Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 06-08-2022

Tuinbouw

betekenis & definitie

(1, Nederland) omvat de teelt van groenten, vroege aardappelen, fruit, bloemen, bloembollen, jonge bomen en jonge struiken, groente- en bloemzaden, tabak, kruiden en champignons, hetzij in de vollegrond, hetzij in bakken en kassen. De teelt van champignons vindt bovendien plaats in grotten, schuren en speciale champignonhuizen.

Het onderhoud van siertuinen bij niet-tuinbouwers behoort ook tot de tuinbouw.ONTWIKKELING

De tuinbouw wordt sedert de oudste tijden beoefend, vooral in Egypte en het oude Griekenland. Na de val van het Romeinse rijk werd dit bedrijf gedurende lange tijd verwaarloosd; het ontwikkelde zich eerst opnieuw, toen talrijke kloosters ontstonden, waar men zich op de bestudering van geneeskrachtige en andere nuttige gewassen toelegde.

Ook in Nederland is de tuinbouw zeer oud. Door de welvaart in de 17de eeuw ontstond de teelt van groenten en fruit voor afzet in de grote steden, terwijl ook de vraag naar sierplanten toenam. Bovendien had men toen reeds uitvoer van groenten naar Engeland en bloembollen naar verschillende landen in Europa.

Van nog meer betekenis voor de tuinbouw werd in de 19de eeuw de opkomst van de industrie in Duitsland, België en Engeland, waardoor daar de behoefte aan tuinbouwproducten groeide, zodat de export van tuinbouwproducten toenam. Er ontstond specialisatie in gewassen. Grote verandering onderging aan het einde van de 19de eeuw de afzet van tuinbouwproducten door het stichten van veilingen; zij verbeterden het bestaan van de eenvoudige tuinders sterk. Bovendien konden dezen zich nu meer aan het kweken van het product wijden. Export vond zonder belemmering plaats. De tuinbouw breidde zich dan ook regelmatig uit, vooral na Wereldoorlog I tot ca 1939. Als gevolg van de toenmalige wereldcrisis gingen verschillende landen over tot handelspolitieke en monetaire maatregelen, waardoor de exportmogelijkheden sterk afnamen en de tuinders in hun bestaan ernstig bedreigd werden. Door verplichte teeltbeperkingen, het instellen van minimumprijzen en het verlenen van steun werd de tuindersstand gehandhaafd. Gedurende Wereldoorlog II werd de teelt van groenten en fruit sterk uitgebreid.

Ofschoon na deze oorlog opnieuw handelspolitieke maatregelen de export sterk belemmerden kan de tuinbouw zich, nog steeds binnen het stelsel van teeltvergunningen, uitbreiden, mede onder invloed van de toenemende bevolking in eigen land.

Opvallend is het gebruik van glas bij de teelt van tuinbouwproducten. Met 3478 ha plat- en staandglas omvat Nederland ongeveer 23 pct van de totale wereldoppervlakte van tuinbouwproducten onder glas.

De tuinbouw heeft zich in Nederland zo kunnen ontwikkelen als gevolg van:

1. gunstig klimaat;
2. goede grond;
3. goede water- en spoorwegen;
4. voldoende water met op vele plaatsen een beheerste grondwaterstand;
5. toegewijde werkers;
6. goed onderwijs;
7. grote bevolkingscentra in de naaste omgeving;
8. grote handelsgeest en veel handelsrelaties.

BETEKENIS

Van de totale oppervlakte van 2 325 400 ha cultuurgrond in Nederland in 1951 wordt door het grasland 55 pct, door de akkerbouw 39 pct en door de tuinbouw bijna 6 pct (131 797 ha) ingenomen. Met deze nog geen 6 pct van de oppervlakte omvat de tuinbouw ca 13 pct van de agrarische productie tegenover het grasland en de akkerbouw met 94 pct oppervlakte slechts 87 pct. De productie in de tuinbouw in Nederland overtreft de binnenlandse behoefte sterk met uitzondering van kruiden en tabak. Het gevolg is dan ook, dat veel tuinbouwproducten uitgevoerd worden en wel in 1951 voor ƒ 481 millioen, d.i. ruim 20 pct van de totale agrarische uitvoer en 6,5 pct van de totale uitvoer in Nederland in dat jaar. De tuinbouw neemt in Nederland dan ook een belangrijke plaats in. Hij heeft internationaal een grote bekendheid, in het bijzonder de bloembollenteelt tussen Haarlem en Leiden en de bloementeelt in Aalsmeer en de groente- en fruitteelt onder glas in en om het Westland.

