Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 06-08-2022

Textiel

betekenis & definitie

van het Latijn texere = weven, omvat alles wat het weven betreft, zowel het maken der diverse producten, als het spinnen der draden waaruit de weefsels gemaakt worden. Tot de textiel behoren dus: spinnen (z spinnerij), weven (z weverij), appreteren, textielafwerking (zie hierna), textieldrukkerij (zie hierna) en textielververij (zie hierna).

Textielafwerking

ook appretur of finish genoemd, omvat alle nabewerkingen, waaraan het ruwe textielproduct (gewoonlijk na het weven) moet worden onderworpen, ten einde het eindproduct een bepaald karakter resp. bepaalde eigenschappen te geven.

Nadat ze van het weefgetouw komen, zijn de meeste weefsels, wat het uiterlijk en de eigenschappen betreft, nog niet geschikt om zonder meer aan de verbruiker te worden afgeleverd. Zij moeten één of meer nabewerkingen ondergaan, die in het algemeen een veredeling van het product beogen of er althans, wat het uiterlijk aanvoelen of andere eigenschappen betreft, een bepaald karakter aan verlenen. De toe te passen nabewerkingen worden uiteraard bepaald door het gewenste effect. Bovendien worden voor de diverse in de textielindustrie gebruikte grondstoffen niet altijd dezelfde appretuurbewerkingen toegepast en onderscheidt men zelfs een specifieke wolappretuur en een specifieke katoenfinish.



A. De voornaamste appretuurbewerkingen voor weefsels, bestaande uit katoen of andere plantaardige vezels zijn de volgende:
1. Wassen en ontsterken, voor verwijdering van olievlekken en andere verontreinigingen, alsmede van kettingsterksel. Deze bewerking geschiedt op de strengwasmachine of op de breedwasmachine.
2. Koken of kierkoken,
een bewerking waarbij de zich op de katoenvezel bevindende natuurlijke waslaag (cuticula) door koken onder druk met verdunde natronloog wordt verwijderd.
3. Na deze bewerking volgt gewoonlijk het bleken.



4. Noppen of poetsen. Hierbij worden de zich aan de oppervlakte van het weefsel bevindende draadeinden, knopen e.d. door middel van roterende amarilwalsen afgeschuurd.
5. Zengen wordt voor de meeste kaal te appreteren weefsels toegepast. Door middel van gasbranders (gaszengmachine) of een electrisch verhitte plaat (plaatzengmachine) worden de uitstekende vezeltjes afgeschroeid.
6. Scheren kan dienen om een kaal weefseloppervlak te verkrijgen, doch vindt ook plaats bij poolweefsels en geruwde weefsels om een regelmatig vezeldek van bepaalde hoogte te verkrijgen. Het scheren heeft plaats op een scheermachine, waarbij de stof over de scheertafel geleid wordt langs de snel roterende scheercylinder en een nauwkeurig daarop afgesteld ondermes. Men onderscheidt de langscheermachine, waarbij de stof in de kettingrichting wordt geschoren en de dwars- of transversaal scheermachine, waarbij in de inslagrichting wordt geschoren.
7. Ruwen van katoenen weefsels heeft gewoonlijk plaats op de gamituurruwmachine. Het weefseloppervlak wordt hierbij bewerkt door middel van roterende met fijne naaldjes (metaalkaarden) beklede walsen, waardoor een één- of een tweezijdig haardek wordt verkregen (flanel).
8. Kalanderen. Hierbij wordt het weefsel in vochtige toestand tussen twee of meer walsen geleid. Gewoonlijk bestaat de kalander uit verwarmde stalen en harde papieren walsen. Door de hoge druk tussen de walsen verkrijgt het weefsel een zekere glans en gladheid, het aanvoelen (de greep) wordt verbeterd; het weefsel wordt meer gesloten. Bovendien kunnen door kalanderen speciale effecten worden bereikt.

