Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 20-04-2017

2017-04-20

Intensionaliteit

betekenis & definitie

Globaal: al datgene wat de betekenis van een term betreft, als onderscheiden van de zaken waarop de term van toepassing is. Het verband tussen intensie en extensie is hetzelfde als dat tussen de betekenis van een term en dat waarop de term van toepassing is, maar beide zijn complex en meerduidig. Begrippen als connotatie en Frege’s Sinn worden intensies genoemd.

Denotatie en Frege’s Bedeutung (verwijzing) kunnen, evenals klassen, extensies worden genoemd. (Zie voor deze begrippen ook betekenis.) Gewoonlijk bepaalt de context wat er bedoeld is. De comprehensie van ‘mens’ is de verzameling van eigenschappen die alle mensen gemeen hebben, of ook wel van die eigenschappen die ze logisch noodzakelijk gemeen hebben. In de zeventiende-eeuwse filosofie staat het voor ‘connotatie’. Vgl. Kneale, pp. 318 vv. Extensies beantwoorden min of meer aan klassen, intensies aan eigenschappen. Een eigenschap als menselijk legt ten hoogste één klasse vast: er is maar één klasse van mensen, al kan zij deelklassen hebben. Maar een en dezelfde klasse kan aan meerdere eigenschappen beantwoorden. De klasse der herkauwers is bijvoorbeeld identiek met de klasse der spleethoevige dieren. Een klasse kan zelf extensioneel of intensioneel gedefinieerd worden, zie universalia.

Zolang als het ons slechts gaat om een groep objecten, en niet om hoe ze beschouwd worden, kunnen we voor onze beschrijving ervan een willekeurige andere beschrijving substitueren die dezelfde klasse vastlegt (bijvoorbeeld ‘spleethoevig’ voor ‘herkauwend’): wat we met gebruikmaking van de tweede beschrijving zeggen blijft waar als het met de eerste beschrijving waar was. Als alle herkauwers zoogdieren zijn, dan zijn alle spleethoevigen zoogdieren. We drukken dit uit door te zeggen dat we de twee termen salva veritate (met behoud van waarheid) voor elkaar kunnen substitueren. Wanneer we proposities alleen met betrekking tot hun waarheidswaarden bestuderen (zoals logici vaak doen, vgl. waarheidsfunctiE), dan kan evenzo voor iedere propositie een andere propositie met dezelfde waarheidswaarde salva veritate worden gesubstitueerd. Daarom worden ook waarheidswaarden tot de extensies gerekend. Proposities zelf, die, wanneer onze belangstelling minder beperkt is, niet op deze wijze kunnen worden gesubstitueerd, worden tot de intensies, soms ook genoemd intensionele objecten, gerekend.

Extensies zijn eenvoudiger dan intensies, en in een weinig precieze maar begrijpelijke zin zijn ze ook objectiever: ze betreffen de wereld zelf, niet zozeer de manier waarop wij ernaar kijken. Logici hebben daarom een voorkeur voor extensies, en zouden zich graag van intensies ontdoen door uitspraken die intensionele begrippen bevatten te vertalen in uitspraken die daar vrij van zijn. De opvatting dat dit mogelijk is wordt de extensionaliteitsthese genoemd (vgl. leibniz, wet van). Zij wordt verdedigd door de logische atomisten, logische positivisten, nominalisten en in het algemeen door diegenen die de voorkeur geven aan een dun bevolkt, sober universum. Zij wordt aangevallen door hen die de rijkdom en complexiteit van het heelal aanvaarden zoals zij zich voordoen. De verdedigers van de extensionaliteits- these, met name Quine, betogen ook dat als zij niet wordt aanvaard het onmogelijk is een coherent logisch systeem uit te werken, d.w.z. zij menen dat er geen intensionele logica mogelijk is. Deze opvatting kan zelf een versie van de extensionaliteitsthese worden genoemd.