De export is voor verschillende takken aanmerkelijk hoger dan de productiewaarde, omdat in de exportwaarde de verwerking (groenten en fruit), de speciale behandeling (bloembollen), exportverpakking, alsmede de handelswinst begrepen zijn. Tegenover de export van ƒ481,5 millioen staat een import van ƒ 115,6 millioen. Hiervan komt het grootste gedeelte nl. ƒ 86 millioen op rekening van zuid- en nootvruchten.

VERSPREIDING

De tuinbouw is vnl. geconcentreerd in centra, voor welker ontwikkeling vooral de grondsoort en ook de afzetmogelijkheden een rol gespeeld hebben. De belangrijkste centra van groenteteelt liggen in de provincies Zuid- en Noord-Holland, waar ca 50 pct van de oppervlakte voorkomt. Verder is de groenteteelt van betekenis in Noord-Brabant (Bergen op Zoom, Breda), in Limburg (Venlo), Utrecht (Vleuten), Gelderland (Huissen) en Groningen (HoogezandSappemeer).

Belangrijke centra van fruitteelt zijn Zuid-Limburg, de Betuwe, Zeeland, Zuidhollandse eilanden, het Z.O. gedeelte van Utrecht, de Bangert en de IJselstreek, terwijl in Noord-Brabant fruitteelt meer verspreid voorkomt. De fruitteelt onder glas komt vnl. in het Westland voor.

De bloembollenteelt zetelt vnl. in de Bollenstreek tussen Leiden en Haarlem, maar ook in het Westland, Noord-Kennemerland, in de Anna Paulownapolder en in de Streek is de bollenteelt van betekenis.

Het bekende centrum voor bloementeelt is Aalsmeer, maar deze teelt is ook belangrijk in het Westland, in Berkel Rodenrijs, in Rijnsburg, de Venen en in Lent bij Nijmegen.

Voor de boomteelt is allereerst Boskoop en omgeving bekend, waarnaast nog verschillende kleinere centra zoals Naarden-Bussum, Oudenbosch, Zundert, Opheusden voorkomen.

Verder komt nog de boomteelt verspreid in het land voor.

Een bekend teeltcentrum van tuinzaden is West-Friesland. Verder worden tuinzaden geteeld in de Haarlemmermeer, in Zeeland, Noord-Brabant, Limburg en in Groningen, waarvan een belangrijk gedeelte in landbouwbedrijven.

De kruidenteelt is in opkomst. Zij vindt vooral plaats in Groningen en Gelderland en in geringe mate in andere provincies vooral op de kleine landbouwbedrijven. Ofschoon de teelt van tabak al oud is rond Amersfoort en Amerongen, is deze nog steeds niet belangrijk.

Samenvattend komt in het Westen van het land vooral groenteteelt, bloementeelt, bloembollenteelt, tuinzadenteelt, boomteelt en fruitteelt onder glas voor. In het Z. is vooral de teelt van pit- en steenvruchten en van klein fruit van betekenis en in mindere mate groenteteelt en boomteelt. In het oostelijk gedeelte van Midden-Nederland is vooral de fruitteelt belangrijk met nog wat groenteteelt, bloementeelt, boomteelt en kruidenteelt. In het N.O. is de tuinbouw van minder betekenis.

TUiNBOUWONDERWijs

Dit ressorteert in tegenstelling met het andere onderwijs onder het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. Er zijn verschillende vormen van tuinbouwonderwijs.



De algemene tuinbouwavondcursussen
duren 2 winterhalfjaren, waarop eenvoudig onderwijs in theoretische en practische vakken wordt gegeven.

De lagere tuinbouwscholen, waarop gedurende 4 jaar 1 à 2 dagen onderwijs per week wordt gegeven, omvat eveneens grondleggend onderwijs, dat uitgebreider wordt gegeven.

De 10 tuinbouwscholen (Aalsmeer, Boskoop, Breda, Didam, Hoorn, Lisse, Naaldwijk, Nijmegen, Rijswijk en Warmond) staan op een hoger plan. Behalve les in theoretische en practische vakken wordt ook les gegeven in economie en vreemde talen. De school te Rijswijk „Huis te Lande” is alleen voor meisjes.

