Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

NOORD-HOLLAND

betekenis & definitie

omvat een gebied van (1952) 287370 ha, dat ten W. wordt begrensd door de Noordzee, ten Z. door Zuid-Holland en Utrecht, ten O. door Utrecht, IJselmeer en Waddenzee. Op de tussen IJselmeer en Waddenzee gelegen Afsluitdijk grenst Noord-Holland bovendien nog voor een klein gedeelte aan grondgebied van Friesland.Tot voor korte tijd behoorden tot NoordHolland zes eilanden: Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen, Marken en Urk.

Vlieland en Terschelling zijn met ingang van 1 Sept. 1942 bij Friesland ingedeeld. Wieringen maakt, sinds de droogmaking van het Wieringermeer in 1930, deel uit van het vasteland van Noord-Holland. Urk is in de Noordoostpolder opgenomen en behoort sedert 1 Apr. 1950 tot Overijsel. Noord-Holland omvat (1952) 120 gemeenten in grootte variërende van I 75 ha (Bennebroek) tot 21 002 ha (Wieringermeer) en telt (1952) 1 895 240 inw. of ruim 721 per km2 land. Naar inwonertal is Noord-Holland de 2de, naar oppervlakte de fide provincie van Nederland.Geologie

Ca 8000 v. Chr. begon de zee de tegenwoordige kust van Holland te naderen en gedeeltelijk te overstromen. Op de in dit gebied ontstane brede waddenzoom werd door de werking van zee en wind een strandwal gevormd, die zich in Nederland ongeveer uitstrekte van Hoek-van-Holland tot Wieringen, en waarop door verdere aangroei, tussen 4000 en 2000 v. Chr. een keten van duinen ontstond (het zgn. „oude duinlandschap”). In de achter deze duinen gelegen en voor de zee nog toegankelijke wadvlakte had aanvankelijk afzetting plaats van klei (de oude zeeklei), die thans in enkele diepere droogmakerijen weer aan de oppervlakte ligt. Door de sluiting van de strandwal, ca 3500 v. Chr., werd het ondiepe binnenmeer geleidelijk veranderd in een moerassig zoetwatergebied, waarin veenvorming op grote schaal kon plaats hebben.

In de Romeinse tijd lag de kustlijn 1 à 2 km verder westwaarts dan thans en was de gemiddelde vloedstand van de zee ca 2 m lager. Door aanvoer van zand begon zich ca 400 n. Chr. het „jonge duinlandschap” te vormen, het oude duinlandschap daarbij ten dele overstuivende. Op andere plaatsen werd de kust sterk aangetast en aanmerkelijk teruggeslagen. Ten N. van Schoorl drong de zee Noord-Holland binnen en overstroomde het veenland achter de oude duinreeks. Op vele plaatsen werd de veenmassa weggeslagen en werd er dikwijls zeeklei voor in de plaats gelegd (de jonge zeeklei).

Waterkering en afwatering

De kering van het buitenwater en de afvoer van het overtollige binnenwater is voor Noord-Holland, waarvan het grondgebied voor het grootste deel beneden de zeespiegel ligt, een onderwerp van voortdurende zorg. In de loop der eeuwen is hier een aaneengesloten poldergebied ontstaan, waarvoor betrouwbare dijken, goede waterlozing en goed boezembeheer gemeenschapsbelangen van de eerste orde zijn.

Tegen de Noordzee wordt het vasteland van Noord-Holland beschermd door de duinen, een natuurlijke zeewering, die alleen bij Petten en IJmuiden is onderbroken. De tussenruimte is bij Petten door de Pettemer en de Hondsbosse zeewering en bij IJmuiden door de rijkshavenwerken en -zeesluizen afgesloten. Aan de oostzijde is de gehele provincie door dijken tegen het IJselmeer- en zeewater beschermd, behalve bij de hoge gronden van het Gooi en Muiderberg en op enkele hogere delen van Wieringen. Aan de noordzijde ligt de sterke Helderse zeewering. De watersnood van 1916 heeft geleid tot een reorganisatie van het waterschapswezen, waarbij de zorg voor de zeedijken in het Noorderkwartier (later grotendeels tot IJselmeerdijken geworden), voorheen toevertrouwd aan 24 waterschappen, werd gecentraliseerd en opgedragen aan het in 1919 opgerichte hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier. Buiten deze regeling bleven de Pettemer en de Helderse zeewering, die bij het Rijk in beheer en onderhoud zijn.

