Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 20-04-2017

2017-04-20

Relativisme

betekenis & definitie

Een opvatting kan relativistisch worden genoemd als daarin wordt verdedigd dat iets bestaat, of bepaalde eigenschappen of kenmerken heeft, of waar is, of in een of andere zin het geval is, niet op zichzelf maar in relatie tot iets anders. Enigerlei vorm van relativisme ligt voor de hand voor uitspraken als ‘aardbeien zijn lekker’ (naar wiens smaak?), ‘ de som van de hoeken van een driehoek is gelijk aan 180°’ (in de Euclidische of de niet-Eu- clidische meetkunde?), ‘ik ben in rust’ (met betrekking tot mijn auto, tot de aarde, tot de zon?). In de praktijk komt men twee vormen van relativisme veel tegen: cognitief en moreel.

Cognitief relativisme, zo genoemd omdat het betrekking heeft op kennisaanspraken in het algemeen, niet slechts op uitspraken over waarden e.d., kent een extreme variant die inhoudt dat alle overtuigingen waar zijn. Als men tegenwerpt dat een propositie niet tegelijk waar en onwaar kan zijn, dan kunnen we, wanneer A gelooft wat B niet gelooft, hun meningsverschil slechts schijnbaar noemen en zeggen dat ze in werkelijkheid aan verschillende proposities denken; als A zegt ‘xis rood’ en B zegt ‘xis niet rood’, dan zouden ze eigenlijk bedoelen ‘x komt mij (niet) rood voor’. Men zou dit kunnen vermijden door te zeggen dat ze het over dezelfde propositie hebben, maar dat beiden beweren dat zij waar is voor de spreker, niet waar zonder meer; ‘waar’ wordt vervangen door ‘waar voor’. Deze laatste leer kan men subjectief relativisme noemen, en wordt door Plato toegeschreven aan protagoras.

Cognitief relativisme is aannemelijker als men het niet op individuele personen toepast maar op samenlevingen, culturen of ‘conceptuele schema’s’ {cultureel relativisme). Individuen kunnen dan onware dingen geloven wanneer zij hun eigen principe verkeerd toepassen, zoals een Euclidisch meetkundige ten onrechte kan menen dat de som van de hoeken van een driehoek 270° is. Cultureel relativisme kan niet alleen betrekking hebben op proposities of overtuigingen, maar ook op redeneerprincipes. Een standaardtegenwerping tegen al deze vormen van relativisme is dat de bewering dat het relativisme waar is, of de redenering die hieraan ten grondslag ligt, zelf toch naar voren wordt gebracht als absoluut waar of geldig: veronderstellen de begrippen beweren en redeneren zelf niet reeds de begrippen absolute waarheid en geldigheid?

Zou men het relativisme dan tot bepaalde gebieden kunnen beperken? In het bijzonder in de wetenschap komt het velen aannemelijk voor, ten dele omdat wetenschappelijke theorieën lijken te worden aanvaard zonder dat hun voorgangers duidelijk weerlegd worden, en ten dele omdat naar men beweert verschillende wetenschappelijke systemen eenvoudig incommensura- bel of onvergelijkbaar zijn (Kuhn) en wetenschappelijke termen theorie- beladen zijn: ‘massa’ en ‘tijd’ betekenden voor Einstein iets anders dan voor Newton, zodat Einstein niet kon aantonen dat Newtons uitspraken onjuist waren. Het relativisme wordt in de hand gewerkt door de holistische benadering van Quine en anderen, die inhoudt dat we elke uitspraak die we maar willen waar of onwaar kunnen noemen mits we elders in onze theorie de juiste aanpassingen maken (we kunnen volhouden dat de zon om de aarde draait als we maar de mechanica hier en daar aanpassen). Maar Quine’s verwante leer van de ongedetermineerdheid van vertaling verschilt van de incommensurabiliteitsthese, en misschien zijn deze twee zelfs inconsistent (Hacking). Het relativisme lijkt eveneens onontkoombaar voor wie meent dat we gedwongen zijn een theoretische achtergrond of verzameling begrippen (begrippenschema) of paradigma tot niet verder te rechtvaardigen uitgangspunt te kiezen; we kunnen niet alles tegelijk bekritiseren. (Zie echter Davidson over begrippenschema’s.) Maar als we het relativisme in de wetenschap aanvaarden, zullen we het dan niet om dezelfde redenen elders moeten aanvaarden, ondanks de hierboven besproken problemen? Kunnen we halverwege ophouden?