Op de 2 middelbare tuinbouwscholen (Frederiksoord, Utrecht) wordt het tuinbouwonderwijs op nog breder basis gegeven. Als voortzetting van het hiervoor genoemde grondleggend onderwijs kunnen de speciale cursussen, de cursussen voor volwassenen en de tuinbouwvakscholen gerekend worden. Ten slotte is aan de Landbouw Hogeschool te Wageningen het diploma van landbouwkundig ingenieur richting Tuinbouw te behalen.



Tuinbouwonderwijzers
zijn onderwijzers, die in het bezit zijn van acte Tuinbouwkunde. Tuinbouwvakonderwijzers zijn vakmensen, die een opleidingscursus gevolgd hebben om les te mogen geven aan tuinbouwavondcursussen.

Om het beroep van zelfstandig tuinder te kunnen uitoefenen, moet men als zodanig erkend zijn. Hiervoor is het nodig dat één der vormen van grondleggend tuinbouwonderwijs met goed resultaat gevolgd is (diploma).

Het TUINBOUWKUNDIG ONDERZOEK is zeer uitgebreid. Het vindt plaats op instituten, op proeftuinen, laboratoria en andere instellingen.

Na Wereldoorlog II zijn opgericht het Instituut voor Bewaring en Verwerking van Tuinbouwproducten (I.B.V.T.), het Instituut voor de Veredeling van Tuinbouwgewassen (I.V.T.), het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (I.P.O.) en het Instituut van Tuinbouwtechniek (I.T.T.). Deze zijn gevestigd te Wageningen en hebben verschillende onderzoekers (vooral ingenieurs of biologen) in dienst.

Proeftuinen van landelijke betekenis zijn gevestigd te Naaldwijk (Proefstation voor de groente- en fruitteelt onder glas), te Amsterdam (Proeftuin „Hollandsch-Utrechtsch Veendistrict”, groenteteelt op de volle grond), te Wilhelminadorp in Zeeland (Zeelands Proeftuin voor Fruit), te Lisse (Proeftuin voor de Bloembollencultuur), te Boskoop (Proeftuin voor de Boomteelt), te Aalsmeer (Proefstation voor de Bloemisterij in Nederland) en te Wageningen (Proeftuin voor Tabak). Daarnaast zijn er nog verschillende proeftuinen van strekelijke of plaatselijke betekenis.

Verder wordt tuinbouwkundig onderzoek verricht door het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek te Lisse, Laboratorium voor Tuinbouwplanten teelt te Wageningen, Laboratorium voor Plantenphysiologisch Onderzoek te Wageningen, Laboratorium voor Algemene Plantkunde te Wageningen, Stichting voor Bodemkartering te Bennekom, Biologisch station te Wyster, Centraal Bemestingsproefveld voor de fruitteelt te Wageningen, Plantenziektenkundige Dienst te Wageningen, Nederlandse Uien-Federatie te Sommelsdijk, Peulvruchten Studiecombinatie te Wageningen en het Kon. Ned. Meteorologisch Instituut te De Bilt, terwijl economisch onderzoek t.b.v. de tuinbouw wordt verricht door het Landbouw-Economisch Instituut (L.E.I.) te Den Haag en het Centraal Bureau voor de Statistiek (C.B.S.) te Den Haag.

Ten slotte wordt onderzoek verricht door de Rijkstuinbouwconsulenten met hun medewerkers, door Directeuren en leraren van tuinbouwscholen en door de Directie van de Tuinbouw op tuinbouwtechnisch en tuinbouweconomisch gebied.

De Rijkstuinbouwvoorlichtingsdienst omvat 18 consulentschappen waarvan aan het hoofd een Rijkstuinbouwconsulent staat. De indeling van de consul en tschappen is gedeeltelijk gebaseerd op de provinciale grenzen en gedeeltelijk op de bestaande tuinbouwcentra. De voorlichting wordt gratis gegeven aan vakmensen en particulieren, hetzij schriftelijk of persoonlijk op de bedrijven, verder door lezingen en demonstraties, door artikelen en andere publicaties. Deze voorlichting omvat alle onderwerpen op tuinbouwkundig gebied. Voorts hebben de Rijkstuinbouwconsulenten toezicht op het lager tuinbouwonderwijs, terwijl zij daarnaast ook les geven op middelbare tuinbouwscholen en aan opleidingscursussen. Bovendien verricht de consulent in zijn ambtsgebied onderzoek of heeft er toezicht op. Ten slotte verleent hij medewerking aan verschillende teelt- en credietregelingen. Hij wordt in zijn werkzaamheden bijgestaan door ingenieurs, tuinbouwleraren, hoofdassistenten en assistenten.