Men onderscheidt de volgende kalanders:

a. Rolkalander of perskalander. De walsen hiervan draaien met gelijke snelheid.

b. Frictiekalander of glanskalander. Hier hebben de stalen walsen een grotere omtreksnelheid dan de andere, waardoor een hogere glans ontstaat dan bij de rolkalander.

c. Schreinerkalander. Op de stalen wals zijn zeer fijne groefjes gegraveerd (8-20 per mm); deze worden in het weefsel geperst en verlenen het ten gevolge van de hierdoor ontstane lichtreflectie een fraaie zijdeglans. Deze bewerking heet schreineren.

d. Chasingkalander.
Hierbij worden enige stoflagen tegelijk tussen de walsen geleid, waardoor een edele glans wordt verkregen.

e. Gaufreerkalander; bezit een stalen wals met een gegraveerd patroon .hetwelk in de stof geperst wordt bijv. velours gaufré.

f. Moirékalander
voor de vervaardiging van moiré .

g. Water kalander. Deze dient om de overtollige vloeistof uit gebleekte, gewassen en geverfde weefsels te persen. Dikwijls is de waterkalander voorzien van een papbak, waardoor de stof tevens gepapt of geappreteerd wordt (z appreteren). Hierna volgt gewoonlijk het drogen op een cylinderdroogmachine.

9. Beetlen. De op een rol gewikkelde stof wordt bewerkt met een groot aantal naast elkaar geplaatste, zware houten stampers en verkrijgt daardoor een fraaie glans en een zacht en soepel aanvoelen.
10. Mangelen. Evenals bij het beetlen wordt de stof hierbij glad op een rol gewikkeld. De rol wordt onder hoge druk tussen twee gladde metalen walsen geperst of tussen twee vlakke platen (kastenmangel). Het hierbij verkregen effect komt vrijwel overeen met dat van de beetle-machine.



11. Sanforiseren is een bewerking die dient om katoenen en rayon weefsels krimpvrij te maken. De bewerking komt in hoofdzaak neer op het volgende.

Nadat het weefsel door bevochtiging in ongespannen toestand is voorgekrompen, wordt het tezamen met een dik eindloos vilt geleid over de krimpwals, welke een betrekkelijk kleine diameter heeft. Het weefsel wordt hierbij door een electrisch verwarmde metalen schoen tegen het vilt gedrukt. Vervolgens wordt het weefsel met het vilt overgenomen door de viltkalander, welke in vergelijking tot de krimpwals een zeer grote omtrek heeft. Door de buiging van het dikke vilt in de tegenovergestelde richting wordt het weefsel op dit moment in de lengterichting als het ware ineengestuikt en verkrijgt het een dusdanige dichtheid, dat een verder ineenkrimpen practisch uitgesloten is.

12. Drogen. Na een natte behandeling moet het materiaal in het algemeen gedroogd worden, hetgeen tevens op doeltreffende wijze dient te geschieden. Men beschikt hiertoe in de textielindustrie over verschillende droogmachines:

a. Hangdroogmachine. Deze bestaat uit een grote verwarmde ruimte, welke het in lange plooien neerhangende weefsel langzaam passeert. Deze wijze van drogen wordt speciaal voor fijne stoffen toegepast,

b. Cylinderdroogmachine. Hierbij loopt de stof over een aantal draaiende, door stoom verwarmde trommels. Vooral voor katoenen en in het algemeen voor zwaardere weefsels wordt deze methode gevolgd.

c. Spanraamdroogmachine. Zowel wollen als fijne katoenen, zijden en rayonweefsels worden hierbij, na op breedte te zijn gespannen in deze toestand door een droogkast gevoerd.

d. Viltkalander. De stof loopt hierbij over een grote verwarmde trommel; door middel van een meelopend eindloos vilt wordt de stof tegen de trommel gedrukt. Fijne wollen weefsels, alsmede rayon en zijden stoffen worden op deze wijze gedroogd.

13. Voor verdere bewerkingen die eveneens tot de textielafwerking behoren, zoals appreteren, impregneren, merceriseren en textielververij en -drukkerij, wordt naar elders verwezen.
B. De voornaamste appretuurbewerkingen voor wollen en halfwollen weefsels zijn de volgende:
1. Noppen en stoppen, geschiedt met de hand; oneffenheden zoals knopen, ingeweven vreemde bestanddelen en losse draadeinden worden verwijderd, fouten verbeterd.
2. Wassen is noodzakelijk voor het verwijderen van de smoutolie, die voor het spinnen in de wol is gebracht. Gewassen wordt op de strengwasmachine (pleskom), waarbij het doek in strengvorm over haspels door het bad loopt, of op de breedwasmachine, waarbij het doek in vlakke toestand diverse baden passeert. Bij de strengwasmachine heeft men kans op vervilting van de stof, bij de breedwasmachine is de reiniging minder intensief. Voor het wassen gebruikt men vaak zeep, soda of ammonia ter verzeping van de oleïne of andere hulpmiddelen. De temperatuur is hierbij 35-40 gr. G.
3. Carboniseren is een bewerking die noodzakelijk kan zijn, indien de wol veel plantaardige verontreinigingen (klitten) bevat.
4. Vollen. Hierbij wordt het weefsel in strengvorm onder toevoeging van een zeep- of soda-oplossing en eventueel volaarde aan intensieve wrijving en druk blootgesteld, waardoor het weefsel krimpt en tevens een vervilting ondergaat. Het weefsel verkrijgt hierdoor een enigszins viltachtig ui terlijk. Het vollen geschiedt in de cylindervolkom of in de hamervolkom, de laatste vindt vooral toepassing voor losse stoffen, tricotages en ongeweven vilt.
5. Branden of koken