Als in een bepaalde context een verwijzende uitdrukking niet salva veritate kan worden vervangen door een andere uitdrukking die naar dezelfde zaak of zaken verwijst, dan wordt die context ondoorzichtig genoemd; in het andere geval is hij doorzichtig. Ook in andere contexten worden ‘doorzichtig’ en ‘ondoorzichtig’ gebruikt om gevallen waarin substituties mogelijk zijn te onderscheiden van gevallen waarin ze niet mogelijk zijn. Zo is het voorkomen van ‘is opgehangen’ in ‘Jan gelooft dat Hitler is opgehangen’ ondoorzichtig: we kunnen het niet vervangen door ‘onderging hetzelfde lot als Goebbels’, zelfs als Goebbels is opgehangen, omdat Jan dit misschien niet weet (en dus misschien niet denkt dat Hitler hetzelfde lot heeft ondergaan als Goebbels). In zoverre komt ondoorzichtigheid op hetzelfde neer als intensionaliteit, al wordt het toegepast op een kleinere klasse van gevallen: contexten kunnen ondoorzichtig zijn, eigenschappen kunnen intensioneel maar niet ondoorzichtig worden genoemd. Misschien moeten we ondoorzichtigheid een gevolg van intensionaliteit noemen.

Intentionaliteit verschilt historisch van intensionaliteit, maar wordt er vaak mee verward of mee gelijkgesteld. Het is omstreden of de twee termen voor hetzelfde begrip staan. Vaak wordt, ongewijfeld om deze verwarring te vermijden, niet-extensioneel gebruikt in plaats van ‘intensioneel’. ‘Extensie’ en de afleidingen daarvan worden altijd met een ‘s’ gespeld.

Intentionele situaties kunnen we ons voorstellen als die situaties waarin een relatie lijkt te bestaan maar niet echt bestaat, zoals ‘wil hebben’ in ‘ik wil een eenhoorn hebben’ een relatie tussen mij en een eenhoorn lijkt uit te drukken (maar er schuilen hier moeilijkheden, zie de volgende alinea). Dit doet zich vooral voor in bepaalde psychologische contexten, en het fundamentele probleem rond intentionaliteit is haar zo te definiëren dat de eigenaardigheden van precies deze psychologische contexten worden bestreken en verklaard. Soms hangt de waarheidswaarde van uitspraken over een object af van de manier waarop het object is beschreven. Dit is in het bijzonder het geval met psychologische begrippen als geloven, denken, willen. Cicero en Tullius zijn één en dezelfde persoon, maar Jan gelooft misschien dat Cicero een redenaar is zonder dit van Tullius te geloven (hoewel hij omtrent Tullius dit geloof koestert, want zijn geloof heeft betrekking op de man (Cicero) die in feite ook Tullius is). Ook is mogelijk dat het object niet bestaat. Jan kan geloven dat Apollo een redenaar is, of dat er in Afrika eenhoorns voorkomen. Dit levert naast bovengenoemd substitutiecriterium nog een ander criterium op voor ondoorzichtigheid. Globaal gesproken is een context ondoorzichtig als hij geen complicaties met zich meebrengt inzake het bestaan van het object dat erin wordt genoemd. ‘Hij zag Apollo’ is doorzichtig, maar ‘hij vereert Apollo’ is ondoorzichtig omdat Apollo niet hoeft te bestaan om vereerd te worden. Op grond van het eerste criterium is ‘hij vereert Apollo’ echter doorzichtig, want als Apollo een beest is moet daar ‘hij vereert een beest’ uit volgen. Maar ook het substitutiecriterium brengt problemen met zich mee. Als Oedipus teweegbracht dat Laius stierf, dan bracht hij teweeg dat zijn vader stierf, dus ‘bracht teweeg dat’ levert een doorzichtige context op; maar het levert in zoverre een ondoorzichtige context op dat men niet iedere willekeurige waarheid voor ‘Laius stierf kan invullen, zoals wel zou kunnen na ‘het is waar dat’. Sedert brentano, die deze problemen aan het licht heeft gebracht en die enkele middeleeuwse termen nieuw leven inblies, worden objecten als Cicero, Apollo en eenhoorns in deze contexten intentionele objecten genoemd, en wordt er soms van gezegd dat ze intentionele inexistentie hebben: ze bestaan in de geest, of als object van geestelijke activiteit. Soms (Cicero) beantwoordt aan het intentionele object een reëel object, soms niet (Apollo). In het eerste geval is het onduidelijk wat de relaties zijn tussen reëel en intentioneel object. Als ze identiek zijn, dan zou ook Tullius intentioneel object van Jans geloof moeten zijn. Als ze niet identiek zijn lijkt het intentionele object slechts in de geest te bestaan, maar ook dat is onbevredigend omdat in het geval van zowel Apollo als Cicero het geloof op iets buiten de geest gericht is. Het hele begrip intentioneel object is kennelijk problematisch (vgl. denken), en er zijn diverse theorieën over de aard en de realiteit ervan.

