Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Geest, filosofie van de

betekenis & definitie

Ook filosofische psychologie genoemd. De psychologie houdt zich bezig met vragen die beslist kunnen worden door waarneming, experiment en meting, terwijl de filosofie van de geest haar (anderssoortige) vragen beslist op grond van bespiegeling. Zij geeft vaak bijzondere aandacht aan onze manieren van denken en spreken over de betrokken onderwerpen. Zij analyseert begrippen die met het verschijnsel geest in het algemeen te maken hebben, waarbij zij de onderlinge relaties tussen die begrippen en de relaties ervan tot andere begrippen, zoals oorzaak en substantie, beschouwt.

Traditioneel is het centrale probleem wat de geest is en hoe hij met het lichaam is verbonden, waarbij ‘ziel’ soms in de plaats komt van ‘geest’; soms echter wordt de ziel als een aparte entiteit beschouwd. Theorieën over dit probleem van lichaam en geestvariëren van idealistische opvattingen waarin alleen de geest werkelijk is tot materialistische opvattingen waarin hetzij alleen het lichaam werkelijk is (vgl. behaviourisme), hetzij mentale verschijnselen identiek zijn met bepaalde fysieke verschijnselen (identiteitstheorie van de geest). Deze opvattingen zijn, evenals de dubbelaspecttheorie, het neutrale monisme, de opvatting van Strawson waarin lichamen worden onderscheiden van personen, en Aristoteles’ opvatting dat de geest zich verhoudt tot het lichaam als vorm tot materie, allemaal monistische theorieën, in die zin dat ze ontkennen dat de geest of geestelijke verschijnselen en het lichaam of lichamelijke verschijnselen verschillende dingen zijn. Volgens dualistische opvattingen bestaat dit onderscheid wel. Voorbeelden zijn interactionisme, epifenomenalisme, psychofysisch parallelisme, en occasionalisme. Het functionalisme is wellicht monistisch, maar het is moeilijk te classificeren. Idealistische en de meeste dualistische opvattingen zijn momenteel uit de mode, maar over de identiteitstheorie wordt nog stevig gediscussieerd.

Het verwante onderwerp van de persoonlijke identiteit is van belang voor vragen als: kan één geest meerdere lichamen bezielen, achtereenvolgens, zoals bij reïncarnatie, of tegelijk? Kunnen meerdere geesten een en hetzelfde lichaam bezielen (één van de opvattingen over gevallen van meervoudige persoonlijkheid)? Kan een geest geheel zonder lichaam bestaan, al of niet na eerst met een lichaam verbonden te zijn geweest? Het is duidelijk dat veel afhangt van wat als een geest telt. Dit is een van de weinige gebieden waar de filosofie onze toekomstvoorspellingen zou kunnen beïnvloeden. De discussie heeft een stimulans gekregen door de mogelijkheid van hersentransplantatie. Parapsychologisch onderzoek is relevant zowel in dit verband als in verband met waarneming buiten de zintuigen om, kennis van de toekomst, telepathie enzovoort.

Bewustzijn is verwant met geest. Wat is bewustzijn, en welke rol speelt het in onze gedachten en activiteiten? In hoeverre kunnen deze zonder bewustzijn worden gedupliceerd of nagebootst, hetzij in bewuste wezens (het ‘onbewuste’), hetzij in artefacten (zie quale), en wanneer moeten we zeggen dat er sprake is van bewustzijn? De belangstelling voor deze vragen is gestimuleerd door Freuds theorie over het onbewuste, door de wetenschappelijke voordelen verbonden aan het bestuderen van de mens in termen van waarneembaar gedrag, en door recente ontwikkelingen op het gebied van de artificiële intelligentie.

Een onderwerp dat de filosofie van de geest in nauw verband brengt met de ethiek is de filosofie van het handelen. De kwestie van de v R I J E W I L roept de vraag op of handelingen veroorzaakt kunnen worden, bijvoorbeeld door redenen of intenties, en noopt tot een algemene analyse van begrippen als motief, intentie, willen, trachten. Zijn dit het soort dingen die oorzaken kunnen zijn? Zijn het mentale toestanden? Kunnen ze onafhankelijk van handelingen geïdentificeerd of beschreven worden? Zijn er grenzen aan onze irrationaliteit (vgl. wilszwakheid)? Zowel in de ethiek als in de filosofie van de geest kunnen we ons afvragen of er logische grenzen zijn aan wat we kunnen goedkeuren of aan waartoe we ons verplicht voelen. Zijn er zodanige zaken dat niets zou gelden als goedkeuring ervan?
Vervolgens kunnen we vragen stellen over genot en pijn (vgl. psychologisch hedonisme), en over gevoelens en emoties. In welke zin bevinden bijvoorbeeld gevoelens zich ‘in’ het lichaam of de geest, en hoe dienen emoties te worden geanalyseerd en te worden onderscheiden, zowel van gevoelens als van elkaar? Veel dergelijke vragen, en ook tal van vragen over waarneming en verbeelding, hebben raakvlakken met de esthetica.

