Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

OPGRAVINGEN

betekenis & definitie

A. ALGEMEEN

Bij een moderne opgraving is de samenwerking der meest verschillende geleerden en werkkrachten onmisbaar: behalve oudheidkundigen en taalkundigen ook architecten, technici, natuurkundigen en scheikundigen. In bijzonderheden zijn de eisen verschillend naar gelang van het milieu en van het onderwerp der opgraving. Het gunstigst voor het oudheidkundig onderzoek zijn die plaatsen, die plotseling verwoest en daarna niet meer bewoond zijn geweest, zoals bijv. Teil el-Amarna in Egypte of tot op zekere hoogte ook het oude Ninevé.

De verkeerde methode, in de begintijd te vaak toegepast, is geweest in het wild weg tegen de helling van de puinheuvel in te graven, om jacht te maken op voorwerpen, waarmede men de musea wenste te vullen. Slechts weinig beter was het graven van greppels of het uitdiepen van willekeurig afgepaalde kleinere stukken grond, daar ook hier de kijk op het geheel moest ontbreken. Wie thans een opgraving begint, laat, nadat hij het terrein gepacht of onteigend heeft, door zijn (meestal inheemse) werklieden langs de stadsmuur graven, die zeker nog ergens uitsteekt, totdat een der poorten bereikt is. Vandaar leidt dan een hoofdweg naar de hoofdgebouwen, paleis of tempel. Binnen het stadsgebied wordt de zgn. afschilferingsmethode toegepast. Van een van tevoren afgepaald vlak wordt eerst één laag blootgelegd, zodat die in alle bijzonderheden opgemeten, getekend en gefotografeerd kan worden.

Men moet dit werk staken, zodra aan de hand van de scherven en andere vondsten blijkt, dat een diepere laag en daarmede een oudere bouwperiode bereikt is. Pas als alles is opgenomen en alle belangwekkende voorwerpen zijn verzameld, graaft men dieper. Dat betekent, dat de zoëven onderzochte laag vernield moet worden. Hierop berust de morele verplichting het werk niet te beginnen als de middelen ontbreken het behoorlijk te doen.

PROF. DR F. M. TH. DE LIAGRE BÖHL

B. MESOPOTAMiË

De eerste wetenschappelijke opmeting der ruïnes van Babylon is te danken aan C. R. Rich, sedert 1808 Engels resident te Bagdad. Een nieuwe periode begon sedert de ontcijfering van de spijkeropschriften der Achaemeniden (eerste kolom) door G. F. Grotefend (1802) en, onafhankelijk van deze, door (Sir) H.

C. Rawlinson.

De eerste min of meer stelselmatige opgravingen werden van Franse zijde gedaan te Koejoendjik (z Ninevé) en Doer-sjar-oekin ( Ghorsabad) onder leiding van P. E. Botta en E. Flandin in de jaren 1842-1844. Hierop volgden de veelzijdige onderzoekingen door A. H.

Layard te Ninevé en Kalah (Nimroed) en ook elders, in de jaren 1845-1847 en 1846-1850, terwijl van 1849-1854 W. Kenneth Loftus de eerste onderzoekingen deed in Zuid-Babylonië (Larsa, Ur, Uruk) en ook in Susa. Het werk in Chorsabad werd op voortreffelijke wijze voortgezet door V. Place, 1851-1854. Te Ninevé heeft Rassam het werk van Layard voortgezet en daar in 1853-1854 de rest van de zgn. bibliotheek van Assurbanipal en de jachtreliëfs blootgelegd. Niet minder fortuinlijk was de geniale George Smith (1873-1876), die helaas te vroeg door de inspanning bezweek.

Na zijn dood heeft Rassam de opgravingen te Ninevé hervat en in 1878 de bronzen poorten van koning Salmanassar III te Balawat ontdekt. Te Ninevé werd het werk in 1928 door R. C. Thompson hervat.