Bezuiden Amsterdam zijn met het beheer en onderhoud van de IJselmeerdijken vnl. belast de hoogheemraadschappen van de Zeeburgen-Diemerdijk en van de Zeedijk-beoosten-Muiden, alsmede de provincie. Het grootste lichaam, met boezembeheer belast, is — behalve Rijnland, dat slechts gedeeltelijk in Noord-Holland is gelegen — het hoogheemraadschap der Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland, dat het beheer heeft van de Schermer boezem en de Verenigde Raaksmaat- en Niedorperkoggeboezem. Het hoogheemraadschap strekt zich uit over 71 000 ha schuldplichtig gebied en omvat een zeer groot deel van Noord-Holland boven het Noordzeekanaal. Een eigen boezembeheer hebben verder in het Noorderkwartier de polder het Koegras, de Anna Paulownapolder, de Wieringerwaard, de Schagerkogge, de Waard en Groet, de Vier Noorder Koggen, de polders in Drechterland, het hoogheemraadschap Waterland, de polder Oostzaan en enkele andere polders. In het Zuiderkwartier heeft de afvoer van het overtollige polderwater plaats op de boezems van Rijnland en Amstelland, de Vechtboezem en de boezem van de s Gravelandschevaart. Het stadswatergebied van Amsterdam vormt een eigen boezemgebied.

Het Noordzeekanaal met zijn zijkanalen en het afgesloten IJ vóór Amsterdam dienen tot boezem voor de omringende waterschappen, alsmede voor enige onbedijkte landen en hoge gronden. Bijna ieder der vele polders heeft zijn eigen bemaling, uitslaande op een der bovengenoemde boezems of op eigen boezem met natuurlijke afwatering of rechtstreeks uitslaande op het IJselmeer.

De zorg voor de waterstaatsbelangen in NoordHolland is opgedragen aan 281 gereglementeerde (d.w.z. als publiekrechtelijke instellingen ingerichte) waterschappen, waaronder 7 hoogheemraadschappen, 6 heemraadschappen, 2 ambachten, 17 bannen en 249 polders en andere waterschappen (toestand begin 1952). Het feit, dat het aantal gereglementeerde waterschappen in Oct. 1930 nog 352 bedroeg, toont aan, dat sedert dat tijdstip een vrij sterke concentratie in het waterschapsbeheer heeft plaatsgehad. Anders dan bij de gemeenten, die alle dezelfde taak hebben, alleen in omvang verschillend, loopt bij de waterschappen de taak zeer uiteen. De voornaamste belangen, welke de Noordhollandse waterschappen hebben te verzorgen, zijn: dijkzorg (zeedijken en binnendijken); boezembeheer; bemaling; beheer, aanleg en onderhoud van land- en waterwegen.

Nadat men er in de 16de eeuw in geslaagd was verschillende kleinere plassen droog te maken en het na verscheidene vergeefse pogingen in 1598 eindelijk gelukte de Zijpe te bedijken, werden in de 17de eeuw grotere en diepere droogmakerijen ter hand genomen, zoals de Beemster (1612), de Purmer (1622), de Wormer (1626), de Heerhugowaard (1630), de Schermer (1635) e.a. Door bedijking in de 19de en 20ste eeuw van het Koegras (1818), de Waard- en Groetgronden (1847), de Anna Paulownapolder (1847) en het Wieringermeer (1930), werd het grondgebied van Noord-Holland ten N. van West-Friesland aanmerkelijk uitgebreid. De aaneensluiting van Hollands Noorderkwartier met het gebied ten Z. van het IJ kwam tot stand in de 19de eeuw door de met de aanleg van het Noordzeekanaal gepaard gaande inpoldering van de IJgronden. Met het voortschrijden der techniek zijn de windwatermolens geleidelijk aan vervangen door stoom-, diesel- en electrische gemalen, doch geheel verdrongen zijn zij nog niet. Op 1 Jan. 1950 waren in Noord-Holland nog 39 windwatermolens in gebruik.