Het doel van deze bewerking is de stof te fixeren om vervilten en krimpen bij de volgende bewerkingen tegen te gaan. Plooien worden verwijderd, het aanvoelen van de stof verbetert. De behandeling geschiedt op de brandbok. De stof wordt hierbij op een onderwals gewikkeld en onder druk van de bovenwals in warm of kokend water behandeld.

6. Ruwen

Voor het ruwen van wollen stoffen wordt in het algemeen gebruik gemaakt van ruwmachines die zijn uitgerust met natuurkaarden (kaardedistels, kaardebollen) als ruwmiddel, terwijl in de katoenindustrie de gamituurruwmachine met metaalkaarden meer toepassing vindt. Het ruwen kan één- of tweezijdig geschieden. Men onderscheidt ruwmachines met vaststaande en met roterende kaardebollen. Met de eerste verkrijgt men een gestreken haardek, zoals bij laken, met de laatste een meer ruig en verward haardek, zoals gewoonlijk bij dekens het geval is.

7. Kloppen

geschiedt op de klopmachine om het geruwde haardek voor het ratineren meer omhoog te richten. De stof wordt hierbij intensief bewerkt door een aantal beurtelings slaande klopstaven.

8. Ratineren of friseren

Na het ruwen kan men het verkregen haardek nog een speciaal effect geven op de ratineermachine. Het haardek wordt hierbij blootgesteld aan de wrijving van een ruwoppervlak. Afhankelijk van de aard van de beweging hiervan worden meer of minder grote nopjes (perlé en ratiné) verkregen of een gegolfd oppervlak (welliné of ondulé, lengtefrisé en diagonaalfrisé).



9. Scheren

geschiedt op overeenkomstige wijze als bij katoen.

10. Zengen

wordt soms voor kaal te appreteren stoffen, bijv. bij gabardine weleens toegepast, doch in het algemeen vindt het in de wolindustrie minder toepassing dan in de katoenindustrie.

11. Persen

dient om de stof een zekere glans en een beter aanvoelen te geven. Men gebruikt hiervoor de cylinderpers of de spaanpers. De bewerking op de cylinderpers is een continu-proces. De stofloopt hierbij tussen een gebogen, glad metalen oppervlak en een draaiende, daarin passende, verwarmde metalen wals. Bij de spaanpers wordt de stof in getafelde toestand met een stevige gladde kartonnen plaat (persspaan) tussen de stoflagen in een hydraulische pers geperst. In deze toestand laat men de stof onder een druk van 100-400 at gedurende 6-24 uren staan. Hierna wordt de stof voor het omleggen van de vouwen over-getafeld om vervolgens nogmaals geperst te worden. Bij de moderne spaanpersen kunnen de persspanen electrisch verwarmd worden, waardoor het effect nog wordt verhoogd.

12. Decatiseren

Door het decatiseren verkrijgt de stof een waterbestendige glans en wordt het bij de voorafgaande appretuurbewerkingen verkregen effect gefixeerd. Ook het aanvoelen van de stof ondergaat een verbetering, terwijl tevens een zekere mate van krimpvrijheid wordt bereikt.

Men onderscheidt droog en nat decatiseren; het eerste geschiedt door stoom, het tweede door kokend water door de diverse stoflagen te persen. Tijdens de bewerking bevindt de stof zich in strak gewikkelde toestand op een geperforeerde trommel (pot-, keteldecatiseren) of in vlakke getafelde toestand onder druk op een geperforeerde plaat (tafeldecatiseren).



13. Krimpvrij maken

Wollen stoffen worden krimpvrij gemaakt op de krimpmachine. Zij worden hierbij door middel van stoom of water bevochtigd, waarna ze in ongespannen toestand worden gedroogd (London shrunk).