In het zuidelijke gedeelte van Babylonië, het oude land Sumer, heeft een Franse expeditie op de plaats van het oude Lagasj (thans Telloh) lauweren geoogst: elf campagnes van 1877-1901 onder de leiding van E. de Sarzec, met medewerking van L. Heuzey, wier werk door G. Gros werd voortgezet; gedurende de jaren 1929-1933, werd dit werk hervat onder leiding van H. de Genouillac en van A. Parrot. Eveneens verdienen vermelding de Franse opgravingen te Susa , die ook voor de Assyriologie van groot belang geweest zijn.

De Amerikanen hebben onder leiding van H. V. Hilprecht, Haynes en Peters van 1888-1900 de oude stad Nippoer opgegraven. De Duitsers hebben onder leiding van R. Koldewey eerst in 1887 kleinere plaatsen als Sjoergoel en El-Hibba onderzocht en daarna, van 1887 tot 1914, de zo belangwekkende opgraving van Babylon in het werk gesteld, waarvan de Isjtar-poort in het Museum te Berlijn nog heden blijk geeft. De tweede grote Duitse expeditie was van 1903-1913 onder leiding van W.

Andrae gewijd aan de oude Assyrische hoofdstad Assur; de derde aan Uruk, d.i. het bijbelse Erech: aanvankelijk in 1912/1913 en ook in 1928/ 1929 onder leiding van J. Jordan, daarna van A. Nöldeke.

Van groot belang, ook door schitterende vondsten, was de opgraving van het oude Ur (19241934), waarmede de naam van Sir Leonard Woolley verbonden zal blijven. Vermelding verdient voorts de opgraving van Kisj (El Oheimir) door Franse en Engelse geleerden, de onderzoekingen bij Seleucia door een Amerikaanse en van Ktesiphon door een Duitse expeditie. Tot de belangwekkendste expedities behoren die van het Oriental Institute der Universiteit te Chicago onder leiding van de Nederlander H. Frankfort te Teil Esmar (het oude Asjnoennak), Khafaje, Asjdjali, Teil Agrab en in het N. te Chorsabad (sedert 1929).

De jongste opgravingen (gedurende en na Wereldoorlog II) werden in het werk gesteld door Fuad Safar en Seton Lloyd op de plaats van het oude Eridoe, voorts te ’Aqar-Qoef, het oude DoerKoerigalzoe en op andere plaatsen in opdracht van de oudheidkundige dienst te Bagdad; vervolgens o.a. hernieuwde en zeer belangwekkende opdelvingen te Kalah (Nimroed) en te Nippoer (Niffer) door Engelsen en Amerikanen. Ondanks deze inspanningen is nog veel werk te verrichten, waarbij Boven-Mesopotamië en het eigenlijke Syrië in de toekomst een veel grotere rol zullen vervullen dan dit reeds het geval was. Een schakel tussen beide gebieden vormt de Teil Hariri op de plaats van de oude stad Mari, waar de Franse expeditie onder A. Parrot de fundamenten van een omvangrijk paleis en een archief van ongeveer 20 000 kleitafeltjes uit de periode van omstreeks 1700 v. Chr. opgedolven heeft.

Lit.: A. Parrot, Archéologie mésopotamienne (Paris 1946); S. Lloyd, Foundations in the Dust (Oxford 1947); C. W. Ceram, Goden, graven en geleerden (vert. door H. Manger, z. j.); C.