De door bedijking en droogmaking verkregen aanwinst van cultuurgronden in Noord-Holland bedroeg in de: 16de eeuw 8 polders, 9134 ha; 17de eeuw 43 polders, 30 471 ha; 18de eeuw 3 polders, 1690 ha; 19de eeuw 49 polders, 41 796 ha; 20ste eeuw 5 polders, 20 855 ha. Totaal 108 polders 103 946 ha.

Bevolking.

Deze neemt voortdurend toe. Omvatte zij in 1851 nog slechts 482 390 personen, in 1951 was zij toegenomen tot 1 874 560; in 100 jaar dus een vermeerdering van 288 pct. Het inwonertal van Amsterdam (1952: 850680 inw.) is van een geheel andere orde van grootte dan die in enige andere Noordhollandse gemeente. Op Amsterdam volgt Haarlem (165075 inw.). Andere volkrijke gemeenten (naar gegevens van 1952) zijn Hilversum (90710 inw.), Velsen (50440 inw.), Zaandam (44480 inw.). De kleinste bevolking heeft Katwoude (257 inw.).

Naar de godsdiensten is de bevolking van Noord-Holland als volgt verdeeld (1947): Ned. Herv. 22,76 pct; Geref. 6,85 pct; R.K. 29,31 pct; andere gezindten 6,93 pct; niet-kerkelijken 34,17 pct. Noord-Holland is in sterke mate een niet-kerkelijke provincie; verhoudingsgewijze is in deze provincie de niet-kerkelijkheid het grootste van alle provincies en juist tweemaal zo groot als het gemiddelde over het gehele land (17,1 pct).

Omstreeks het begin van onze jaartelling hadden de Friezen, die vermoedelijk in de 2de eeuw v. Chr. de kuststreek van Nederland waren binnengedrongen, zich over het grondgebied van vrijwel geheel Noord-Holland uitgebreid. De oude bewoners van het Gooi moeten tot een mengvolk behoord hebben. De naam van het dorp Laren en de „brink” en „eng”, die ieder Goois dorp rijk is, wijzen op Saksische herkomst, terwijl nog gebruikte termen als „schaar” en „maatland” Friese invloed verraden. Ook al heeft het Friese volkseigen zich in Noord-Holland lang weten te handhaven, het zijn de Franken geweest, die, vooral juridisch en politiek, hun stempel op de samenleving hebben gedrukt. Dat niettemin sommige oude gebruiken nog geruime tijd hebben standgehouden, blijkt wel hieruit, dat de Friese rechtspraak met „azing en geburen” in Kennemerland eerst ca 1274 werd vervangen door de Frankische rechtspraak met „schout en schepenen”.

Aan het einde van de 13de eeuw vindt men de bevolking van het waterrijke woongebied verspreid over verscheidene, door grote en kleine meren en waterlopen van elkander gescheiden, eilanden en schiereilanden. De voornaamste woonstreken in Noord-Holland waren toen: Kennemerland, West-Friesland, het Schermereiland, de Zeevang, de Zaanstreek met Waterland, Amstelland, de Vechtstreek en het Gooi. Door de geïsoleerde ligging, de daarmede gepaard gaande sterke differentiatie van waterstaatkundige belangen en de primitieve verkeersmiddelen heeft de bewoning in deze streken zich in het algemeen ontwikkeld tot vrijwel afgesloten samenlevingen met soms zeer bepaalde eigen karaktertrekken, die nog lang behouden bleven. Zelfs de groei van de bevolking, de verruiming en de toenemende intensiteit van de verkeersmogelijkheden en de sterke economische opleving van Nederland in de 20ste eeuw zijn niet in staat geweest hierin veel verandering te brengen. Niettegenstaande alle verscheidenheid binnen de provincie, vormt Noord-Holland echter sociaal-economisch een duidelijke eenheid. Het eigen karakter van de Noordhollanders is overigens meer te vinden in de gerichtheid van de aandacht der bevolking op boven de provincie uit reikende vraagstukken en belangen, dan in haar bewustzijn van de natuurlijk wel aanwezige regionale en provinciale tradities en het verlangen deze te onderhouden.

