Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Ethiek

betekenis & definitie

Volgens de wellicht dominante opvatting een onderzoek naar hoe mensen in het algemeen dienen te handelen, niet als middel bij een gegeven doel. De etymologie steunt dit; zie moreel. De primaire begrippen zijn dan behoren, verplichting, plicht, juist en verkeerd, zij het niet in al hun betekenissen. Het accent ligt hier dus op het handelen zelf. In de andere hoofdopvatting is het primaire onderwerp de waarde die door het handelen wordt voortgebracht en zijn de primaire begrippen het waardevolle, het wenselijke, het goede op zichzelf. Deze begrippen worden gewoonlijk tot de ethiek gerekend, maar kunnen ook als begrippen uit de axiologie worden beschouwd. Een primair op waarde gebaseerde ethiek kan men axiologische ethiek noemen.

Aan deze twee opvattingen over ethiek beantwoorden twee standpunten in de ethiek. Voor deontologen (met name Kant, W.D. Ross, H.A. Pritchard) gaat plicht vooraf aan waarde, en zijn op zijn minst sommige van onze plichten (zoals een belofte houden) onafhankelijk van waarden. Deontologisch betekent verbonden met dit standpunt, of het innemend. Deontisch betekent niet meer dan verband houdend met plicht en verwante begrippen, zoals in ‘deontische logica’. Voor teleologen, met name voor utilisten, hebben onze plichten daarentegen altijd betrekking op doelen en moeten zij waarde produceren, of misschien op bepaalde manieren verdelen. Deze opvattingen zijn soms niet scherp te onderscheiden omdat bewust handelen altijd op een doel is gericht; en zelfs Kant benadrukte morele waarde. De leus ‘handel juist, ongeacht de gevolgen’ leidt dan ook tot de vraag hoe handelingen moeten worden onderscheiden van hun gevolgen (vgl. handelen).

Het onderscheid tussen opvattingen over ethiek en opvattingen in de ethiek wordt weerspiegeld in de gebruikelijke verdeling van ethische kwesties in twee groepen. Ze worden gewoonlijk tegenover elkaar gesteld als ethiek/moraal, meta-ethiek/ethiek of filosofische ethiekJnormatieve ethiek, waarbij dan het gebied als geheel ethiek of moraalfilosofie wordt genoemd.

In de eerste groep worden conceptuele vragen gesteld, waarbij andere takken van de filosofie te pas komen, met name de logica, de taalfilosofie en de epistemologie. Gedurende deze eeuw heeft men de nadruk gelegd op vragen over de betekenis van ethische termen en over de c R i T E R i A om ze toe te passen. Welke verbanden zijn er tussen deze termen, waaronder ook de ‘slechte’ termen zoals ‘slecht’, ‘kwaad’, ‘verkeerd’ enzovoort, al krijgen deze ‘slechte’ termen in de praktijk veel minder aandacht? Wat is het verband tussen het morele en het niet-morele gebruik van deze termen, en waardoor onderscheidt het morele als zodanig zich? Ook kan men vragen stellen over hoe we zinnen waarin zulkte termen voorkomen moeten analyseren. Vgl. naturalisme over de tegenstelling prescriptivisme/descriptivisme en het onderscheid feit/waarde. Hiermee verbonden is de vraag of er objectieve morele waarheden bestaan, en of morele conclusies objectief kunnen zijn ook al kan men ze strikt genomen misschien niet ‘waar’ noemen. Vragen over hoe zulke conclusies bereikt kunnen worden, en in het algemeen over hoe morele redeneringen kunnen worden gerechtvaardigd, welke rol de rede, het gevoel en de intuitie daarin spelen, en over de aard en rol van het geweten, behoren tot de morde epistemologie. Een belangrijk begrip op dit gebied is dat van de universaliseerbaarheid, en de morele sfeer kan vaak met andere sferen worden vergeleken, bijvoorbeeld met de esthetische of met die van het rationele handelen in het algemeen. Vgl. ook goed, behoren.

Vragen van de tweede hierboven genoemde hoofdgroep betreffen werkelijke morele kwesties zoals: welke zaken zijn goed, juist, enzovoort? Wat zijn onze plichten? Bestaat er zoiets als natuurlijke rechten? Deze twee groepen werden scherp onderscheiden (met een voorkeur voor de eerste) zowel door de logisch positivisten, vanwege hun restricties op wat waar en onwaar kan zijn, als door hun opvolgers de linguïstische filosofen (zie filosofieenanalyse), die niet alleen het restrictieve dogmatisme van de positivisten verwierpen maar ook meenden dat men in de filosofie dogmatische standpunten over substantiële kwesties dient te vermijden. Dit alles houdt echter in dat ieder standpunt in kwesties uit de eerste groep verenigbaar is met ieder standpunt in kwesties uit groep twee. Deze verenigbaarheid komt voort uit de aard van de antwoorden die positivisten en linguïstische filosofen gaven op vragen uit de eerste groep. Deze antwoorden, en daarom ook de scherpte van het onderscheid, zijn echter aangevochten omdat men twijfelde aan het onderscheid feit/waarde en omdat men weer meer bereid was aan de rede een rol toe te kennen in morele discussies, en niet alleen maar in het feitelijke of logische vóórwerk.

Vele vragen lijken niet tot één van beide groepen beperkt te zijn, zo bijvoorbeeld analyses van bepaalde deugden en ondeugden, en vragen over verdienste, verantwoordelijkheid en morele idealen. Kwesties die tot de filosofie van de geest veeleer dan tot de ethiek behoren, maar die hier toch duidelijk relevant zijn, zijn die van de v ri J E W I L , het psychologische hedonisme en wilszwakte. Het grensgebied waartoe dergelijke kwesties behoren wordt vaak morele psychologie genoemd, waartoe ook analyses van begrippen als motief, intentie, begeerte, vrijwillig, overleg, pijn, genot, geluk worden gerekend; de eigenlijke ethiek onderzoekt de morele relevantie daarvan. Belang is een meer specifiek ethisch begrip, en het onderscheid tussen het eigen belang en dat van anderen leidt tot vragen over egoisme en altruisme.