F. A. Schaefer, Stratigraphie comparée et chronologie de l’Asie occidentale (Paris 1948); A. L. Perkins,The Comparative Archaeology of Early Mesopotamia (Chicago 1949); J. Capart, F. Ghapouthie c.s., Manuel des Fouilles archéologiques (1950).

c. PALESTINA

In dit gebied zijn opgravingen (buiten Jeruzalem) betrekkelijk laat begonnen, feitelijk pas in 1890. Onder de voorlopers noemen wij de Utrechtse hoogleraar Adriaan Reelant, wiens werk Palestina ex monumentis veteribus illustrata (Utrecht 1714) nog niet op eigen aanschouwing berustte, daar hij de Nederlandse grens nooit heeft overschreden. De grondlegger der Palestijnse aardrijkskunde was de Amerikaan Edward Robinson (1794-1863, eerste reis in 1836). Onder zijn navolgers verdienen Tobler, Guérin, Van der Velde, De Vogué vermelding. In 1863 bracht de Fransman De Saulcy een aantal sarcophagen uit de zgn. graven der koningen (feitelijk het graf der koningin Helena van Adiabene) naar het Louvre. In 1865 werd in Engeland de Palestine Exploration Fund opgericht, in opdracht waarvan Ch. Warren onderzoekingen ten Z. van de tempelberg deed met behulp van delfschachten en tunnels.

In 1839 begon men met het onderzoek van de eerste puinheuvel (in het Arabisch teil). Het was de Teil el-Hêsi ten Z.W. van Jeruzalem, waar eerst Flinders Petrie en daarna J. Bliss gegraven en in deze mound of many cities de sporen van ten minste acht nederzettingen blootgelegd hebben. De stad, die hier lag, was het oude Eglon en niet, zoals de opgravers meenden, Lachis. Daarna onderzocht Bliss in het naburige heuvelland nog vier andere puinheuvels, o.a. de plaatsen van het oude Gath en Maresa. Zijn medewerker was R. A.

S. Macalister, die daarna, van 1902-1909, de leider was van de eerste grote opgraving op de Teil Djezer, het oude Gezer. Ongeveer gelijktijdig werd van Oostenrijkse zijde de Teil Ta'antiek (het oude Taanach) door E. Sellin opgegraven, en het naburige Megiddo in opdracht van de Deutsche Palastinaverein: voorlopig pionierswerk, dat later door een Amerikaanse expeditie hervat werd. Een expeditie van de Harvard-Universiteit onderzocht van 1908-1910 het uitgestrekte terrein van het oude Samaria , welk werk in 1930 vlgg. met mooie resultaten hervat werd. Ook de opgravingen van Beth-Semes (het oude 'Aid Sjemi), in 1911-1912 door D. Mackenzie begonnen, werd in 1928 vlgg. door E.

Grant en Cl. S. Fisher hervat; in dit geval werden de resultaten der eerste opgraving over het algemeen bevestigd. Iets soortgelijks geldt van Sichem {Teil el-Balata); begonnen in 1913 door Sellin en Praschniker, hervat in 1926 door Sellin, Böhl en Welter.

Inderdaad begon, toen Palestina Engels mandaatgebied was geworden, een nieuwe periode voor de oudheidkunde en een vreedzame wedijver tussen de verschillende naties op dit terrein. Een oudheidkundige dienst werd ingesteld, door een wet op de antiquiteiten werden uitwassen tegengehouden, ook werden wetenschappelijke instituten ingesteld of uitgebouwd. Onder de opgravingen, die sindsdien in het werk gesteld of hervat zijn, noemen wij die van Ascalon, onder leiding van Garstang en Phythian-Adams, 1920-1923; die van Gibea (Teil el-Foel) onder leiding van W. F. Albright in 1922-1923; die van de heuvel Ophel (het oudste Jeruzalem) onder leiding van R. Weill in 1914, van Macalister, Duncan en Crowfoot gedurende de jaren 1923-1928.

Van belang zijn voorts de volgende opgravingen geweest: die van het oude Beth Sean, van 1922 af, eerst onder leiding van Cl. S. Fisher, daarna van A. Rowe en G. M. Fitzgerald; die van Gibeon (of Mizpa?) sedert 1926 onder leiding van W.