Naast de consulenten met ambtsgebieden zijn 9 Rijkstuinbouwconsulenten met speciale taak werkzaam (veredeling van tuinbouwgewassen, bewaring van tuinbouwproducten, plantenziektenbestrijding, tuinbouwtechniek, bodemaangelegenheden, tabaksaangelegenheden, verwerking van tuinbouwproducten, bijzondere teelten). Zij hebben bijna allemaal in Wageningen hun bureau of instituut en werken t.b.v. het gehele land.

Een belangrijk hulpmiddel bij de Voorlichting is de Tuinbouwgids. Dit is een boekwerk dat jaarlijks vanwege de Directie van de Tuinbouw samengesteld en uitgegeven wordt en tal van technische, economische, statistische en organisatorische gegeven betreffende de tuinbouw bevat.

De afdeling Tuinbouw en Tuinbouwonderwijs behoort tot de Directie van de Landbouw, die weer onder het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening ressorteert. De leiding van deze afdeling berust bij de Directeur van de Tuinbouw die zijn zetel op het ministerie heeft. Deze afdeling omvat de gehele overheidszorg voor de tuinbouw. In zijn werkzaamheden op het ministerie wordt hij bijgestaan o.a. door een Inspecteur van het Tuinbouwonderwijs en een Inspecteur van het Tuinbouwkundig Onderzoek, terwijl in het land de Rijkstuinbouwconsulenten zijn naaste medewerkers zijn.

De vakmensen en de liefhebbers in de tuinbouw hebben verschillende verenigingen opgericht ter behartiging van technische, economische en geestelijke belangen. De Tuinbouwgids geeft hiervan een uitgebreide opsomming met de namen der zetels, de organen, de namen van de Bestuursleden alsmede andere bijzonderheden.

IR G. W. VAN DER HELM

Uitvoer-Controle-Bureau voor Tuinbouwproducten

(afgekort U.C.B.) werd opgericht in 1924; de naam is later veranderd in Uitvoer Contrôle-Bureau voor Groenten, Fruit en Aardappelen. Het is tot stand gekomen door samenwerking van het Centraal Bureau van Tuinbouwveilingen in Nederland, de Ned. Vereniging van Groentenexporteurs en de Rotterdamse Vereniging van Fruit- en Groentenexporteurs.

De controle, beter nog keuring, van de tuinbouwproducten die voor export bestemd waren, is dus op vrijwillige basis begonnen. Bij de Landbouwuitvoerwet 1929, later vervangen door de Landbouwuitvoerwet 1938, kon de keuring voor uitvoer verplicht worden gesteld. Na de gunstige resultaten met het speculatieve product uien werd de Landbouwuitvoerwet successievelijk van toepassing verklaard op andere belangrijke exportproducten totdat in 1946 alle consumptieve tuinbouwproducten aan de verplichte uitvoerkeuring onderworpen werden. De uitvoering van deze wettelijke keuring werd uiteraard aan het U.C.B. opgedragen. Als bewijs dat een zending van de veilingen voor uitvoer is goedgekeurd, wordt een certificaat (voor export) afgegeven.

Alleen erkende Veilingen (ca 160) en erkende exporteurs (ca 700) kunnen bij het U.C.B. aangesloten zijn.

Veilingen in de tuinbouw

Vroeger gingen de tuinders langs de huizen hun producten rechtstreeks aan de gebruikers verkopen. De verkoop vormde dan een belangrijk onderdeel van hun bedrijven, waar veel tijd aan heen ging. Later werd de verkoop meer geconcentreerd op algemene verkoopplaatsen (markten).