Dit voert ons naar meer centrale cognitieve begrippen als waarneming, gewaarwording, oordeel, zowel als naar meer specifieke begrippen als opletten, opmerken, gadeslaan en meer intellectuele begrippen als denken, begrijpen, geloven, betwijfelen, zeker zijn van, redeneren, concluderen. De epistemologie houdt zich in de eerste plaats bezig met kwesties van rechtvaardiging, terwijl de filosofie van de geest deze begrippen veeleer analyseert vanuit de vraag aan welke logische voorwaarden iemand moet voldoen willen we van hem of haar kunnen zeggen dat hij of zij waarneemt, gelooft, enzovoort. ‘Weten’ ontbreekt in de zojuist gegeven lijst omdat weten impliceert dat iets juist of gerechtvaardigd is; de analyse ervan behoort daarom tot de epistemologie. Zo behoort ook de vraag of geloven hetzelfde is als geneigd zijn op bepaalde manieren te handelen in de eerste plaats tot de filosofie van de geest, maar de vraag of we eigenlijk wel kunnen zeggen dat iemand iets gelooft in een geval waarin hij zich niet kan vergissen, zoals wanneer iemand ‘gelooft’ dat hij pijn lijdt, behoort tot de kenleer. Maar het onderscheid is niet scherp.

G.N.A. Vesey (red.), Body and Mind, 1964. (Bloemlezing vanaf Descartes.)
J. W. Reeves, Body and Mind in Western Thought, 1958. (Geschiedenis en
bloemlezing.)
K. Campbell, Body and Mind, 1970. (Inleidend.)
A.R. White, The Philosophy of Mind, 1967. (Combineert een algemeen overzicht met gedetailleerde analyses.)
R. Marres, Filosofie van de geest. Een kritisch overzicht, 1985. (Bespreekt kritisch en op toegankelijke wijze de belangrijkste stromingen.)
G. Ryle, The Concept of Mind, 1949 {De eenheid van lichaam en geest, 1971).
(Klassieke aanval op bepaalde dualistische (‘ghost in the machine’) opvattingen over lichaam en geest, bespreekt verder gevoelens, emoties, enzovoort.)
A.C. Maclntyre, The Unconscious, 1958.
W. James, ‘Does “consciousness” exist?’, in zijn Essays in Radical Empiricism, 1912 (het artikel is uit 1904). (Neutraal-monistische benadering.) D.M. Armstrong en N. Malcolm, Consciousness and Causality: A Debate on the Nature of the Mind, 1984. (Een materialist en een tegenstander discussiëren over vraagstukken rond bewustzijn.)
K.V. Wilkes, ‘Is consciousness important?’, British Journal for the Philosophy of Science, 1984. (Nee.)
K. Steinbuch, Automat und Mensch, 1961 {Menselijk en machinaal denken, 1964). (Probeert de menselijke intelligentie te begrijpen naar analogie van informatieverwerkende automaten.)
A.R. Anderson (red.), Minds and Machines, 1964. (Kunnen machines denken?, en soortelijke vragen.)
H. Simon, The Sciences of the Artificial, 1969 {Psychologie en systeemtheorie, 1976). (Problemen bij het maken van kunstmatige intelligente systemen.)
D.R. HofstadterenD.C. Dennett (red.), The Mind’s Eye, 1981 {De spiegel van de ziel, 1985). (Bundel artikelen die op speelse wijze een indruk geeft van de computerpsychologie.)
Menselijk denken en computers, themanummer van Wijsgerig perspectief, 1983-84. (6 toegankelijke artikelen rond artificiële intelligentie.) M.A.M.M. Meijsing, Mens of machine?, 1986. (Bestrijdt het fysicalisme (zie
identiteitstheorie van de geest).)
A. Kenny, Action, Emotion and Will, 1963. (Bespreking van deze begrippen.)
A.P. Griffiths (red.), Knowledge and Belief, 1967. (Bijdragen tot zowel de epistemologie als de filosofie van de geest.)
A. Kenny, ‘Philosophy of mind in the Anglo-American tradition’, in R. Klibansky (red.), Contemporary Philosophy, deel 3,1969. (Kort overzicht van enkele toen recente ontwikkelingen.)
J. Glover (red.), The Philosophy of Mind, 1976. (Bloemlezing.)
C. McGinn, The Character ofMind, 1982. (Elementaire inleiding tot enkele
onderwerpen.)