F. Badé; de opgraving van Megiddo in opdracht van het Oriental Institute te Chicago, sedert 1925; daarna die te Sichem (Teil el-Balata bij Nabloes) sedert 1926, waarvoor in Nederland veel belangstelling geweest is; de Deense opgravingen te Silo in 1926 en 1929; de Amerikaanse opgravingen te Kirjath-Stfer in tal van campagnes sedert 1926 onder leiding van W. F. Albright; voorts de opgravingen te Mamre bij Hebron; die van Flinders Petrie bij Oud-Gaza en bij de TellDjemme, het vermeende Gerar, en op de TellFar’a, het vermeende Beth-Pelet; de belangwekkende opgraving onder leiding van P. A. Mallon, S.

J., te Teleilat Ghassoel in het Overjordaanse; en de grote opgraving van het echte oude Lachis (thans Teil Duweir) onder leiding van J. L. Starkey c.s. Belangwekkend was hier de vondst van Oudhebreeuwse ostraka. Vermelding verdienen voorts de opgravingen te Bethel en Ai en ook die der Dominicanen te Teil el Far'a (op het gebergte van Efraïm) en Qaiyet el-Enab.

Over het algemeen kan men beweren, dat het oudheidkundig onderzoek, van het Heilige land nog in het begin staat en dat nog veel ophelderingen voor het Bijbelonderzoek daarvan zijn te verwachten.

PROF. DR F. M. TH. DE LIAGRE BÖHL

Lit.: R. A. S. Macalister, A Century of Excavations in Palestine (London 1925); F. M. Th.

Böhl, Palestina in het licht der jongste opgravingen en onderzoekingen (Amsterdam 1931); W. F. Albright, The Archaeology of Palestine and the Bible (New York 1932); W. F. Badé, A Manual of Excavation in the Near East (Berkeley, California, 1934); J. Simons S.J., Opgravingen in Palestina tot aan de ballingschap (586 v.

Chr.) (Roermond Maaseik 1935); B. MaisIer, History of Archaeol. Exploration in Palestine (Jeruzalem 1936); Sir Fr. Kenyon, The Bible anti Archaeology (London 1940); M. Burrows, What meant these Stones? (New Haven 1941); Ch. Ch.

McGown, The Ladder of Progress in Palestine (New York 1943); P. F. M. Abel, Hist. de la P. depuis la conquête d’Alexandre, I (Paris 1952).

D. KLASSIEKE LANDEN

Hier zijn zij reeds in de 16de eeuw ondernomen, maar zij dienden om kunstwerken te zoeken en werden niet verricht volgens een vast plan. De eerste opgravingen, die meer belangstelling wekten, waren de onderzoekingen in de steden, die door de uitbarstingen van de Vesuvius waren bedolven, eerst te Herculaneum en later ook te Pompeji, sedert 1748. In de aanvang waren daarbij ook de voorwerpen, die aan het licht kwamen, meer het doel dan de ontdekking van de steden en haar gebouwen. Met de vernieuwing van de belangstelling voor de Oudheid tegen het eind der 18de eeuw veranderde dit. De opgravingen te Pompeji onder het Franse beheer, van 1799-1814, hadden wel degelijk ten doel de stad zelf te leren kennen. Hetzelfde kan men zeggen van de opgravingen, die te Athene plaats hadden, reeds kort na de bevrijding van het land, onder de leiding van Ludwig Ross, sedert 1832.

Maar deze opgravingen werden niet onmiddellijk voortgezet. In de tweede helft der 19de eeuw kwam er opnieuw belangstelling voor deze soort van ondernemingen. In 1857 deed Charles Newton onderzoekingen te Halikarnassos, te Knidos en te Milete; vooral de verzameling van het Brits Museum had daarvan voordeel. Maar de belangrijkste stoot gaven toch de ontdekkingen van Heinrich Schliemann in Griekenland, begonnen in 1871 en voortgezet tot zijn dood in 1892. Schliemann wenste de cultuur van Homerus door zijn opgravingen terug te vinden; met dit doel groef hij te Troje, te Mykene en te Tiryns. Vooral van belang was zijn zeer zorgvuldige opgraving van de zgn. Schachtgraven te Mykene, met haar rijke vondsten van gouden voorwerpen, vazen, wapens enz.