Een kwestie die zowel de morele psychologie als de ethiek raakt betreft de katholieke leer van het dubbele gevolg', we mogen niet opzettelijk kwaad aanrichten, maar we mogen soms dingen doen waarvan we voorzien dat ze kwade gevolgen zullen hebben, mits we deze niet beogen. Is dit niet betekenisloos? Zo niet, is het psychologisch mogelijk? En is het moreel aanvaardbaar? mMetafysische en religieuze rechtvaardigingen voor ethische opvattingen komen weinig meer voor, maar een begrip dat genoemd dient te worden is dat van de functie van de mens, waarop vooral Aristoteles een beroep doet.Soms wordt onderscheid gemaakt tussen actor-ethiek en waarnemerethiek, omdat zaken als motieven, en het verschil tussen wat juist is en wat de handelend persoon (actor) voor juist houdt, een andere rol kunnen spelen wanneer men beslist hoe te handelen dan wanneer men beoordeelt wat iemand anders doet of moet doen.

Casuïstiek is de toepassing van morele principes op bijzondere gevallen. Daarentegen bepleit men in de situationele ethiek iedere morele situatie te beschouwen zoals zij zich voordoet, los van andere situaties, en met verwerping van algemene principes. De casuistiek is in discrediet geraakt, vooral door de mogelijkheid om steeds subtielere aspecten van een situatie te gebruiken om tegen zogenaamd inadequate morele principes in een gewenste morele conclusie te bereiken - ‘inadequaat’ kan zo ruim worden genomen dat ‘onwelkom’ er onder valt.

Descriptieve of beschrijvende ethiek onderzoekt welke morele opvattingen in feite heersen bij verschillende mensen of in verschillende samenlevingen, en of er opvattingen zijn die universeel worden aangehangen. Hoewel zulke vragen eerder wetenschappelijk dan filosofisch lijken vereisen zij vaak niet slechts het verzamelen van feiten, maar ook analyse en interpretatie - hetgeen overigens illustreert hoe onscherp het onderscheid filosofie/wetenschap is.
Aristoteles, Ethica Nicomachaea. (De methoden, meer dan de conclusies hiervan, hebben grote invloed gehad op de naoorlogse Britse ethiek; vgl. R. Sorabji, ‘Aristotle and Oxford Philosophy’, in American Philosophical Quarterly, 1969. Zie boek 1 over functies, de boeken 2-5 over deugden en verantwoordelijkheid, boek 7 over wilszwakte.)
G. E. Moore, Principia Ethica, 1903. (Had grote invloed in de analytische filosofie. Vgl. naturalisme.)
A. Gewirth, ‘Metaethics and moral neutrality’, en R.C. Solomon, ‘Summer on metaethics’, Ethics, 1968. (Bespreken de verbanden tussen meta-ethiek en normatieve ethiek. Vgl. G.H. von Wright, The Varieties of Goodness, 1963, vooral hoofdstuk 1.)
W. Frankena, Ethics, 1963. (Korte inleiding, vanuit aangepast utilistisch standpunt.)
R.B. Brandt, Ethical Theory, 1959.
J. Hospers, Human Conduct, 1961. (Twee uitgebreide inleidingen, met evenveel aandacht voor normatieve ethiek als voor meta-ethiek. In beide een bibliografie, bij Hospers ook opgaven.)
J. de Graaf, Elementair begrip van de ethiek, 1972.
A. van Haersolte, Kleine wijsgerige ethiek, 1977.
H. Hubbeling en R. Veldhuis (red.), Ethiek in meervoud, 1986. (De Graaf en Van Haersolte geven een inleiding, Ethiek in meervoudbiedt wat verdieping-)
gj. Warnock, The Object ofMorality, 1971. (Kort. Gaat in tegen de positivistische afwijzing van de normatieve ethiek.)
H.A. Pritchard, Moral Obligation, 1949. (Vroeg twintigste-eeuws intuitionisme. Voor voorbeelden van een meer recente opleving van het intuitionisme zie A.T. Kolnai, Ethics, Value and Reality, 1977, en B.A.O. Williams, Ethics and the Limits of Philosophy, 1985.)
R.M. Hare, Freedom and Reason, 1963. (Onder meer een bespreking van morele idealen. Vgl. J.O. Urmson, ‘Saints and heroes’, in A.I. Melden (red.), Essays in Moral Philosophy, 1958, herdrukt in J. Feinberg (red.), Moral Concepts, 1969.)
L. W. Nauta, Argumenten vooreen kritische ethiek, 1971. (Pleidooi voor een herziening van de hedendaagse ethiek.)
A.C. Maclntyre, A Short History of Ethics, 1966.
H. Reiner, Die philosophische Ethik, 1964 (Wijsgerige ethiek, 1969). (Normatieve ethiek en waardenleer, met bijzondere aandacht voor Thomas van Aquino.)
W. Banning, Typen van zedenleer, 1969. (Historisch overzicht van vele benaderingen van de ethiek.)
J.N. Findlay, Axiological Ethics, 1970. (Bespreekt enkele minder bekende auteurs.)
W. Achterberg, ‘Het begrip belang en het formele uitgangspunt van een ecologische ethiek’, Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte, 1985. (Kan dienst doen als inleiding in de ecologische ethiek. Zie ook Achterbergs ‘Interspecifieke rechtvaardigheid’, ibidem, 1982.)