Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

ZIJDE

betekenis & definitie

is een zeer fijne en kostbare textielgrondstof, die verkregen wordt van de door de rupsen van enkele nachtvlindersoorten gesponnen cocons. Alvorens in de poptoestand over te gaan, spinnen deze rupsen zich nl. in door middel van een spinvloeistof, die na afscheiding door twee kleine, aan de onderlip uitmondende kliertjes direct in de lucht tot een fijne draad verhardt.

Hoewel zijde van de in het wild levende zijdespinners kan worden verkregen en enkele soorten ons nog steeds vrij aanzienlijke hoeveelheden leveren, de zgn. wilde of Tussah-zijde, heeft men zich reeds vroeg toegelegd op het kweken van zijderupsen. Van de gekweekte zijderups, de moerbeizijdespinner of Bombyx rnori, verkrijgt men de zgn. echte of edele zijde.

Reeds 3000 v. Chr. was de zijde als textielgrondstof in China bekend en legde men er zich toe op de zijdeteelt. Eerst 200 n. Chr. kreeg de zijdecultuur bekendheid buiten de Chinese grenzen, met name in Japan en India, terwijl deze in de 6de eeuw n. Chr. voor het eerst in Z.O.-Europa werd ingevoerd. Van de 7de-11de eeuw was Byzantium de belangrijkste zijdemarkt van Europa. Door de Arabieren is ten slotte de verdere verbreiding van de zijdeteelt via Noord-Afrika naar Italië en Frankrijk bevorderd. In de 13de eeuw was de zijdeteelt wel is waar in Zuid-Frankrijk bekend, doch deze kwam eerst aan het einde van de 16de eeuw tot werkelijke bloei.

Daar de zijderups zich uitsluitend met moerbeibladeren voedt, is de teelt slechts mogelijk in het subtropische klimaat, waar de moerbeiboom gedijt. De voornaamste zijde producerende landen zijn China en Japan. Voor Europa zijn Frankrijk en Italië de belangrijkste gebieden voor de zijdeteelt, met als voornaamste centra Lyon, Marseille, Turijn, Milaan en Zürich. Voorts wordt zijde geteeld in Spanje, Turkije, Griekenland, Bulgarije, Rusland, Perzië, India en Amerika.

Vóór Wereldoorlog II (1939) bedroeg de wereldproductie aan ruwe zijde 60 millioen kg per jaar; in 1951 20 millioen kg.

Men onderscheidt bij de zijde-industrie: het kweken van de zijderups, het afhaspelen van de cocons, de verwerking van de cocondraden tot geschikte weef- of andere industriegarens en ten slotte de verwerking van deze garens tot het gewenste eindproduct bijv. zijden stoffen. Deze bewerkingen hebben gewoonlijk in afzonderlijke bedrijven plaats.

De vlinders die slecht ontwikkelde monddelen bezitten en bijgevolg geen voedsel tot zich nemen hebben slechts een korte levensduur (8-15 dagen). Kort na het verlaten van de cocons heeft de paring plaats, waarna de wijfjes ca 500 eitjes leggen. Spoedig daarna sterven de vlinders. In de kwekerijen worden deze dan aan een microscopisch onderzoek onderworpen. Ter voorkoming van de verspreiding van ziekten worden de eitjes van besmette vlinders vernietigd. In de eitjes van de Bombyx mori wordt een afzonderlijke handel gedreven.

Bij stijging van de temperatuur (tot 23 gr. C.) in het volgend voorjaar komen uit deze eitjes 2-3 mm lange rupsjes te voorschijn. Voor de zijdeteelt worden de eitjes kunstmatig in speciale broedovens of broedkamers uitgebroed, zodat men het tijdstip van uitkomen in de hand heeft. Op dit moment moet de moerbeiboom nl. voldoende blad voor de voeding der rupsjes kunnen leveren. De uitgekomen rupsjes worden op gazen horren met verse moerbeibladeren geplaatst. Bij de verzorging der rupsen moeten een goede ventilatie, een constante temperatuur en vochtigheid alsmede de grootste hygiëne in acht worden genomen. Na 30 à 36 dagen, in welke periode zij viermaal vervellen, hebben de rupsen een lengte van ca 10 cm bereikt. Zij zijn dan (7 à 10 dagen na de laatste vervelling) aan het einde van hun rupsenbestaan en maken zich gereed om zich te verpoppen. Men brengt ze daartoe in de spinkamers, waar zij aan fijne takjes die als aanhechtingspunten moeten dienen de eerste cocondraden bevestigen.

Tegelijk met de door de beide spinklieren uitgespoten zijdestof, de fibroïne, een eiwitachtige stof, wordt de zijdelijm of sericine afgescheiden, die de beide uitgespoten draden omgeeft en aan elkaar doet kleven. In de lucht heeft onmiddellijk een verharden van de spinstof plaats. De cocon die geleidelijk van buiten naar binnen door een voortdurende ∞-vormige beweging van de kop van de rups ontstaat, bestaat uit een in regelmatige windingen gelegde, eindeloze draad. Deze spinvorm maakt het afhaspelen van de draad mogelijk. Vanzelfsprekend moet het doorboren van de cocon door de uitkomende vlinder worden voorkomen. Dit geschiedt door de poppen door verhitting te doden. De cocons zijn wit of geel en hebben een lengte van 2-4 cm en een diameter van 1½ - 2cm. Evenals de eitjes, vormen ook de cocons een afzonderlijk handelsproduct. Uit 1 g eitjes komen globaal 1500-1800 rupsen; deze leveren ca 1 kg cocons.

