijgt. Bij de tweede definitie- wijze wordt opengelaten hoeveel elementen een klasse heeft (zij kan ook leeg zijn); de klasse der honden bevat alle dingen die de eigenschappen hebben die noodzakelijk zijn opdat iets een hond is. Er ontstaat nu een moeilijkheid voor het nominalisme, want als er geen universalia zijn, d.w.z. geen eigenschappen, wat bepaalt dan of iets al of niet tot de klasse der honden behoort? Overwegingen van deze aard brachten Plato ertoe Vormen te laten verklaren waarom de wereld is zoals zij is. Het belangrijkste nominalistische antwoord op dit probleem maakt gebruik van het begrip gelijkenis. Iets is een hond als het lijkt op een gegeven hond die als standaard of paradigma wordt gekozen. Hiertegen zijn twee bezwaren ingebracht: gelijkenis zou zelf niet anders dan als universale te duiden zijn; en gelijkenis impliceert partiële gelijkheid, want op iets lijken betekent iets, zij het niet noodzakelijk alles, ermee gemeen hebben - en wat is die gemeenschappelijke trek anders dan een universale?

Een variant van het begrip gelijkenis is Wittgensteins begrip familiegelijkenis, waarbij er niets hoeft te zijn dat alle elementen van een klasse gemeen hebben en waarbij evenmin enig element als paradigma hoeft te worden beschouwd, maar waarbij de elementen ‘een gecompliceerd netwerk vormen van gelijkenissen die elkaar overlappen en kruisen’, zoals de vezels in een draad. Enigszins hieraan verwant is het begrip clusters (Gasking).

Particularia, die niet altijd hetzelfde zijn als individuen, kunnen niet in hun geheel op verschillende plaatsen tegelijk verschijnen, al kunnen delen ervan ruimtelijk gescheiden zijn. Een particulare kan wel in zijn geheel op verschillende tijdstippen verschijnen, maar deze worden meestal geacht continu aaneengesloten te zijn - al kan een onderbroken geluid een en hetzelfde particulare vormen (zie ook Burke). De delen van een particulare zullen soms permanent veranderen, zoals in het geval van een vlam, en het particulare hoeft geen vast lichaam te zijn (schaduwen, regenbogen en wolken kunnen particularia zijn, misschien ook het uitspansel). Een particulare moet echter identificeerbaar zijn en te onderscheiden van andere particularia, dus wolken zijn niet altijd particularia. Particularia kunnen abstract zijn, mits aan de voorwaarden voor ruimtelijke en temporele continuïteit is voldaan (bijvoorbeeld een handeling of gebeurtenis, ook een complexe gebeurtenis als de renaissance; een enkele maal worden ook niet-ruimte-tijdelijke zaken als getallen ertoe gerekend). Naakte particularia zijn particularia opgevat als onafhankelijk van al hun eigenschappen. Het is daarom moeilijk ze te identificeren of ernaar te verwijzen.

Particularia zijn substanties in de eerste Aristotelische zin van die term, al ligt de nadruk op het uniek zijn in ruimte en tijd veeleer dan, zoals bij Aristoteles, op hun onafhankelijke bestaan als dragers van attributen en als subjecten van verandering. Daarom zal men schaduwen en handelingen eerder particularia dan substanties noemen, Platonische universalia daarentegen eerder substanties dan particularia, vooral omdat particularia niet geïnstantieerd kunnen worden. Zie zinnen, proposities, uitspraken over particuliere uitspraken.

We hebben gezien dat universalia soms eigenlijk als particularia worden opgevat. Ook het concrete universale van het idealisme is een soort particulare. Het is een geheel van instantiaties, opgevat als een zich ontwikkelend individu, zoals de mens in ‘de mens is langzaam geëvolueerd’. Bradley behandelt gewone particularia als concrete universalia omdat het zich ontwikkelende individuen zijn, hoewel bij hem eigenlijk het heelal het enige individu is. Hij gebruikt ‘particularia’ in een meer beperkte zin dan in dit lemma geschiedt.

Evenals particularia zijn universalia er in vele soorten. Sommige universalia kunnen slechts in paren, drietallen enzovoort van objecten geïnstantieerd worden (relaties). Andere, zoals ‘vierkante cirkel’, kunnen helemaal niet geinstantieerd worden, zelfs niet in het denken. Sommige kunnen samen met hun tegengestelde worden geïnstantieerd: iets kan tegelijk mooi en lelijk zijn, in verschillende opzichten; of het object instantieert het universale alleen als het op een bepaalde manier wordt beschreven: iets kan groot zijn indien beschreven als een muis, maar niet indien beschreven als een dier; en het gedistantieerde kan zelf een universale zijn, want een universale kan in universalia geïnstantieerd worden: rood kan de eigenschap hebben mooi te zijn. Verder zijn stoffen, zoals water, geen particularia, hoewel we toch mogen aannemen dat het instanties van universalia zijn. Logisch gesproken is het dus het begrip instantiatie dat tegenover het begrip universale staat, ook al zijn instantiaties natuurlijk meestal particularia.

