Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 06-08-2022

Stem

betekenis & definitie

is de toon die wordt voortgebracht door het trillen van de stembanden (z keel). Om te trillen moeten de stembanden gespannen zijn en een nauwe spleet vormen.

Een luchtstroom van voldoende kracht drukt de stembanden uit elkaar, maar door hun spanning en elasticiteit naderen zij elkaar opnieuw, worden weer opengeduwd enz. De lucht passeert met schokjes; de stembanden geraken in regelmatige trilling die zich aan de luchtstroom mededeelt. Bij zingen is deze trilling continu; bij spreken neemt de trilling telkens geleidelijk af. Is de stemspleet aanvankelijk hermetisch gesloten dan gaat aan de trilling een licht ontploffingsgeluid vooraf; is dit krachtig dan maakt het de indruk van een medeklinker (glottisslag). Bij geaspireerde inzet gaan de stemlippen tijdens het passeren van de luchtstroom over van de adem- in de stemstand. In de regel zal de luchtstroom het gevolg zijn van uitademing; maar ook het inademen kan een toon doen ontstaan; het miauwen van katten geschiedt inspiratorisch.De hoogte van het stemgeluid hangt af van de lengte der stembanden en hun spanning. De lengte wordt bepaald door de stand van de kraakbeendelen waaraan de stembanden zijn bevestigd; die stand kan door spierwerking worden gewijzigd. De spanning wordt geregeld door spieren in de stembanden zelf; deze spieren komen alleen bij de mens voor. De sterkte van het geluid is afhankelijk van de kracht waarmee de stembanden in trilling worden gebracht.

De soort van het stemgeluid is primair afhankelijk van de bouw van het strottenhoofd en van het zgn. aanzetstuk, dat zijn de ruimten boven de stembanden: de kamer van Morgagni (tussen de stembanden en de valse stembanden), de keelholte, de mond- en neusholte. Bij de man zijn strottenhoofd en aanzetstuk van groter omvang dan bij de vrouw. Een wijd en diep strottenhoofd met lange en brede stembanden geeft een basgeluid; geringere diepte en wijdte, gepaard gaande met kortere en smallere stembanden, geven een hoger stemgeluid. De gemiddelde hoogte bepaalt de aard van de stem, niet de hoogste toon die bereikt kan worden (z hierna stemregister).

Het stemgeluid ontvangt zijn kleur of timbre in het aanzetstuk. Dit als geheel, maar ook iedere ruimte waaruit het bestaat, afzonderlijk heeft zijn eigen toonwaarde. Het geluid dat de stembanden voortbrengen resoneert in het aanzetstuk en daarbij wordt de boventoon versterkt die correspondeert met de eigen toon van de resonator. De eigen toon van het aanzetstuk als geheel bepaalt het algemeen karakter van de stem. De afzonderlijke ruimten zijn echter niet constant; zij zullen dus telkens andere boventonen versterken en aldus het timbre beïnvloeden. Zo kan de stand van het strottenhoofd gewijzigd worden (omhoog of omlaag gebracht worden), in de keelholte is het strotklepje beweeglijk, de mondholte is oneindig variabel door de tong, de standen van de kaak en de lippen, het zachte gehemelte kan opgeheven worden of dalen. Ook de openingen die de ruimten begrenzen, beïnvloeden de aard van de klank; in uiterst belangrijke mate doet dit de mondopening. Het verschil in timbre, dus van de boventonen die meeklinken, bepaalt o.a. het karakter der klinkers (z ook fluisteren).

Stembreuk

of stemwisseling is de overgang van de jongensstem in de mannenstem tijdens de puberteit. Tot deze leeftijd zijn er geen verschillen van betekenis in de bouw en de omvang van het strottenhoofd bij jongens en meisjes. Maar dan ontstaan vooral bij jongens veranderingen in de vorm en een toeneming in grootte van het strottenhoofd, dat naar voren gaat uitsteken (Adamsappel) en doordat de stembanden langer worden, daalt de jongensstem ongeveer een octaaf. De meisjesstem daalt slechts twee noten. In de tijd van de stembreuk is de beheersing van de stem onzeker; de stem is vaak onzuiver („de baard in de keel”) en onverwachte wisselingen der toonhoogte komen herhaaldelijk voor.

Stemregister

noemt men een bepaalde omvang van een stemsoort, welke omvang gekenmerkt wordt door een speciale wijze van gebruik der stembanden. Bij het borstregister trillen de stemlippen in hun volle breedte zodanig mee, dat de lucht in de borst meetrilt. De spreekstem van mannen behoort tot het borstregister. Bij het falsetregister trillen alleen de randen van de stembanden; de lucht in de borst schijnt niet mee te trillen. Ten onrechte heeft men gemeend dat de falsettonen in het hoofd meetrillen; vandaar dat dit register ook kopstem wordt genoemd. De normale spreekstem van vrouwen behoort aldus voortgebracht. In de zangtechniek echter worden meer registers onderscheiden en wel ter benoeming van de verschillende kleurschakeringen. Iedere nuance wordt gekenmerkt door een eigen stand van het gehele stemapparaat. Van laag tot hoog onderscheidt men: Strohbass (alleen bij lage bassen), borstregister, falset- of middenregister, kopstem, flageoletregister (alleen bij hoge sopranen).