Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 20-04-2017

2017-04-20

Kant, Immanuel

betekenis & definitie

1724-1804. Duits filosoof, woonde zijn hele leven in Königsbergen (nu Kaliningrad). Hij wordt vaak gezien als de denker die een synthese tot stand heeft gebracht tussen de (Britse) empiristische en de rationalistische school door afstand te nemen van de vragen die zij stelden (‘wat is de aard van de wereld?’, ‘hoe verwerven we kennis over de wereld?’) en te stellen dat we eerst onze kenvermogens kritisch moeten onderzoeken; hij vraagt zich af wat een geest als de onze kan kennen.

Daarom wordt zijn filosofie (althans die vanaf 1781) de ‘kritische’ filosofie genoemd. De verdediging van synthetische a priori-proposities neemt een belangrijke plaats in zijn filosofie in. Hij trachtte ook de moraal uit de rede af te leiden, en een begrip van het zelf uit te werken dat zich laat verenigen met de vrije wil. Kritik der reinen Vernunft (Kritiek der zuivere rede), 1781 (2de editie 1787). Grundlegung zur Metaphysik der Sitten, 1785 (Grondslagen van de ethiek, 1978). Kritik der praktischen Vernunft (Kritiek der praktische rede), 1788. Kritik der Urteilskraft (Kritiek der oordeelskracht), 1790. Zie ook analytisch, apperceptie, A priori, behoren, categorieËN, epistemologie, ethiek, fenomenologie, goed, hare, heidegger, hume, idealisme, idee, imperatief, incongruente tegenhangers, intuÏtie, kosmologisch godsbewijs, menigvuldigheid, modaliteiten, noumenon, plan, rede, reid, ruimte en tijd, schoonheid, schopenhauer, strawson, trancendentale argumenten, universali" seerbaarheid, vorm, zijn.