Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Existentialisme

betekenis & definitie

Een beweging waaraan vooral de namen van Kierkegaard, Jaspers, Heidegger, Sartre en Marcel zijn verbonden, al worden ook vele anderen ertoe gerekend. De exponenten ervan hebben zeer uiteenlopende zienswijzen, in de religie en de politiek zowel als in de filosofie, maar er zijn bepaalde algemene thema’s die ze met elkaar verbinden.

Het belangrijkste van deze thema’s is belangstelling voor de mens als zodanig en zijn relaties tot de wereld, en voor het begrip zijn. Existentialisten maken gewoonlijk onderscheid tussen het soort zijn dat op de mens van toepassing is, door Heidegger Dasein genoemd, en het zijn dat op dingen van toepassing is, en op mensen alleen voor zover zij dingen zijn. Existentialisten neigen ertoe het zijn dat van toepassing is op mensen te beschouwen als iets dat de mens slechts nu en dan bereikt, en waar hij met kracht naar moet streven. Bij Sartre staat être-pour-soi, dat bij de mens hoort maar waar we soms niet aan toe komen, tegenover être-en-soi, dat bij dingen hoort, maar waaraan de mens niet ontsnapt wanneer hijinkwadetrouw leeft. Er lijkt dus in het existentialisme een zekere spanning te bestaan tussen enerzijds: het beschrevene is de onvermijdelijke menselijke conditie, en anderzijds: het is een misschien nooit geheel bereikbaar ideaal. De twee polen in dit spanningsveld geven het existentialisme zijn twee filosofische aanknopingspunten: metafysica en ethiek.

Karakteristiek voor de menselijke existentie is voor existentialisten dat mensen in tegenstelling tot dingen actief en creatief zijn. Dingen zijn eenvoudig wat ze zijn, maar mensen zouden anders kunnen zijn dan ze zijn. Mensen moeten kiezen, en moeten (althans volgens sommige versies van het existentialisme) de principes kiezen op grond waarvan zij kiezen. Zij zijn niet, zoals dingen, al geheel bepaald. ‘Existentie gaat vooraf aan essentie’ voor de mens: de mens maakt zijn essentie al doende, en leeft niet vanuit een vooraf bepaalde essentie of blauwdruk. De mens is vrij, en de realiteit en eigen aard van die vrijheid houden existentialisten vóór alles bezig. Daarbij is de mens zich bewust van de tegenstelling tussen hemzelf en de dingen, van zijn relaties met andere mensen, van zijn uiteindelijke dood en van zijn vermogen om te kiezen en te worden wat hij niet is. Dit alles leidt tot een begrip van niet-zijn of Niets, dat de existentialisten, tot groot verdriet van de logici, vaak behandelen als een ding of conditie zonder meer. Dit ‘Niets’, en soms ook de contingentie van de dingen in het algemeen, kan een emotie of toestand van angst (wanhoop, angoisse) teweegbrengen.

In hun uitwerking van wat zijn is voor de mens, en hoe de mens verbonden is met de wereld, zijn de latere existentialisten sterk beïnvloed door Husserls
fenomenologie.
S. Kierkegaard, Begrebet angest, 1844 (Het begrip angst, 1958). (Een van de bronnen van het existentialisme.)
M. Heidegger, Über den Humanismus, 1949 (Brief over het humanisme, 1973). (Bepaalt zijn verhouding tot het existentialisme, met name dat van Sartre.)
N. Langiulli (red.), The Existentialist Tradition, 1971. (Bloemlezing uit vele schrijvers, met korte biografieën en uitvoerige bibliografieën. Zeer moeilijk. Het toegankelijkst zijn wellicht de bijdragen van Abbagnano, Buber, Marcel, Sartre.)
M. Warnock, Existentialism, 1970. (Elementaire inleiding, bestrijkt een beperkt gebied.)
A. Manser, Sartre, 1966. (Algemene filosofische studie, tamelijk elementair. Maar vgl. afwijzende bespreking in Mind, 1969. Zie ook A.C. Danto, Sartre, 1975.)
F. Jeanson, Le problème moral et la pensée de Sartre, 1965. (Sartre’s fenomenologie, zijn ontologie, de ethische aspecten van zijn werk.)
J. Collins, The Existentialists, 1952. (Kritische beoordeling. Moeilijk.)
F. Heinemann, Existenzphilosophie lebendigodertot?, 1954 (Existentie-flosofie: levend of dood?, 1967). (Over Kierkegaard, Husserl, Jaspers, Heidegger, Sartre, Marcel, Berdjajev.)
D. M. Tulloch, ‘Sartrian existentialism’, Philosophical Quarterly, 1952.
A.R. Manser, A.T. Kolnai, ‘Existentialism’, Proceedings of the Aristotelian Society, supplementary volume, 1963. (Kritische besprekingen van de existentialistische ethiek.)