Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

NOORDZEE

betekenis & definitie

met een oppervlakte van 580 000 km2, is een randzee van de Atlantische Oceaan, een shelf- of platzee, d.w.z. een zee, waarvan de diepte niet groter is dan 200 m. Het grootste deel van de zee is zelfs minder dan 100 m diep.

De dieptelijn van 100 m loopt van Schotland met een naar het N. gerichte boog naar de noordpunt van Denemarken. Langs de Noorse kust bevindt zich een geul van 200-809 m diepte. In het algemeen neemt de diepte van het Z. naar het N. toe. Overigens is de oppervlakte van de zeebodem onregelmatig. In het midden van de Noordzee ligt de Doggersbank, waarvan het hoogste punt 13 m beneden de zeespiegel ligt. Minder ondiep is de zee boven de Grote Vissersbank, de Bruine Bank, de Zwarte Bank en de Zuidelijke Slibbank.

Al deze ondiepten zijn verheffingen van de na de Ijstijd onder water gelopen pleistocene bodem. Tussen deze banken komen verschillende gaten en geulen voor, waarvan enige dieper zijn dan 100 m. Het Duivelsgat ten N.W. van de Doggersbank heeft zelfs een diepte van 288 m. Het ontstaan van deze en verschillende andere diepten is nog steeds niet bevredigend verklaard. Van een aantal geulen wordt aangenomen, dat zij rivierdalen zijn. Zo is de Diepe Geul in het Z. van de Noordzee waarschijnlijk een overblijfsel van een oud pleistoceen Rijndal.

Behalve de pleistocene bodemverheffingen zijn er een groot aantal andere bodemverheffingen, de zgn. zandbanken, die vooral langs de Vlaamse kust zeer breed en talrijk zijn en bestaan uit tamelijk fijn zand. Van Veen schrijft deze toe aan getijstromen en onderscheidt naar de vorm: vloed- en ebparabolen. De eerste liggen dicht onder de kust en hebben hun holle zijde naar het Westen, de tweede liggen wat verder uit de kust en hebben hun holle zijde juist aan de tegenoverliggende kant. Wanneer er geen harde ondergrond aanwezig is, worden door de regelmatige getijstromingen zandgolven gevormd, die loodrecht staan op de bewegingsrichting van het water. Deze hebben een kruinsafstand van 200-500 m en een hoogte van ca 10 m. Dichtbij de Hollandse kust komen de 1-2 m hoge evenwijdig aan de kust liggende en zich voortdurend kustwaarts verplaatsende strandwallen voor, die hun ontstaan te danken hebben aan de brandingbeweging.

Nabij de mondingen van rivieren en zeegaten kunnen de uit zeezand bestaande onderwaterdelta’s, „gronden” of buitendelta’s, voorkomen, die een bescherming vormen voor de er achter liggende kust. Wanneer zo’n delta verdwijnt, zal de kust terugwijken. In de Noordzee komen verschillende eilanden voor. Helgoland heeft een steile kust, de Waddeneilanden zijn delen van een onderbroken schoorwal, die begint bij de pleistocene kern van Texel en langs Noord-Nederland verder doorloopt langs de westkust van Denemarken.De Noordzee was bij het begin van de Ijstijd nog een vlakte, waardoor de Rijn en andere rivieren hun weg naar het N. vonden. Het landijs, dat in de Risz-IJstijd het N. en grootste deel van de Noordzee bedekte, sloot het Z. deel geheel af. Hier ontstond een smeltwatermeer, waarvan de waterspiegel ten slotte zó hoog kwam te liggen, dat het water via een geul bij Calais in de Atlantische Oceaan kon afstromen. Na de Ijstijd, toen de algemene zeespiegel ca 70 m was gestegen, werd het dal bij Calais door zeewater overstroomd en door getijstromingen verder verwijd tot het huidige Nauw van Calais.