De totale draadlengte per cocon bedraagt globaal 3500 m. Hiervan laat zich slechts ca 700 m afhaspelen. Om de cocons te kunnen afhaspelen moet de zijdelijm in heet water (80-90 gr. C.) worden geweekt. De op het water drijvende cocons worden met draaiende borsteltjes bewerkt; deze nemen de buitenste, losse zijde (floszijde) van de cocons af, totdat de goede begindraad is gevonden en met het eigenlijke afhaspelen kan worden begonnen.

De cocons worden nu in water van 30 gr. C. gebracht, van waaruit gewoonlijk 5-20 cocons, afhankelijk van de gewenste draaddikte, te zamen worden afgehaspeld. De draden worden hierbij niet ineengedraaid, doch door tijdelijke omslingering om een andere groep cocondraden of om een katoenen draad tegen elkaar aangedrukt en gekleefd. De aldus gehaspelde ruwe zijde heet grège. Opdat de afzonderlijke cocondraden of filamenten later niet los t.o.v. elkaar komen te liggen, geeft men de draad vervolgens, enige ineendraaiing of twist. Deze bewerking heet fileren. Inslagzijde of trame krijgt gewoonlijk slechts weinig twist; kettingzijde of organsin wordt sterker gefileerd, bovendien worden hiervoor twee of drie van deze draden te zamen getwijnd of gemoulineerd. Voor crêpe-weefsels worden de garens zeer sterk ineengedraaid (2000-3000 ineendraaiingen per m). De dikte van de draad wordt aangeduid door het garennummer of de titer en uitgedrukt in deniers. De titer geeft aan het gewicht in deniers (1 denier = 0,05 g) van 450 m garenlengte of, wat hetzelfde is, het gewicht van 9000 m uitgedrukt in grammen.

Tot voor kort gold zijde als de fijnste textielgrondstof. De grote fijnheid gepaard gaande met een hoge sterkte en een edele glans zijn naast vele andere de meest waardevolle eigenschappen van zijde. Deze bijzondere eigenschappen worden thans door diverse synthetische producten, zoals, nylon, geëvenaard zo niet overtroffen.

De op de zijde aanwezige sericine maakt het materiaal hard en stijf en ongeschikt voor het verven. Men kookt de zijde daarom af in een zeepoplossing. Door een volledige afkoking van de sericine heeft een gewichtsverlies van ca 25 pct plaats. Men spreekt dan van „tout cuit”; gedeeltelijk afgekookte zijde noemt men „mi-cuit”. Ter compensatie van dit gewichtsverlies wordt de zijde wel verzwaard. Dit geschiedt meestal met tin- of andere metaalverbindingen. De zijde is à pari verzwaard als het oorspronkelijke gewicht weer wordt bereikt; dikwijls gaat men hiermede aanzienlijk hoger, soms tot 300 of 400 pct boven pari. Door de schadelijke inwerking van de verzwaringsmiddelen neemt de duurzaamheid van de zijde, zelfs zonder dat deze gebruikt wordt, af. Men spreekt dan van ,.verlegen” zijde.

Zijdespinnerij

De bij het afhaspelen verkregen afvallen en de niet afhaspelbare gedeelten der cocons zijn een te waardevol materiaal om niet verder benut te worden. De verwerking hiervan heeft plaats in de chappe- of floretspinnerij. De afvallen worden eerst afgekookt of gedesintegreerd en mechanisch gereinigd; vervolgens worden zij aan een soort kaardende en een kammende bewerking onderworpen. Men heeft hiervoor machines, van uiteenlopende constructie. Ten slotte heeft het eigenlijke spinnen plaats op voor- en fijnspinmachines. Hiervoor komen de vleugel- en de ringspinmachine, alsmede de selfactor in aanmerking. Na twijning vindt chappe-zijde behalve als weefgaren zeer veel toepassing als naaizijde. De fijnheid dezer garens wordt door het metrische garennummer (z garen) aangegeven.

Ook de in de chappe-spinnerij verkregen afvallen kunnen nog tot een garen worden gesponnen. Dit geschiedt in de bourretlespinnerij. Het ligt voor de hand, dat het hierbij verkregen product het bourrette-garen, minder fraai, grover en onregelmatiger is dan het chappe-garen.

H. G. SPIER

Lit.: R. O. Herzog, Technologie der Textilfasern VI. Bd. I Tl, Die Seidenspinner (Berlin 1938); Idem, Techn. d. Textilfasern. VI. Bd. 2 Tl, Technologie und Wirtschaft der Seide (Berlin 1929) J. Schober, Silk and the Silk Industry (London 1930); F. O. Howitt, Bibliography of the Technical Literature on Silk (London. 1946).