Wollen goederen die veelvuldig moeten worden gewassen, zoals breigoederen, worden dikwijls krimpvrij gemaakt door een chloorbehandeling. Deze behandeling geschiedt meestal in het garen.

14. Bleken

Het bleken van wol kan geschieden met diverse oxydatiemiddelen, zoals waterstofperoxyde, natriumperoxyde of kaliumpermanganaat of door reductie. Deze laatste methode wordt dikwijls voor dekens toegepast. De vochtige stof bevindt zich hierbij in gesloten ruimten waarin zwavel wordt verbrand (zwavelen).



15. Motvrij maken

Om wol te beschermen tegen mottenvraat kan het nuttig zijn de stof te behandelen met een der daartoe beschikbare preparaten (z eulaniseren).

C. Een typische appretuurbewerking voor natuurzijde is het verzwaren.



D. Garens behoeven voor bepaalde toepassingen soms ook een speciale nabewerking.

Katoenen garens, waaraan hoge eisen t.a.v. de gladheid worden gesteld, worden gezengd, terwijl de glans bijv. voor handwerkgarens nog kan worden verhoogd door merceriseren . Naaigarens (katoen en linnen) worden gewoonlijk geappreteerd met aardappelmeel, dextrine of andere middelen en vervolgens gelustreerd of gepolijst.

Het lustreren geschiedt op de lustreermachine. Het garen bevindt zich hierbij in strengvorm in gestrekte toestand op een paar rollen, waarover het zich langzaam voortbeweegt en wordt daarbij door een sneldraaiende borstelwals bewerkt. De borstelwals is behalve van borstels van verschillende hardheid voorzien van gladde latten. De borstels strijken bovendien over paraffine, waardoor een glad en glanzend garen wordt verkregen. Bij het polijsten wordt hetzelfde effect beoogd en komt de aard der bewerkingen ook op hetzelfde neer. Op de polijstmachine loopt een groot aantal garens naast elkander van afzonderlijke klossen af, door een papbak, waarna zij gezamenlijk op de polijsttrommels (doorgaans 3) worden geborsteld. Evenals bij de lustreermachine zijn deze trommels voorzien van verschillende borstels en gladde latten.

H. G. SPIER

Lit.: P. Heermann, Enzyklopädie der Textilchemischen Technologie (Berlin 1930); H. Glafey, Textillexikon (Berlin 1937); E. Dijkmeyer, Textiel dl III (Amsterdam 1944); W. H. de Sonnaville en K. J. Dijkshoorn, Universele Textielkunde (Deventer 1948).

Textieldrukkerij

is het bedrukken van weefsels met ornamenten in kleuren. Gedrukt wordt op wol, zijde, en vooral op katoen en rayon. De kleurstoffen worden meestal in waterige oplossing gebruikt en zo nodig met beits op de vezel gefixeerd. Soms worden onoplosbare kleurstoffen met behulp van kleefstoffen gefixeerd. Opdat de kleurstoffen in het weefsel niet uitlopen, worden ze verdikt met stijfsel, tragacanth, gom, eiwit, e.d. Het drukken kan met de hand geschieden met behulp van hoogdruk, door het ornament in een houtblok te snijden, zodat het ornament hoog komt te liggen. Dit is de methode dus, die de Chinezen en Japanners reeds lang gebruikten voor het drukken van hun houtsneden op papier. Later werden dergelijke houtblokken ook machinaal gedrukt. Het principe van de vlakdruk wordt in de textieldrukkerij niet toegepast, wel echter dat van de diepdruk, dat in wezen op dezelfde wijze als in de grafische techniek wordt toegepast, dus met behulp van gegraveerde koperen walsen. Met een aantal dergelijke walsen kunnen verscheidene kleuren over elkaar gedrukt worden, terwijl de duplexmachines een baan stof aan beide zijden bedrukken.