Eb en vloed zijn het sterkst aan de kusten van Engeland en Nederland. De Atlantische vloedgolf (? Atlantische Oceaan) dringt ten N.W. van Schotland de Noordzee binnen gaat langs de oostkust van Schotland en Engeland naar het Z. en zwenkt daarna grotendeels naar het O. om naar Terschelling. Ten dele blijft de vloedgolf de Engelse kust zuidwaarts volgen om bij Kent om te buigen en te zamen met de uit het Kanaal door het Nauw van Calais komende vloedgolf langs de Belgische en Nederlandse kust noordwaarts gaande, ongeveer bij Terschelling, de eerste tak weer te treffen. De interferentie tussen de verschillende vloedgolven maakt het verschijnsel van eb en vloed zeer ingewikkeld. De getijstromingen, die ontstaan door de vloedgolven, spelen langs alle kusten eveneens een grote rol. Ook door het Nauw van Calais lopen krachtige getijstromingen, die dus niets te maken hebben met de Golfstroomdrift.

Deze laatste dringt wel in de Noordzee door, maar wordt als langzame stroming overdekt door de getijstromen (zie voor waterstanden en snelheden van de vloedgolf en getijden achterzijde kaart Noordzee). De spring- en stormvloeden hebben in sterke mate bijgedragen tot de vormveranderingen van de kust ( Dollart en Zuiderzee). Een zelfstandige, niet met getijden samenhangende stroom is de Oostzeestroom, die van het Kattegat uit langs de Zweedse en Noorse kust stroomt. Deze stroming is het sterkst in het Skagerrak.

Het zoutgehalte der Noordzee bedraagt evenals dat van de Atlantische Oceaan ca 35 per mille (langs de kusten minder). De temperatuur van het water neemt van het Z.O. naar het N.W. in de winter van 3 gr. tot 7 gr. C. toe, en in de zomer in dezelfde richting van 18 gr. tot 12 gr. C. af. In de winter is het water op 20-30 m diepte ongeveer even warm als, in de zomer 1-2 gr. C. kouder dan het oppervlaktewater.

De diepe delen der Noordzee zijn rijk aan lagere diersoorten, hetgeen mede oorzaak is van de grote visrijkdom, vooral haring, schelvis, kabeljauw, zeetong, schol en bot (zie visserij achterzijde kaart Noordzee). Van de grote vissen komen voor: doorn- en hondshaaien, van de grote zeezoogdieren: kleine walvissen, bruinvissen en zeehonden. Helgoland levert kreeften, Sleeswijk, Nederland en de Z.O.-kust van Engeland: oesters.

De Noordzee, tussen belangrijke handels- en industrielanden gelegen, is de drukst bevaren zee ter wereld. Zij is echter tevens, door de vele zandbanken langs de kusten, zeer gevaarlijk.

Een uitgebreid stelsel van vuurtorens, lichtschepen, bakens, radiostations (in Nederland: Scheveningen) beperkt het gevaar zoveel mogelijk. Wereldhavens aan de kust van deze zee zijn: Londen, Rotterdam, Amsterdam, Antwerpen Hamburg.

DRJ. VISSCHER

Lit.: R. Schuiling, Nederland, Handb. d. Aardrijkskunde (Zwolle, dl i 1934, dl 2 1936); J. van Veen, Korte beschr. d. uitkomsten van onderzoekingen in de Hoofden en langs de Ned. kust, Tschr. Aardr. Gen., LIV (Amsterdam 1937); P. Tesch, Gesch. der Noordzee, Haagsch Maandblad (1924); Idem, De jongste onderzoekingen in het Nauw v.

Calais en langs de Nederlandse kust, Tschr. Aardr. Gen., LIV (Amsterdam 1937); F. J. Faber, Ned. landschappen, bodem, grond en geol. bouw (Gorinchem 1942); P. Groen, De wateren der Wereldzee (Amsterdam 1951).