De eerste volledige opgraving van een antieke plaats waren de onderzoekingen der Duitsers te Olympia onder de leiding van Ernst Curtius, van 1878-1885. Aan deze opgraving heeft ook Wilhelm Dörpfeld deelgenomen, die al spoedig de medewerker van Schliemann werd en lange tijd als de meester in het vak van opgraven en verklaren der ruïnes heeft gegolden. Vermelding verdienen de Duitse opgravingen te Athene, op het eiland Thera en vooral in Klein-Azië, te Pergamon (sedert 1876), te Magnesia en te Priene. De belangrijkste onderzoekingen zijn wellicht de opgravingen te Milete, onder de leiding van Th. Wiegand, waar het doel, de volledige onderzoeking van de antieke stad in haar verschillende perioden, met grote doorzettingskracht werd verwezenlijkt. Zeer belangrijk zijn de opgravingen van de Fransen te Delos en te Delphi, van de Oostenrijkers te Ephesos, van de Engelsen te Sparta en vooral op Kreta door de ontdekking van het „Paleis van Minos” te Knossos, van de Italianen te Phaistos op Kreta en op Rhodos, van de Denen op Rhodos te Lindos.

Vermelding mogen hier ook vinden de Nederlandse opgravingen onder de leiding van prof. dr C. W. Vollgraff te Argos.

In Italië heeft men in de eerste helft der 19de eeuw vooral gegraven in Etrurië met het doel voorwerpen der antieke beschaving, in de eerste plaats Griekse vazen te ontdekken. Later is men daar meer systematisch gaan werken. Met veel zorg is te Pompeji gegraven, vooral sedert het begin der 20ste eeuw, waarbij men zich grote moeite geeft de gebouwen in hun oude toestand nauwkeurig te herstellen (o.a. A. Maiuri). Overigens heeft men in Italië vooral opgravingen verricht om de vóór-historie van het land te leren kennen; bewonderenswaardig zijn de uitgebreide en systematische onderzoekingen van P. Orsi op Sicilië.

Te Ostia, de verlaten oude havenstad van Rome, wordt langzamerhand het beeld van een stad uit de Romeinse keizertijd door de opgravingen volledig gemaakt. Door de grote werken en doorbraken te Rome van de laatste jaren wordt ook daar de voorstelling van de antieke stad steeds vollediger.

In Noord-Europa behoren tot de oudste systematische opgravingen de onderzoekingen van C. J. G. Reuvens op Arentsburg bij Voorburg, in de jaren 18271829. Maar na de ontijdige dood van Reuvens, in 1835, heeft men in Nederland voor dit soort van werk weinig belangstelling meer gehad. Gedurende de 19de eeuw zijn in Nederland nagenoeg geen opgravingen ondernomen.

Elders in Noord-Europa is intussen in die tijd met zeer veel energie gewerkt. In Frankrijk heeft men vooral de oudste geschiedenis van het land onderzocht, in Engeland de Romeinse periode, in Zweden de bronstijd. In Duitsland was het onderzoek vnl. geconcentreerd op de opgravingen van de limes. Voor dit onderzoek werd een geheel nieuwe methode van graven ontwikkeld, met een uiterst zorgvuldige observatie van het ontdekte, gepaard met grote zorg voor de gevonden voorwerpen. Het is de verdienste van dr J. H.

Holwerda geweest, dat hij deze methode voor zijn opgravingen in Nederland heeft ingevoerd. De methode van dr A. E. van Giffen, voor de opgravingen in grafheuvels en terpen toegepast, voor de opgraving zelf en voor het vastleggen van het gevondene in foto’s en tekeningen, is tot nu toe niet overtroffen.

PROF. DR A. W. BYVANCK.