In grote steden ontwikkelde zich al vroeg de groentenhandel als aparte bedrijfstak. De groentenhandelaars kochten naast de consumenten de groenten van de tuinders op de markt. Deze handel vond uiteraard vroeg in de morgen plaats. De tuinders in verderaf gelegen centra zouden te veel tijd kwijt geweest zijn om ieder apart met producten naar de markt te gaan. Daarom zonden dezen hun producten meestal met de groentenschuit mee naar de stad, waar de verkoop plaats vond door commissionnairs. De afrekening was dikwijls verre van bevredigend voor de tuinders. Zij misten elke controle op de opbrengst. Daarom gingen zij er toe over om hun producten op de tuin te verkopen aan rondtrekkende handelaren, die ze dan weer aan de groentendetaillisten op de markt verkochten. Omdat de tuinders de markten niet bezochten en dus niet van de prijzen op de hoogte waren kregen zij vaak maar een lage prijs, terwijl hun producten op de markt een hoge prijs opbrachten. De afzet van de producten leverde dus vele moeilijkheden op en de tuinbouw geraakte op het eind van de 19de eeuw in nood. In 1887 ontstond de eerste veiling, doordat in Broek op Langendijk een tuinder zijn bloemkool bij opbod aan de zgn. groentenschippers verkocht, waardoor de tuinder de prijs kreeg, die zijn product op dat moment waard was. Deze wijze van verkoop vond daarna regelmatig plaats, ondanks tegenwerking van de handel en ook van een aantal tuinders. Ook in andere centra ging men tot dit systeem van verkoop over en al spoedig in samenwerking met elkaar, dus zó dat de gezamenlijke tuinders hun producten aan de onderling concurrerende kopers verkochten.

De eerste veilingvereniging voor groenten werd te Honselersdijk op 25 Apr. 1889 opgericht, waarna meer plaatsen volgden. De eerste fruitveiling ontstond te Eist in 1903. Successievelijk ontstonden op verschillende plaatsen in het land veilingverenigingen, zodat in Nederland nu 191 veilingen van tuinbouwproducten voorkomen. De meeste hiervan zijn specifieke groenten- of fruitveilingen, terwijl op sommige veilingen zowel groenten, fruit, vroege aardappelen, bloemen als bloembollen verkocht worden. Daarnaast heeft men 13 bloemenveilingen en 6 bloembollenveilingen.

Het doel van de veilingen is het behartigen van de belangen van haar leden door bevordering van de afzet van de door die leden geteelde producten.

Om die afzet te bevorderen houden de veilingen controle op de kwaliteit van de producten. Daarnaast hebben zij de zorg voor de verpakking overgenomen door het beschikbaar stellen van fust aan aanvoerders en kopers om het overpakken te voorkomen en eenheid in het fust te brengen. Bovendien kunnen op verschillende veilingen de producten, in het bijzonder appelen en peren, machinaal, dus uniform, worden gesorteerd en verpakt. Ten slotte beschikken tal van veilingen over vorstvrije bewaarplaatsen en koelhuizen, waar de producten, vooral appels, peren, pruimen en druiven, lange tijd bewaard kunnen blijven.

Voor het veilen zijn speciale gebouwen opgericht, welke vaak een grote oppervlakte beslaan. Zodra de teler zijn producten aanvoert, beoordeelt een keurmeester deze op kwaliteit, waarvoor zonodig aantekeningen op de bijbehorende veilingbrief worden gemaakt. In de veilingzaal bevindt zich aan de wand een electrisch afmijntoestel, d.i. een bord met een cirkel waarop cijfers staan, die de prijs aangeven. Binnen de cirkel bevindt zich wederom een aantal cijfers die electrisch verlicht kunnen worden en die in verbinding staan met de kopersbanken tegenover het bord. Tussen het bord en de kopersbanken komt de schuit of wagen met de producten of met een monster daarvan. De veilingmeester geeft de hoeveelheid en de kwaliteit van het product aan. De wijzer draait over het bord van een hoge naar een lage prijs. Zodra de wijzer de prijs nadert, die de koper wil besteden, drukt hij op een knop. De wijzer staat dan stil boven de prijs en het nummer van de koper wordt op het bord verlicht. De koper kan de producten eerst na betaling in ontvangst nemen, tenzij hij van tevoren voldoende zekerheid heeft gegeven. In zgn. neerzetveilingen staan in een grote hal de verschillende partijen met een nummer aangegeven. De koper kan ze van tevoren bekijken en aantekeningen maken. Bij het veilen wordt dan het product niet getoond, maar wordt het nummer van de partij afgelezen. Voor de vergoeding van de werkzaamheden betaalt de teler een zeker percentage nl. van 2-6 pct, afhangend van de totale onkosten van de veiling en soms ook van het product.