Bestaansmiddelen

Kennemerland vormt een langgerekte kuststrook, die is samengesteld uit een brede, van ver zichtbare duingordel, hooggelegen, boomrijke geestgronden en -richels, en aangrenzende lagere gronden met vergezichten. Men vindt er drie oude steden (Haarlem, Beverwijk, Alkmaar). De kustplaatsen ontstonden als bases van zeevisserij en vormen thans centra van badleven. De veeboeren op de geestgronden en zandrichels zijn of worden door bollenkwekers en tuinders met intensieve teelten verdreven en hebben slechts de polders daarnaast tot hun beschikking gehouden. Door instroming van talloze werkers in Amsterdam, maar ook van renteniers en gepensionneerden, verkrijgt de bevolking een cultureel en sociaal zeer gemengd karakter. Het verkeer is in hoofdzaak evenwijdig aan de kust en voorts op Amsterdam gericht.

Kennemerland kan men onderscheiden in Zuid-Kennemerland, de Smond en Noord-Kennemerland, drie streken, die onderling grote verschillen vertonen. Zuid-Kennemerland is in zijn geheel al eerder dan de beide andere delen tot een woonstreek van forensen, renteniers en gepensionneerden geworden. De oude betekenis als veelzijdig industriegebied is echter volstrekt niet verloren gegaan. De belangrijke industriestad Haarlem, die van ouds het cultureel en maatschappelijk centrum van Zuid-Kennemerland vormt, heeft als hoofdstad der provincie een niet onbelangrijke administratieve functie te vervullen. De bloembollenteelt in dit deel van Kennemerland is vnl. in het Z. der gemeente Bloemendaal, rondom Vogelenzang, nog een belangrijke bron van bestaan.

De streek om de IJmond wordt allereerst gekenmerkt door haar overwegend industrieel karakter, ontstaan door de vestiging en snelle uitbreiding van zware industrie aan het Noordzeekanaal, dat het smalste deel van Holland sinds 1875 doorsnijdt. Dit kanaal maakte de door structuurwijziging geboden concentratie van de visserij der Kennemer kustdorpen in de nieuwe haven aan zijn mond mogelijk. De verdere economische ontwikkeling deed het oude centrumstadje Beverwijk, de oude dorpen Heemskerk en Velsen en het nieuwe IJmuiden uit- en samengroeien tot één, economisch hecht verbonden, dicht bevolkt, werk- en woongebied, waar Velsen thans het zwaartepunt van vormt. Aan de noordelijke oever van het Noordzeekanaal te Velsen vindt men een papierfabriek, een electriciteitscentrale van de provincie, een cementindustrie, alsmede het fabriekencomplex der N.V. Kon. Nederl.

Hoogovens en Staalfabrieken met vele nevenbedrijven, die (1952) een personeel van ca 6000 man in dienst hebben. De industrie van Beverwijk heeft nog aan belangrijkheid gewonnen, sedert de fabriek van spoorwegrijtuigen van de fa Beijnes in 1950 naar deze gemeente is overgebracht. Deze uitgroei op de hier tamelijk brede strook geestgronden heeft plaatsgehad gedeeltelijk ten koste van het natuurschoon, de vroegere buitens en vooral van de fijne tuinbouw en bollenteelt, die daardoor naar het N. verdreven worden. In dit gebied is Wijk aan Zee een badplaats met toenemende betekenis.

Het cultureel en economisch centrum van Noord-Kennemerland is Alkmaar. In deze streek zijn de overgang naar bollenteelt en fijne tuinbouw op de smalle stroken geestgrond, de opkomst der badplaatsen en het bieden van woongelegenheid voor beroepslozen en elders werkenden later begonnen dan in de beide ten Z. er van gelegen kuststreken. Sinds de baanvakken Amsterdam- en Haarlem-Uitgeest-Alkmaar in 1931 geëlectrificeerd werden en in het gehele Noorderkwartier op een zeer verbeterd stelsel van interlocale wegen een o.m. op Alkmaar gericht autobusnet tot stand kwam, is de ontwikkeling van Noord-Kennemerland aanmerkelijk versneld. Veel onderlinge samenhang vertoonde het sociaal-economisch leven in deze streek voordien nog niet, al was Alkmaar zonder twijfel het markt- en winkelcentrum. Na Wereldoorlog I kwam Noord-Kennemerland — gelijk reeds vroeger het Gooi en Zuid-Kennemerland — als recreatie- en woongebied voor de meer bevoorrechten in trek.

