Gevoel betekenis & definitie

Onder dit begrip vallen zeer vele manieren waarop wij werkelijke of denkbeeldige situaties in de wereld of in onszelf kunnen ervaren. Men kan uitwendige zaken voelen (tafels, de warmte van het vuur), aanrakingen (van een hand, een speldeprik), inwendige zaken (een brok in de keel), de gevolgen van situaties (het ontbreken van een raadgever), fysieke of mentale gevoelens die niet bestaan zolang ze niet gevoeld worden (scheuten pijn, gewetensknagingen), verlangens, enzovoort.

Men kan zich in een bepaalde toestand voelen (ziek, boos, onrustig), of in een relatie (beklemd, beledigd), of in een positie ten opzichte van iets (niet in staat harder te lopen). Zich misselijk of boos voelen komt dicht bij misselijk of boos zijn, maar men kan zich ziek, of beter, of een mislukkeling voelen zonder ziek enzovoort te zijn. Men kan hetzij zintuiglijk voelen dat iets zo is (datje hand warm is, of je dat nu inwendig voelt of met de andere hand), hetzij verstandelijk (dat de regering zal vallen), hetzij emotioneel of intuitief (dat zijn vriendschap aan het bekoelen was). Men kan zich belachelijk voelen, men kan ook voor iemand voelen. Men kan ook van objecten zeggen dat ze zus of zo (aan)voelen (‘dit voelt koud (aan)’), en ‘voelen’ correspondeert zowel met ‘kijken’ en ‘luisteren’ als met ‘zien’ en ‘horen’. In ‘voel maar eens’ slaat ‘voel’ op de handeling van het voelen, niet op wat gevoeld wordt.

Het substantief ‘gevoel’ kan ook staan voor het onmiddellijke object van voelen, beschouwd als iets uitwendigs (‘het zachte gevoel van fluweel’). ‘Gevoel’ in deze zin staat tot ‘gevoel’ in de eerdere zin ongeveer als ‘ sensum’ tot ‘gewaarwording’. Hoewel we kunnen zeggen ‘ik voelde het zachte gevoel van fluweel’, volgt ‘gevoel’ in deze betekenis zelden op werkwoorden als ‘gewaarworden’ of ‘hebben’. ‘Rauwe gevoelens’ (‘raw feels’, ongeconceptualiseerde gevoelens) wordt soms als technische term gebruikt (vgl. ‘sensa’).

De filosofische problemen rond gevoelens betreffen voornamelijk de vraag hoe ze geïdentificeerd en beschreven moeten worden, bijvoorbeeld in hoeverre ze intrinsiek en zonder verwijzing naar oorzaken of begeleidende neigingen of disposities van elkaar kunnen worden onderscheiden. In hoeverre kunnen ze worden gebruikt om begrippen als emotie, bewustzijn of genot te verduidelijken? In hoeverre bestaan deze zaken uit gevoelens? Andere problemen betreffen de soorten en objecten van gevoelens, en in hoeverre ze gepaard gaan met aandacht en met opmerken. Hoe gebruiken we gevoelens bij het verwerven van kennis over de wereld? Hoe weten we, als we het al weten, dat ze bestaan, bij onszelf en bij anderen? (Pijn is altijd een standaardvoorbeeld geweest in de discussie over privÉ-taal.)

G. Ryle, ‘Feelings’, Philosophical Quarterly, 1951, herdrukt in zijn Collected Papers, 1971, deel 2.
(Verschillende betekenissen van ‘voelen’ en de relaties daartussen. Vgl. ook zijn Concept ofMind, 1949.)
A.R. White, Attention, 1964. (Bespreekt o.a. de relatie tussen voelen en aandacht hebben, opmerken, verlangen, enz. Vgl. ook zijn The Philosophy of Mind, 1967, hoofdstuk 5.)
W.P. Alston, ‘Feelings’, Philosophical Review, 1969. (Wat zijn gevoelens, en hoe verhoudt zich boos voelen enz. zich tot boos zijn? Vgl. Vesey, bibliografie bij gewaarwording.)
S. Hampshire, Feeling and Expression, 1961. (Betoogt dat deze twee van elkaar afhangen.)
M. van Nierop (red.), Gevoel en emotie, 1985. (Artikelen van uiteenlopende moeilijkheidsgraad.)