Om het doel van de veiling werkelijk goed te bereiken is het gewenst, dat alle producten via de veiling verkocht worden. Daarom hebben de meeste veilingen in hun statuten het verplicht veilen (statutaire veilplicht) voor hun leden opgenomen.

Daarnaast is in 1916 van Overheidswege algemene veilplicht (publiekrechtelijke veilplicht) opgelegd, die een snelle groei van de veilingen tot gevolg had. Hij is na Wereldoorlog I opgeheven en opnieuw ingevoerd in 1933 t.b.v. steunmaatregelen in verband met de toen heersende crisis. De meeste veilingen hebben de vorm van een coöperatieve vereniging of van een koninklijk goedgekeurde vereniging, welke in wezen weinig van elkaar verschillen. In beide vormen ligt het zwaartepunt van beslissingen bij de telers. Hiernaast staan de veilingen met de vorm van Naamloze Vennootschap en de particuliere veilingen. Bij deze veilingen staat het maken van winst op de voorgrond, waarmee het belang van de telers niet altijd gediend is.

CENTRAAL BUREAU VAN TUINBOUWVEILINGEN IN NEDERLAND

De veilingverenigingen zijn aanvankelijk gaan samen werken door aansluiting bij de Nederlandse Tuinbouwraad. In 1913 gingen deze veilingen over tot het vormen van de groep Veilingverenigingen in de Nederlandse Tuinbouwraad. Wereldoorlog I maakte een gecentraliseerde afzet van de consumptieve tuinbouwproducten noodzakelijk. Hiertoe werden eerst in 1916 Provinciale Commissies van Veilingen opgericht, waaruit in 1917 het zelfstandig Centraal Bureau van Tuinbouwveilingen in Nederland als overkoepelend orgaan van groente- en fruitveilingen met F. V. Valstar als voorzitter ontstond. Deze bleef voorzitter tot 1944 toen hij als slachtoffer van de vijandelijke terreur een gewelddadige dood stierf. Hij heeft zeer veel bijgedragen tot bevordering van de afzet van tuinbouwproducten, hetgeen het doel van dit Bureau is. Om beter aan dit doel te beantwoorden werden verschillende maatregelen genomen, zoals

1. controle op de kwaliteit van de uitgevoerde producten, waartoe het Uitvoer Controle Bureau te zamen met de georganiseerde handel werd opgericht;
2. bevordering van uniforme sortering en verpakking;
3. reclame in binnen- en buitenland d.m.v. tentoonstellingen, advertenties, affiches en radiopraatjes;
4. het instellen van een afzetfonds;
5. het geven van adviezen bij handelsbesprekingen in het buitenland;
6. het instellen van minimumprijzen en minimumprijzenfondsen om prijsdaling ver beneden de kostprijs te voorkomen;
7. het oprichten van een Centrale Groenten- en Vruchtendrogerij;
8. financiële deelneming en daardoor medezeggenschap in de diepvries industrie;
9. het uitgeven van een weekblad „Groenten en Fruit” om de tuinders voor te lichten en
10. het instellen van een accountantsdienst voor controle van de veilingadministraties.

Ofschoon tussen de verschillende jaren grote schommelingen kunnen voorkomen is een stijgende lijn duidelijk zichtbaar. Overigens is deze verhoging ook een gevolg van de waardedaling van het geld. Een tiental particuliere veilingen zijn niet aangesloten.

Ook in de sierteelt heeft het veilingsysteem vaste voet gekregen. Aanvankelijk werden bloemen op de bestaande groente- en fruitveilingen verkocht. Zo werd in 1901 de eerste Bloemen-, Groente- en Fruitveiling te Amsterdam opgericht. In 1912 ontstonden te Aalsmeer ongeveer tegelijkertijd twee specifieke bloemenveilingen, welke nog gevolgd zijn door 11 veilingen in andere bloementeeltcentra. Ook de omzetten hierop zijn toegenomen.

Omdat voor de bloemen geen publiekrechtelijke veilplicht bestaat, wordt er nog veel buiten de veiling verkocht. Volgens de deskundige schatting was dat in 1950 voor een bedrag van ca ƒ 28 000 000.