Een van Peirce stammend onderscheid dat nauw verband houdt met dat tussen universalia en particularia, en dat enkele van de complicaties op dit gebied aan het licht brengt, is dat tussen typen en tekens (types/tokens). Het woord ‘in’ staat twee maal in de zin die u nu leest, terwijl het een en hetzelfde woord is. Peirce zou dit twee maal voorkomen in een bepaald exemplaar van dit boek twee tekens van hetzelfde type noemen. Een woord zoals het in het woordenboek voorkomt is dus een type met onbepaald vele tekens (geschreven, gesproken enzovoort). Alleen typen kunnen uit het Latijn stammen, alleen tekens kunnen onleesbaar zijn. Een teken kan meerduidig zijn, en hetzelfde geldt dan voor het bijbehorende type. Ookzinnen kunnen we opvatten als typen waarvan dateerbare mondelinge of lokaliseerbare schriftelijke uitingen de tekens zijn. Het onderscheid is van belang voor nominalisten, want als zij zeggen dat er alleen woorden zijn en geen universalia, bedoelen ze dan typen of tekens? Verder is het onderscheid op zichzelf niet voldoende, want de woorden in een toespraak kunnen geen typen zijn, aangezien typen niet tot één enkele toespraak zijn beperkt, maar evenmin tekens, want dezelfde toespraak en dus dezelfde woorden kunnen vele malen geregistreerd worden (Cohen). Het is omstreden hoever de gelijkenis gaat tussen dit onderscheid en dat tussen universalia en particularia, en ook voor welke gebieden, naast dat van de taal, het relevant is. Is de Nederlandse vlag, of de leeuw in ‘de leeuw is een vleeseter’, een type of een universale of nog iets anders? Ook in de esthetica, bij de analyse van kunstwerken, is wel van het onderscheid type/teken gebruik gemaakt. Zie ook begrip, idee, realisme, zinnen.
H. Stamland, Universals, 1972. (Elementaire inleiding.)
Plato, Phaedo, Politeia, 596, Parmenides, 130a-! 35c. (Dit zijn enkele belangrijke passages. De passage in Parmenides behelst kennelijk scherpe zelfkritiek, o.a. wat Aristoteles (Metaphisica, boek A, 99obi7) het ‘argument van de derde mens’ noemt: als een individuele mens lijkt op de idee mens, dan moet er een derde mens zijn waaraan zowel het individu als de idee deel hebben, enzovoort ad infinitum.)
Aristoteles, Metaphysica, boek 7 (of Z), hoofdstukken 13-16, Analytica posteriora, boek 2, hoofdstuk 19. Zie ook de verwijzingen naar Aristoteles onder substantie.
mj. Loux (red.), Universals and Particulars, 1970. (Bloemlezing.)
R.I. Aaron, The Theory of Universals, 1952, herziene editie 1967. (Universalia als dat wat natuurlijkerwijze terugkeert (‘natural recurrences’) en als ‘groeperingsprincipes’. Ten dele historisch.)
N. Goodman, ‘A world of individuals’, in I.M. Bocheriski e.a., The Problem of Universals, 1956, herdrukt in P. Benacerraf en H. Putnam (red.), Philosophy of Mathematics, 1964 (vgl. aldaar ook pp. 21-23), en in C. Landesman (red.), The Problem of Universals, 1971. (Goodmans nominalisme.)
H.H. Price, Thinking and Experience, 1953, hoofdstuk 1, herdrukt in Landesman (z.b.). (Gematigd pleidooi voor de gelijkenistheorie, tracht deze in overeenstemming te brengen met de ‘universalia in rebus’-theorie.)
L. Wittgenstein, Philosophische Untersuchungen/Philosophical Investigations, 1953 (Filosofische onderzoekingen, 1976), §§65-77. (Familiegelijkenis.)
R. Bambrough, ‘Universals and family resemblances’, Proceedings of the Aristotelian Society, 1960-61, herdrukt in Landesman en in Loux (z.b.). (Welwillende bespreking van de familiegelijkenis-opvatting en van het verband tussen deze opvatting en het nominalisme.)
M. A. Simon, ‘When is a resemblance a family resemblance?’, Mind, 1969. (Kritische bespreking van de familiegelijkenis-opvatting.)
D. Gasking, ‘Clusters’, Australasian Journal of Philosophy, 1960.
M.B. Burke, ‘Cohabitation, stuff and intermittent existence’, Mind, 1980. (Materiële objecten kunnen met tussenpozen bestaan.)
E. B. Allaire, ‘Bare particulars’, Philosophical Studies, 1963, met discussie herdrukt in Loux (z.b.).
F. H. Bradley, The Principles of Logic, 1883, boek 1, hoofdstuk 2, §4, en hoofdstuk 6, §§30-36. (Concrete universalia. Vgl. R.M. Eaton, General Logic, 1931, pp- 269-272.)
L.J. Cohen, The Diversity of Meaning, 1962, pp. 4-5. (Korte bespreking van typen en tekens.)
W. Charlton, Aesthetics, 1970, pp. 27-29. (Typen en universalia, met toepassing op de esthetica. Vgl. ook R.A. Dipert, ‘Types and tokens: a reply to Sharpe’, Mind, 1980; Sharpe antwoordt in Mind, 1982.)