Het is verleidelijk om psychologische contexten te bestempelen als die waarin niets wordt verondersteld omtrent het bestaan of niet bestaan van de erin genoemde zaken, m.a.w. als die welke ondoorzichtig zijn volgens het tweede bovengenoemde criterium. Maar dat leidt tot twee soorten problemen. In de eerste plaats is het niet duidelijk wat er precies onder ‘psychologisch’ valt. ‘Jan jaagt op eenhoorns’ gaat over een fysieke activiteit, die echter een psychologische kant heeft. Aangezien deze zin volgens de bedoelde interpretatie niet impliceert dat eenhoorns bestaan, is hij in die interpretatie vermoedelijk intentioneel. Aan de andere kant is ‘Jan weet (beseft, geeft toe) dat er eenhoorns zijn' toch duidelijk psychologisch, terwijl het niettemin impliceert dat er eenhoorns zijn. (‘Weten’ is een ‘factief werkwoord, zie epistemologie.) Daarnaast zijn waarnemen en pijn voelen zeker psychologisch, hoewel ze niet altijd veronderstellingen omtrent existentie met zich meebrengen, m.a.w. niet psychologisch lijken te zijn in de hier bedoelde zin.

De tweede moeilijkheid is dat alle kenmerken die men kiest om psychologische contexten als intentioneel af te bakenen, ook eigen lijken te zijn aan duidelijk niet-psychologische contexten, bijvoorbeeld modale (zie modaliteiten): ‘mogelijk zijn eenhoorns herbivoren’ hoeft niet te impliceren dat er eenhoorns zijn, noch dat ze er niet zijn, en lijkt dus intentioneel. Het is deze moeilijkheid die twijfels doet opkomen aan het onderscheid tussen intentionaliteit en intensionaliteit (want modale contexten worden algemeen als intensioneel beschouwd).

Intenties in de gewone zin vormen slechts één soort intentionele context en hebben geen speciale betekenis in verband met de intentionaliteit waar het hier om gaat.
Zie ook betekenis, denken.
W. enM. Kneale, The Development of Logic, 1962. (Uitgebreide behandeling van de meeste begrippen in dit lemma in hun historische context.)
L. S. Stebbing, A Modern Elementary Logic, 1943. (In hoofdstuk 6 wordt de relevante terminologie in de traditionele logica besproken.)
W.V. Quine, ‘Reference and modality’, in zijn From a Logical Point of View, 2de (herziene) editie, 1961, met een (moeilijke) erop volgende discussie herdrukt in L. Linsky (red.), Reference and Modality, 1971. (Ondoorzichtigheid en de gevolgen daarvan voor de modale logica en voor intensionele logica in het algemeen.)
Proceedings of the Aristotelian Society, supplementary volume, 1968. (Bevat twee relevante symposia. J.O. Urmson (het gemakkelijkste stuk) en L.J. Cohen, ‘Criteria of intensionality’, stellen intentionaliteit en intensionaliteit aan elkaar gelijk en bespreken van R. Chisholm stammende criteria. W.C. Kneale en A.N. Prior, ‘Intentionality and intensionality’, maken onderscheid en bespreken verschillende problemen, waaronder de relaties van deze begrippen met het nominalisme. Kneale draagt ook historisch materiaal aan.)
A. Kenny, Action, Emotion and Will, 1963. (De hoofdstukken 9 w. gaan over de ‘objecten’ van emoties e.d., onder verwijzing naar Chisholm. Hij spreekt steeds van intensionaliteit.)
R. Scruton, ‘Intensional and intentional objects’, Proceedings of the Aristotelian Society, 1970-71. (Hij onderscheidt ze en maakt binnen intentionaliteit weer verder onderscheid.)
P.T. Geach, ‘Teleological explanation’, in S. Körner (red.), Explanation, 1975, i.h.b. pp. 83-84. (‘Bracht teweeg dat’ enz.)
D.C. Dennett, The intensionalstance, 1987.