De voornaamste drukmethoden zijn:

1. Directe drukmethode, dat is een gewone verfmethode. Men bedrukt de stof met beits en fixeert deze. De stof kan nu gewoon met bijv. alizarine geverfd worden. Deze verf hecht zich dan alleen op de plaatsen die gebeitst zijn. Daarna wordt gewassen, waardoor de verf van de ongewassen plekken verdwijnt.
2. Directe drukmethode met stoomfixering. Beits in acetaatvorm wordt tezamen met de kleurstof in de drukverf verwerkt en dus ook tegelijk op de stof gedrukt. Daarop volgt een behandeling met stoom die de kleur fixeert. Deze veel toegepaste methode maakt het mogelijk veel kleurstoffen eventueel ook tegelijkertijd toe te passen, is gemakkelijk uit te voeren en geeft voortreffelijke resultaten.
3. Indirecte druk met reserveren. Wil men kleine witte, figuren op een gekleurde grond maken, dan drukt men deze figuren met stoffen, die de verf niet doorlaten (reservering) en verft daarna het geheel bijv. blauw. Na verwijdering der niet doorlatende stoffen komen de witte figuren op blauwe grond te staan. Het principe dezer methode was reeds aan de oude Indiërs bekend en wordt op Java nog toegepast bij het batikken. Voor mechanisch werkende reserven gebruikt men vette klei met was, terpentijnolie en hars. Ook chemische reservering wordt toegepast. Voor alizarine kan men bijv. citroenzuur gebruiken, dat met Al203, Cr203 en Fe203 oplosbare zouten geeft, die bij de stoombehandeling oplosbaar blijven en dus het fixeren van het beits en het vastleggen van de kleurstof verhinderen. Men drenkt dan dus het weefsel in beits, drukt de figuren die wit moeten blijven (reservering) met citroenzuur, fixeert en verft. Bij het daaropvolgende wassen verdwijnen de kleurstof en de reservering. Men kan ook eerst de reservering drukken met citroenzuur, daarna drenken in een mengsel van kleurstof en beits, vervolgens stomen.
4. Etsmethode. Hierbij wordt het weefsel in zijn geheel geverfd, waarna men op de gewenste plaatsen door het opdrukken van zgn. etsbeits de verf vernietigt en het wit van het weefsel blootlegt.

Bijv. bedrukt men een met geschikte en wasechte kleurstoffen geverfd weefsel met „hydrosulfiet’ (waso 224) of rongalit houdende pasta. Bij het stomen wordt de kleurstof ter plaatse van de drukfiguren wit gereduceerd. Mengt men in de etspasta alkaliën en een kuipkleurstof dan verkrijgt men de wit-gereduceerde figuren tegelijk geverfd met de leucoverbinding der kuipkleurstof. Bij navolgende oxydatie ontstaat de voor modestoffen zeer gewilde „bontets”. Bij de reservedruk vervalt het stomen, op enige uitzonderingen na. Het wordt tegenwoordig weinig meer toegepast. Men gebruikt het nog voor bepaalde kuipkleurstoffen, die niet geëtst kunnen worden.

5. Pigmentdruk is een methode waarbij onoplosbare stoffen op het weefsel worden vastgekleefd en wel zo, dat ze nog weerstand aan het wassen bieden. Vroeger werd als bindmiddel lijnolie gebruikt, die door haar onaangename geur in onbruik is geraakt. In de 19de eeuw gebruikte men albumine die uit bloed der slachthuizen werd verkregen. Voor het fixeren van metaalpoeders werd caseïne gebruikt en weer later werd voor dit doel een mengsel van formaldehyde en phenol gebruikt, waarmee het gebruik van kunsthars, die thans zo belangrijk is geworden, zijn intrede deed. De pigmentdruk heeft zich in de laatste jaren enorm ontwikkeld, waartoe Amerika de stoot gaf, toen halfcondensaten van kunsthars voor het vasthechten van pigmenten op weefsels in toepassing kwamen. Bij deze zgn. „Ari-Dyes” werden de pigmenten met het halfcondensaat opgedrukt, waarna de volledige condensatie tot kunsthars door verhitten op 100 gr. G. plaatsgrijpt. Het succes der „Ari-Dyes” wekte op tot navolging in Europa. De „Orema”kleurstoffen van de Giba zijn soortgelijke stoffen, waarvan de kwaliteit nog iets beter is.
6. Tenslotte kan men het pigment op de vezel zelf laten ontstaan, bijv. met onoplosbare azokleurstoffen. Men drenkt de stof dan met de ene component (naphthol) en bedrukt met de tweede component (diazoverbinding), waardoor koppeling op de vezel plaatsgrijpt (Rapidogeen- en Rapidecht-kleurstoffen).

Lit.: L. Disserens, The Chemical Technology of Dyeing and Printing (New York 1948); A. Schaeffer, Handb. d. Färberei u. anderer Prozesse d. Textilveredlung (Stuttgart 1949-1950); R. Haller, Färberei u. Zeugdruck. Die theoret. Grundlagen (Wien I951).