Het morele relativisme, zowel in de oudheid als in de moderne tijd in de hand gewerkt door antropologische verslagen over culturele diversiteit, heeft meer in het bijzonder betrekking op uitspraken over waarden, plicht, enzovoort. Zoals de cognitieve relativist ‘waar’ zal vervangen door ‘waar voor’, zo zal de morele relativist ‘juist’ vervangen door ‘juist voor’, en bijvoorbeeld zeggen dat kannibalisme juist is voor bepaalde primitieven maar verkeerd voor Europeanen. Maar dit is iets anders dan wanneer men zegt dat het kannibalisme door Europeanen wordt beschouwd als (in absolute zin) verkeerd. Ook is men niet noodzakelijk relativist als men zegt dat kannibalisme verkeerd is (in absolute zin) voor Europeanen maar toegestaan als de hongerdood dreigt, of dat kinderen slaan is toegestaan voor ouders maar niet voor onderwijzers. Het is immers duidelijk dat het antwoord op de vraag of een handeling juist of toegestaan is mede afhangt van de omstandigheden en van de rol die de handelende persoon vervult. Ook hoeft iemand die meent dat alle morele oordelen betrokken zijn op bepaalde samenlevingen enzovoort, daaruit niet te concluderen dat het (in absolute zin) juist is om te leven en laten leven. We moeten onderscheiden tussen het oordeel dat iets (in absolute zin) juist is voor mensen in bepaalde omstandigheden, en de opvatting dat ‘juist’ op zichzelf geen betekenis heeft en moet worden vervangen door een andere term: ‘juist voor’ of ‘juist naar die en die normen’; een relativist zou kunnen zeggen dat niets juist kan zijn tenzij gemeten aan een norm, en dat normen alleen kunnen worden beoordeeld door ze te meten aan weer andere normen. In hoeverre vertoont ‘juist’ hier overeenkomst met ‘waar’? Een andere vraag is of de relativist bedoelt dat iedere handeling slechts kan worden getoetst aan de normen van de handelende persoon of zijn samenleving, dan wel of iedere morele beoordeling alleen kan worden getoetst aan de normen van de beoordelaar of zijn samenleving (Lyons). Dit kan bijvoorbeeld verschil maken voor onze mening over de beoordeling van een samenleving door een andere. Stel de abortus van A wordt door B goed- en door c afgekeurd: volgens de eerste opvatting zal alleen die beoordeling juist zijn die overeenkomt met de normen van A’S samenleving; volgens de tweede opvatting kunnen beide beoordelingen juist zijn als ze maar overeenkomen met de normen van de samenleving van B respectievelijk C.

Relativisme is niet hetzelfde als subjectivisme. Een relativist kan subjectivist zijn, maar zijn subjectivisme is dan geen logisch gevolg van zijn relativisme.
M. Krausz en J.W. Meiland (red.), Relativism: Cognitive and Moral, 1982. M. Hollis en S. Lukes (red.), Rationality and Relativism, 1982. (Twee bundels, beide met inleiding en bibliografie. In de eerste vindt men Davidson en Lyons, in de tweede Hacking.)
Plato, Theaetetus, §§152-186. (Bespreking van Protagoras. Vgl. ook Plato’s dialoog Protagoras.)
T.S. Kuhn, The Structure of Scientific Revolutions, 1962,2de editie, met uitgebreid ‘Postscript’, 1969 (De structuur van wetenschappelijke revoluties, vertaling naar de 2de editie, 1972). (Ten dele relativistische opvatting over wetenschappelijke vooruitgang. Zie voor kritiek hierop I. Lakatos en A. Musgrave (red.), Criticism and the Growth of Knowledge, 1970.)
H. Putnam, ‘What is “realism”?’, Proceedings of the Aristotelian Society, 1975-76. (Wetenschap en waarheid. Uitgebreidere versie in zijn Meaning and the Moral Sciences, 1978.)
M. Giaquinto, ‘Science and ideology’, Proceedings of the Aristotelian Society, 1983-84. (Waarin ze verschillen en waarom de wetenschap beter is.)
A.W. van Haaften, Epistemologisch relativisme. Logisch en psychologisch perspectief in de filosofische argumentatie, 1979. (V erdediging van het epistemologisch relativisme.)
A.W. Musschenga, Noodzaak en mogelijkheid van moraal, 1980. (Bestrijdt het morele relativisme.)
F.E. Snare, ‘The diversity of morals’, Mind, 1980. (Verdedigt een versie van het morele relativisme. G. Sher, ibidem, bekritiseert de opvattingen van G. Harman (in Krausz en Meiland, z.b.).)