De bloemenveilingen hebben zich verenigd in de ,.Kring Veilingen” als onderdeel van de landelijke Bloemistenorganisatie (Groep Bloemisterij) uit de Nederlandse Tuinbouwraad.

In de bloembollenteelt heeft men droge en groene veilingen. Op de 7 droge veilingen worden de geoogste bollen verkocht. De groene veilingen vinden plaats op het veld voor het rooien van de bollen. Bovendien worden veel bloembollen via de Bloembollenbeurs in Haarlem en ook rechtstreeks d.m.v. reizigers in het buitenland verkocht.

In de boomkwekerij vindt het veilingsysteem niet plaats. De verkoop geschiedt gewoonlijk rechtstreeks aan grote kwekershandelaars en ook via reizigers in het binnen- en buitenland.

Het veilen van tuinbouwproducten is speciaal in Nederland tot grote ontwikkeling gekomen. In navolging hiervan zijn de laatste jaren ook veilingen naar Nederlands voorbeeld gesticht in België, Duitsland, Oostenrijk en Engeland.

IR G. W. VAN DER HELM

Lit.: R. M. van Reenen, De afzetorganisatie van de Ned. tuinbouw. Uitg. Centr. Bur. v. Tuinbouwveilingen in Ned.; Het weekblad voor Groenten en Fruit, Uitg. Centr. Bur. v. Tuinbouwveilingen in Ned.

(2, België)

BETEKENIS

De jaarlijkse productiewaarde bedroeg in 1952 rond de 7 milliard frank. De tuinbouw omvat de hierondervermelde sectoren.

De productiewaarde van de landbouw bedroeg in 1952 omtrent 44 800 000 000 fr. De productiewaarde van de tuinbouw bedroeg in 1952 aldus 15 pct van de productiewaarde van de landbouw.

Inzake beteelde oppervlakte heeft men 85 000 ha tuinbouwteelten tegenover 1 780 000 ha landbouw. In dit opzicht vertegenwoordigt de tuinbouw nagenoeg 5 pct van de landbouw.

in frs

Groententeelt 4000000000

Fruitteelt 2 000 000 000

Bloementeelt:

Snijbloemen 200 000 000

Sierplanten 350 000 000

Knollen en bollen 100 000 000

Boomkwekerijgewassen 125000000

Tuinbouwzaden 25 000 000

Totaal 6 800 000 000

België heeft 7 à 800 ha tuinbouwteelten onder glas of ca 1 pct van de totale tuinbouwoppervlakte. Er zijn nagenoeg 95 000 bedrijven waarop tuinbouwteelten worden verbouwd bestemd voor de handel.

VOORNAAMSTE TEELTCENTRA EN BELANGRIJKSTE GEWASSEN

Men heeft in België verschillende tuinbouwgewassen die een wereldfaam hebben verworven. Het zijn hoofdzakelijk de serredruiven, de Gentse sierplanten en het witloof. De serredruiven worden geteeld in een 30 000 tal serren in de provincie Brabant in de gemeenten Hoeilaart, Overijse en omliggende. De Belgische druif is een prachtige vrucht en ze wordt om haar buitengewone kwaliteit naar talrijke landen uitgevoerd.

De Gentse sierplantenteelt wordt hoofdzakelijk in de omgeving van Gent en Brugge gedreven. Het zijn vooral de prachtige azalea’s, de palmen, de begonia’s en de gloxinia’s die een wereldfaam hebben verworven door hun hoge kwaliteit. Ze worden uitgevoerd naar een dertigtal landen.