Textielververij

Het verven van garens en weefsels is een procédé waarvan de theorie nog niet geheel is opgehelderd. In vele gevallen heeft de kleurstof zich op het oppervlak van de vezel afgezet, waarvan het binnenste ongekleurd blijft. In andere gevallen is de gehele doorsnede van de vezel homogeen geverfd. Ook komt voor, dat de kleurstof grotendeels aan het oppervlak is afgezet, maar dat een zwakke kleuring van de doorsnede plaats heeft. Het eerste geval doet zich bij de kuipen beitskleurstoffen voor. Het tweede geval vinden we bij het basisch verven en bijv. ook bij het zure wolverven. Het derde geval komt vooral voor bij het directe katoenverven. Bij het verven doen zich oplossingsverschijnselen, adsorptie, kristallisatie der kleurstoffen en chemische bindingen voor, afzonderlijk en in combinatie. Vandaar dat de verftheorie een ingewikkelde zaak is. Bij het verven van wol, zijde, leder valt het accent meer op de chemische binding, bij het katoenverven en vooral bij het verven van acetaatzijde daarentegen meer op de physische absorptie.

De garens en weefsels worden in de verfapparaten (haspelkuip, jigger, foulard, kruisspoelapparaten) door de kleurstofoplossing geleid, die zich in een kuip bevindt, waarin gedurende het bedrijf nieuwe kleurstof kan worden toegevoegd en de oplossing verwarmd kan worden. Deze apparaten kunnen zeer ingewikkeld zijn, doch ook in de grote ververijen blijven eenvoudige toestellen in gebruik voor het verven met de hand van kleine partijen, die buiten de massa-artikelen vallen.

Er zijn zeer verschillende verfmethoden die afhangen van de vezelsoort waaruit de weefsels gemaakt zijn en de kleurstoffen, die men er voor gebruikt. Men kan deze laatste zelfs indelen volgens de wijze waarop ze geverfd moeten worden. De voornaamste zijn:

1. Zure kleurstoffen, d.z. voor een deel nitroverbindingen, voor een ander deel alkalizouten van sulfo- en carbonzuren. Ze zijn ongeschikt voor plantaardige, doch uitstekend te gebruiken voor dierlijke vezels, zoals wol en zijde. Enige hiertoe behorende zijn de ponceau-kleurstoffen, tartrazine en oranje II, verder kleurstoffen van de supramine- en supranolgroep en vele andere.
2. Katoenkleurstoffen of substantieve kleurstoffen, die de plantaardige vezels in neutrale oplossing direct verven. Ze kunnen echter ook voor wol en viscose kunstzijde worden gebruikt. Daar voor het verkrijgen van intensieve kleuren en het beter benutten der kleurstofbaden zout toegevoegd moet worden, noemt men ze ook zoutkleurstoffen. Hiertoe behoren: benzidinekleurstoffen (kongorood, benzopurpurine), thiozolkleurstoffen, stilbeenkleurstoffen en polyazokleurstoffen. Een nabehandeling met koperverbindingen verhoogt in vele gevallen de licht- en wasechtheid. Ook de optisch actieve bleekmiddelen behoren tot deze groep.
3. Basische kleurstoffen zijn uitgesproken wolkleurstoffen, ook geschikt voor natuurzijde. Hier treffen we voor het eerst kleurstoffen aan die een voorbehandeling van de vezel behoeven om er aan vast te kunnen hechten. Deze behandeling geschiedt vooral met looizuren, die zelf echter moeilijk aan de vezel hechten doch wel in de vorm van zouten, waarvoor dan vooral de antimoonzouten worden genomen. In de laatste tijd worden voor het fixeren dezer kleurstoffen bepaalde synthetische producten gebruikt, waarvan katanol een voorbeeld is (verkregen door smelten van phenol in zwavelalkalisch milieu). Tot de basische kleurstoffen behoren: de methyleenblauwgroep, die van het malachietgroen, het Victoriablauw, safranine, chrysoidine, de auraminen en rhodaminen.
4. Beitskleurstoffen lossen in water niet op. Zij hebben evenals de basische kleurstoffen een beits nodig om aan de vezel vast te hechten, vandaar de naam dezer groep. Als beits komen in aanmerking de zouten der driewaardige metalen van vooral organische zuren, soms met anorganische gemengd. De hoofdrol speelt aluminium, daarnaast chroom, nikkel, kobalt, zink en ijzer. Deze kleurstoffen zijn zowel voor plantaardige als voor dierlijke vezels te gebruiken. Hiertoe behoren de alizarinen en de derivaten daarvan. Verder een aantal echte wol kleurstoffen als de eriochroom-, chroomecht-, anthraceenchroom-, gallocyanine-, neolankleurstoffen en vele andere. Van de natuurlijke kleurstoffen behoort hier het blauwhout toe.
5. Zwavelkleurstoffen, vooral voor plantaardige vezels, zijn in water onoplosbaar. Door reductie met zwavelnatrium of hydrosulfiet in alkalisch milieu gaan ze in een anders gekleurde, zgn. leukoverbinding over die in water oplosbaar is en op heet weefsel overgebracht kan worden, waarna door oxydatie aan de lucht de oorspronkelijke kleurstof nu in het weefsel teruggevormd wordt. Hiertoe behoren de immediaal, de katigeen- en de pyrogeenkleurstoffen.
6. Kuipkleurstoffen zijn eveneens in water onoplosbaar en moeten tot een oplosbare leukoverbinding worden gereduceerd, bijna uitsluitend met hydrosulfiet (Na2S204), welke leukoverbinding zich aan de vezel hecht, waarna door oxydatie aan de lucht de kleurstof in de vezel wordt teruggevormd. Hiertoe behoren de van indigo of thio-indigo en de van anthrachinon afgeleide kleurstoffen. Het prototype is de indigo, die jarenlang de enige vertegenwoordiger dezer groep was. De vaten waarin men de weefsels verfde werden kuipen genoemd, waaraan de groep haar naam ontleent. Van indigo zijn talloze derivaten gevormd, die nu als cibakleurstoffen ook met de namen brillant indigo, helindonkleurstoffen, aan de markt zijn. Tegenwoordig leveren de fabrieken de oplosbare leukoverbindingen, waardoor de reductie in de ververij vervalt. De indigoïde kleurstoffen verven in zwak alkalisch milieu en kunnen daardoor ook voor wol dienen. De anthrachinoïden verven in sterk alkalisch milieu en zijn daardoor voor wol onbruikbaar. Hiertoe behoren vooral de indanthreen-, de cibanon- en enige algol- en helindonkleurstoffen.
7. Ontwikkelingskleurstoffen worden op de vezel zelf gevormd (ontwikkeld) uit verschillende componenten. Hiertoe behoort de belangrijke groep der ijskleurstoffen, zo genoemd omdat de koppeling der componenten bij lage temperatuur moet geschieden (toevoeging van ijs). Het zijn fraaie en zeer bestendige kleurstoffen, onoplosbaar in water, die uit twee oplosbare componenten op de vezel gevormd worden. Het zijn meest azokleurstoffen. De ene component bestaat uit in alkali opgelost naphthol en de andere uit de diazoverbinding van een organische base. Het weefsel wordt dus in de naphtholaatoplossing gedrenkt en daarna met de diazoverbinding in aanraking gebracht. Een groot aantal naphtholen kan worden gebruikt en evenzo een groot aantal basen. Het aantal mogelijke kleurstoffen is dus groot. Ook anilinezwart behoort in deze groep thuis, al wijkt de bereidingswijze af van de andere. De para- en diazokleurstoffen behoren hier eveneens toe.

Af en toe worden ook anorganische verfstoffen gebruikt die eveneens op de vezel ontwikkeld worden, zoals chroomgeel en de thans nog voor tropenkleding gebruikte khakikleurstoffen, die met behulp van chroom-, mangaan-, ijzer- en koperverbindingen worden gemaakt. Deze zijn alleen voor plantaardige vezels geschikt.

8. Enige afwijkende methoden met gunstige resultaten zijn: verven onder druk in gesloten apparaten; verven in een heet oliebad; verven in een gesmolten-metaalbad (gemakkelijk smeltbare legering).

Lit.: L. Disserens, The Chemical Technology of Dyeing and Printing (New York 1948); A. Schaeffer, Handb. d. Färberei u. anderer Prozesse d. Textilveredlung (Stuttgart 1949-1950), 4 Bnd; T. Vickerstaff, The Physical Chemistry of Dyeing (London (1950), R. Haller, Färberei und Zeugdruck. Die theor. Grundlagen (Wien 1951).