Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 20-04-2017

2017-04-20

Idealisme

betekenis & definitie

Een leer, met vele varianten, die inhoudt dat de werkelijkheid mentaal is. Idealisme staat vooral in tegenstelling tot realisme, maar ook wel tot materialisme. Een enkele maal betekent het slechts dat het heelal geestelijk is in de zin van afhankelijk van God.

Soms echter worden die opvattingen idealistisch genoemd die inhouden dat de werkelijkheid weliswaar buiten de geest bestaat maar alleen vanuit een bepaald standpunt kan worden beschreven - er zijn verschillende manieren om de werkelijkheid te bezien, en geen daarvan is beter dan de andere, zoals het ook van ons ‘standpunt’ afhangt of Amsterdam zich rechts van Haarlem bevindt. In deze ruime zin zijn ook opvattingen als het pragmatisme en het conventionalisme idealistisch. Kant meende eveneens dat de werkelijkheid onafhankelijk van ons bestaat, maar dat de wijze waarop zij ons verschijnt wordt bepaald door de structuur van de menselijke geest. Voor iedereen toegankelijke empirische kennis is dan ook weliswaar mogelijk, maar slechts van verschijningsvormen (‘fenomenen’). Hij noemde zichzelf een empirisch realist maar een transcendentaal idealist. Idealisme heeft meer met ‘idee’ te maken dan met ‘ideëel’ of ‘ideaal’. Het heeft geen direct verband met ethiek of gedrag, al zijn bepaalde ethische opvattingen er wel mee in verband gebracht.

Voor een volbloed idealist is de werkelijkheid geestelijk. ‘Zijn is waargenomen worden,’ zoals Berkeley zei. Materie bestaat niet behalve in de vorm van ideeën in de geest of als manifestatie van geestelijke activiteit. De ‘geest’ in kwestie kan onze eigen geest zijn (solipsisme: zie skepticisme), geesten in het algemeen, of de geest van God (Berkeley). Het absolute idealisme ontwikkelde zich na Kant, met name bij Hegel. In Groot-Brittannië vond het grote aanhang tussen ongeveer 1865 en 1925, in Nederland was bolland er een vertegenwoordiger van. Het neemt vele vormen aan, maar de kern is dat er uiteindelijk slechts één realiteit bestaat: het Absolute, dat geestelijk van aard is. Andere dingen zijn deelaspecten hiervan of zijn illusoire verschijnselen die erdoor worden voortgebracht. Het idealisme wordt dan een vorm van monisme. Het Absolute wordt zo genoemd omdat het het enige is dat niet van iets anders afhangt of iets anders veronderstelt, en zijn eigenschappen niet slechts in relatie tot iets anders heeft.

Er wordt soms onderscheid gemaakt tussen subjectiefs n objectief idealisme. ‘Subjectief idealisme’ staat vooral voor opvattingen die inhouden dat ideeën in de geest, met name de menselijke geest, de enige werkelijkheid vormen. De term wordt vaak toegepast op Berkeley, hoewel hij zelf sprak van immaterialisme. ‘Objectief idealisme’ is, evenals absoluut idealisme, vooral van toepassing op vormen van idealisme waarbij de werkelijkheid buiten de menselijke geest wordt geplaatst. We treffen het vooral aan wanneer de argumenten ten gunste van het idealisme zeggen dat de verschijnselen contradictoir zijn, en daarom slechts verschijningsvormen zijn van een erachter liggende werkelijkheid. Daarentegen zegt het subjectieve idealisme juist dat verschijnselen en de geest de enige realiteit vormen (vgl. fenomenalisme).
Plato’s leer der ideeËN of vormen wordt tegenwoordig meestal geen idealisme meer genoemd omdat deze Ideeën, hoewel niet materieel, niet mentaal of van de geest afhankelijk zijn. Zie ook zijn.
A. C. Ewing (red.), The Idealist Tradition, 1957. (Bloemlezing uit het werk van vooraanstaande idealisten.)
A.C. Ewing, Idealism: A Critical Survey, 1934. (Welwillende bespreking, hoewel de auteur geen idealist is.)
J. Hospers, Introduction to Philosophical Analysis, 1956, hoofdstuk 8. (Bespreekt het subjectieve idealisme in zijn verhouding tot andere theorieën.) A. Quinton, Absolute Idealism, 1972.
J. Foster, The Case for Idealism, 1982. (Gematigde verdediging van een bepaalde variant.)