Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

WINTER

betekenis & definitie

is een der vierjaargetijden, dat aanvangt op de dag waarop de zon haar laagste middaghoogte bereikt en kortste dagboog beschrijft, en eindigt op de dag waarop dag- en nachtboog van de zon juist even lang zijn. Op het Noordelijk Halfrond begint de winter op 21 Dec.

Dit is de kortste dag; van die dag af gaan de dagen weer langer worden. De noordelijke winter eindigt op 21 Mrt. Op het Zuidelijk Halfrond vangt de winter aan op 21 Juni, dit is de kortste dag voor plaatsen op dat halfrond. De zuidelijke winter eindigt op 21 Sept. Voor de plaatsen in de tropengordel (tussen 23 ½° N.Br. en 23 34° Z.Br.) heeft de onderscheiding tussen winter en zomer geen zin.De lengte der dagen wisselt in de tropen nl. slechts zeer weinig in de loop van het jaar, aan de evenaar zelfs in het geheel niet. Bovendien valt daar de winter niet geheel samen met de periode waarin de dagen het kortst zijn. In het algemeen valt de winter op enige plaats op aarde samen met het koudste gedeelte van het jaar, zowel wegens de kortheid der dagen als wegens de kleine hoek waaronder de zonnestralen de aarde bereiken. Hoewel de gemiddelde sterkte der zonnestraling in de herfst even groot is als in de winter, is dit laatste jaargetijde toch door de laagste temperatuur gekenmerkt, daar de geringe zonnestraling in de winter dan reeds enige maanden geduurd heeft, terwijl de temperatuur der korte herfstdagen nog beïnvloed wordt door de daaraan voorafgaande warme zomerperiode. Op grote noordelijke en zuidelijke breedte is het verschil tussen winter en zomer het duidelijkst. In de poolwinter verschijnt de zon in het geheel niet boven de horizon (z aarde).

In de klimatologie rekent men de winter veelal van 1 Dec. t/m 28(29) Febr., op het Zuidelijk Halfrond precies een half jaar later. Het weerkundige karakter van de winter op een bepaalde plaats hangt, behalve van de geografische breedte, sterk af van de ligging van die plaats t.o.v. de zee, die een temperende invloed heeft op de temperatuur-uitersten: een maritiem klimaat geeft gemiddeld relatief zachte winters, een continentaal klimaat geeft strengere winters (z continentaal). Vandaar dat in West-Europa het karakter van een bepaalde winter vastgesteld wordt door de in die winter overheersende windrichting. Overheersen hier oostelijke winden, dan is de winter streng, zoals de zeer strenge winters van 1849/50, 1854/55, 1870/71, 1879/80, 1890/91, 1928/29, 1939/40, 1941 /42, 1946/47. In het algemeen overwegen hier echter de zuidwestelijke winden. Een belangrijke factor voor de Westeuropese winters is de Golfstroom; z ook Nederland, klimaat.