Ook het witloof is een uitgesproken Belgische teelt. De kwaliteit en de standaardisatie zijn sterk opgevoerd, het is ook een belangrijk exportproduct. De jaarlijkse productie bedraagt nagenoeg 70 000 ton en de teelt is gelocaliseerd in de streek gelegen tussen Brussel, Leuven en Mechelen. Frankrijk is het voornaamste afzetgebied. Als andere zeer belangrijke tuinbouwteelten dienen nog vermeld te worden: de kersenteelt in de omgeving van St Truiden; de aardbeien in het Pajottenland (Brabant), in het land van Waas, in de Maasvallei (Wépion, Thiange) en in Hoogstraten (Noord-Antwerpen). De forcerie van aardbeien geschiedt hoofdzakelijk in de omgeving van Duffel ; de perzikteelt geschiedt onder glas in een 1000-tal serren in de druiventeeltstreek en in open lucht hoofdzakelijk in ’t Hageland; de appel-, peren- en pruimenteelt die nagenoeg over het ganse land zijn verspreid; de bloemkolenteelt en de slateelt die in grote mate in de omgeving van Mechelen en Leuven plaatsvinden; de aspergeteelt in de omgeving van Mechelen; de ajuinteelt die vnl. voorkomt in Oost-Vlaanderen in de streek van Dendermonde; de tomatenteelt waarvan de forcerie meestal plaatsvindt in de druiventeeltstreek en de teelt onder glas en de teelt in open lucht vooral in de omgeving van Mechelen voorkomen; allerlei andere fruitsoorten en groenten worden nagenoeg over het gehele land, meestal in de omgeving der grote steden, verbouwd; de snijbloementeelt die hoofdzakelijk in de buurt van Brussel (omgeving van Aalst) wordt bedreven; de boomkwekerijgewassen waarvoor Wetteren en Schelleballe (Oost-Vlaanderen) de voornaamste centra zijn.

De STANDAARDISATIE DER TUINBOUWPRODUCTEN

Na Wereldoorlog II is men aan de standaardisatie der tuinbouwproducten meer en meer belang gaan hechten. Men heeft talrijke ministeriële besluiten uitgevaardigd waarbij practisch alle belangrijke tuinbouwproducten aan een controle op kwaliteit en verpakking zijn onderworpen wanneer zij naar het buitenland worden verstuurd. De controle op de voorgeschreven kwaliteits- en verpakkingsvoorschriften wordt uitgevoerd door een parastatale inrichting, nl. door de Nationale Dienst voor afzet van land- en tuinbouwproducten, die daartoe een controle-inrichting bij de douane-uitvoerposten heeft ingericht. Ook de standaardisatie voor de producten bestemd voor het binnenland wordt meer en meer doorgevoerd.

DISTRIBUTIE DER TUINBOUWPRODUCTEN

Men heeft talrijke distributievormen. De meest voorkomende manieren om de producten van de producent bij de verbruiker te brengen zijn de volgende:

a. verkoop door de producent op de groothandelsmarkten; de grossist koopt van de producent, de producten worden op hun beurt door de groothandelaar verkocht aan de kleinhandelaar die ze aan de verbruiker bezorgt.



b.
Verkoop door de producent aan de kleinhandelaar op openbare markten; deze verkoopmethode wordt doorgaans toegepast door kleine bedrijven die zich in de naaste omgeving der grote steden bevinden.



c.
Verkoop door de producent op het bedrijf aan de groothandel en in sommige gevallen aan de kleinhandel.



d.
Verkoop door de producent op de veilingen. Deze manier van verkopen neemt meer en meer toe en er zijn in de laatste jaren belangrijke tuinbouwveilingen tot stand gekomen waaronder hoofdzakelijk dienen vermeld die van St Truiden voor het fruit en die te St Kathelijne-Waver (Mechelen) voor de groenten.

Het veilingwezen biedt talrijke voordelen en van officiële zijde wordt deze verkoopmethode aangemoedigd en gesteund.

TUINBOUWCONSULENTEN; TUINBOUWONDERWIJS ; WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

In iedere provincie is een rijkstuinbouwconsulent werkzaam. Hij geeft raad aan de tuinbouwers inzake technische cultuuraangelegenheden. Inzake onderwijs heeft men talrijke scholen waar lager middelbaar en hoger middelbaar tuinbouwonderwijs wordt gegeven. Het middelbaar onderwijs omvat zes jaar studie en de leerlingen worden vanaf hun 12de jaar tot het onderwijs toegelaten. Het tuinbouwonderwijs buiten en na de school en de avondcursussen zijn hoofdzakelijk bestemd voor beroepstuiniers die na hun bezigheden op het bedrijf gelegenheid krijgen hun kennis te verhogen. Het tuinbouwonderwijs wordt ook gegeven aan de universiteiten die het diploma van tuinbouwingenieur afgeven. Wat het wetenschappelijk onderzoek betreft zijn er talrijke instituten en proefstations werkzaam waar wetenschappelijk werk wordt verricht en proefnemingen worden doorgevoerd.

IR j. KELL.