Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 06-08-2022

Veeteelt

betekenis & definitie

of landbouwhuisdierenteelt noemt men de kunstmatige, op bepaalde regels steunende fokkerij van dieren, die de gemeenschappelijke naam van vee dragen. De fokmethoden welke worden toegepast steunen op de basis welke door de Genetica is gegeven.

Elk der huisdieren vormt een afzonderlijke soort. Dieren behoren tot dezelfde soort, wanneer zij met elkander paren en vruchtbare jongen voortbrengen. Tussen enkele dieren van een verschillende soort, zoals paarden en ezels, is bevruchting mogelijk; de jonge dieren, bastaarden geheten, zijn echter in de regel onvruchtbaar, in elk geval de mannelijke. Een standvastige verscheidenheid der soort draagt de naam van ras. Men kan de verschillende rassen der huisdieren verdelen in twee grote groepen. Men vindt in sommige streken rassen (natuurrassen genaamd), die er sedert onheuglijke tijd schijnbaar in dezelfde toestand hebben verkeerd, zoals in Opper-Silezië en Litauen de kleine paarden, in Spanje de merino’s en in Galicië en Polen de hoogpotige varkens. Naast deze heeft men de cultuurrassen, die door de invloed van de mens tot een hogere trap van ontwikkeling zijn gebracht en in een of ander opzicht boven de natuurrassen uitmunten. Tussen de natuur- en cultuurrassen heeft men de tussenrassen. Ten slotte onderscheidt men bij de veeteelt de familie, nl. de gezamenlijke afstammelingen van hetzelfde vrouwelijke dier. De dieren van hetzelfde ras onderscheiden zich door bepaalde kenmerken. De beoordeling daarvan (uiterlijke raszuiverheid) en het op grond daarvan kiezen der fokdieren is te zamen met het uitzoeken op fokzuiverheid de taak van de veefokker. Het uiterlijk voorkomen (phenotype) alléén kan hem geen zekerheid verschaffen, omdat de zgn. „fokonzuiveren” (heterozygoten) voor wat de recessieve eigenschappen betreft niet als zodanig herkenbaar zijn. De zekerste weg is die der proefparing, waarbij gebruik wordt gemaakt van het feit, dat een dier, dat fokzuiver is, voor één of meer dominante eigenschappen, deze op al zijn nakomelingen moet overdragen. Een andere manier is het uit de fokkerij verwijderen van alle dieren, waarvan één der nakomelingen de recessieve vorm toonde en die dus fokonzuiver moeten zijn geweest. Wanneer deze methode niet kan worden toegepast, dan volgt men de derde weg, nl. het uit de fokkerij verwijderen van recessieve vormen. Bij alle drie selectie-methoden is verondersteld, dat de dominante eigenschap gunstig, de recessieve ongunstig is. Is het omgekeerde het geval, dan is de selectie zeer eenvoudig, omdat dieren, die een recessieve eigenschap vertonen, voor die eigenschap fokzuiver zijn en bij onderlinge paring derhalve dieren leveren, die deze gunstige recessieVe eigenschappen eveneens vertonen. Bovendien moet de fokker bij de selectie letten op aan het dier zelf waarneembare eigenschappen, bijv. secondaire geslachtskenmerken, homogene en harmonische bouw, constitutie, „adel”, temperament, vroegrijpheid, wijze en mate van voedselomzetting enz. Het beoordelen van mannelijke fokdieren (die veel meer invloed uitoefenen doordat het aantal nakomelingen zoveel groter is dan per vrouwelijk dier) kan alleen met vrucht geschieden door een nakomelingenonderzoek. Daarvoor moet niet een geselecteerd monster doch een willekeurig aangewezen aantal nakomelingen (liefst zovéél mogelijk) beoordeeld worden (progeny-test). De veefokker kan vaak een deel der benodigde gegevens, nl. ten aanzien van de families waaruit de dieren stammen (dus nopens ouders, voorouders, zijlijnen enz.), putten uit stamboeken, registers van fok- en control verenigingen e.d.Bij het gebruik van stambomen (beter gezegd kwartierstaten) zijn vooral belangrijk de verwanten van de voorouders (collateralen van de stamouders).

Het begrip „zuivere teelt” betekent in wetenschappelijke zin de teelt met individuen, die geheel en voor dezelfde eigenschappen fokzuiver zijn; dit komt echter in de veeteelt nooit voor, daarom verstaat men er practisch onder: de teelt met dieren, behorende tot hetzelfde slag of type. Kruising is paring van dieren, behorende tot verschillend ras, slag of type; zij wordt toegepast ter verkrijging van goede gebruiksdieren; ter omvorming van rassen; tot vorming van een nieuw ras; tot bloedinmenging of veredeling van een ras; ten slotte bestaat de wilde kruising. Familieteelt is paring van onderling verwante dieren (dus met één of meer gemeenschappelijke voorouders). Bij paring van ouders met kinderen of van broers met zusters spreekt men van nauwe inteelt of incest teelt; paring van ouders met kleinkinderen, ooms met nichten, tantes met neven of kleinkinderen onderling noemt men verwijderde inteelt; bij paring van nog minder verwante dieren spreekt men van verwantschapsteelt.



Onder correlatie wordt in de veeteelt verstaan het verband tussen de waarneembare, uitwendige eigenschappen en de niet-waarneembare productie-eigenschappen; zij vormt nog steeds de grondslag van de uitwendige beoordeling. Constantheid is de oude benaming voor fokzuiverheid. Atavisme of terugslag noemt men het verschijnsel, waarbij plotseling een eigenschap optreedt, die de individuen van een bepaald soort of ras vroeger, doch nu niet meer vertoonden; een verloren gegane eigenschap treedt dus weer op; zeldzaam is het phylogenetische atavisme (terugkeer van een sinds onheuglijke, bijv. praehistorische tijden verloren eigenschap); veel komt voor bastaard-atavisme (terugkeer van sinds korte tijdverloren eigenschap). Onder acclimatisatie verstaat men niet alleen de aanpassing der dieren aan het klimaat, doch ook aan veranderde voeding, verpleging, bodem.