In Akersloot worden veehouderij en tuinbouw beoefend. Ook Castricum is een boeren- en tuindersgemeente. Bergen en Egmond aan Zee ontwikkelen zich tot badplaatsen. In Egmond-Binnen kwam in de afgelopen decennia bloembollenteelt tot ontwikkeling, o.m. als gevolg van opschuiving uit zuidelijker dorpen op de geestgronden, waar teelgronden in bouwterreinen veranderen. Lammen is een gemeente met vele meest kleine tuindersbedrijven en een aantal veehoudersbedrijven op voortdurend door wateroverlast bedreigde gronden. Uitgeest leeft van de tuinbouw, de van elders komende beoefenaren van de watersport, de melksuikerfabriek en enkele andere industriële bedrijven ter plaatse en voorts van de werkgelegenheid in de Zaanstreek en Beverwijk-Velsen.

Schoorl is in trek als woon- en vacantieoord voor middenstanders. De stad Alkmaar vormt overigens het krachtige middelpunt van een groter gebied dan alleen deze streek en herbergt enige industrie.

In West-Friesland, een streek met een vér in het verleden terugreikende historie, waarin de strijd tegen buiten- en binnenwater een grote rol speelt, vormen veehouderij en grove tuinbouw, die in sommige delen de veehouderij vrijwel geheel heeft verdrongen, alsmede op enkele plaatsen fruitteelt, de voornaamste middelen van bestaan; zuivelfabrieken en veilingen versterken sinds enige decennia de interlocale samenhang en samenwerking. Het vervoer geschiedt veelal te water. De ontsluiting door de aanleg van spoor- en tramwegen en later van moderne wegen, beide in het bijzonder ten dienste van het vervoer naar en van de zuivelfabrieken en de veilingen, heeft mogelijkheden geopend tot hernieuwde opbloei van het platteland èn van de steden. Ruilverkavelingen met overgang van water- naar landverkeer aan de ene kant en vestiging van industrie aan de andere kant kunnen deze nieuwe phase afsluiten. De natuurlijke verzorgingskernen zijn Hoorn voor het oostelijk deel en, het, juist buiten de streek gelegen, Alkmaar voor het westelijk deel. Schagen en Enkhuizen vormen economische middelpunten van kleinere orde.

Men kan in West-Friesland, op grond van de sociaal-economische structuur, drie delen onderscheiden. Het westelijk deel is op Alkmaar georiënteerd; de tuinbouw kwam er vroeg en krachtig tot ontwikkeling. Heerhugowaard, Langedijk en Schagen vormen hier de gemeenten met de grootste oppervlakte, de grootste inwonertallen en de meeste economische mogelijkheden. Winkel heeft zich ontwikkeld tot een secundair centrum tussen Schagen, Middenmeer en Spanbroek. Van belang is hier de vestiging van de zuivelfabriek te Lutjewinkel. Het midden van West-Friesland, dat in hoofdzaak op Hoorn (en Medemblik), maar in bepaalde opzichten toch ook op Alkmaar gericht is, omvat gemeenten met een veelal geringe oppervlakte en kleine inwonertallen.

De veehouderij heeft de overhand, al is er tuinbouw tot ontwikkeling gekomen. Avenhorn is geworden tot het centrum van een zelfstandig tuinbouwgebied van beperkte omvang, met eigen veiling en conservenfabriek. Ook Obdam vormt een zelfstandig tuinbouwgebied met eigen veiling. De zuivelfabriek te Opmeer is een der belangrijkste van West-Friesland. De aanleg en opbouw van de Wieringermeerpolder hebben een nieuwe phase in de ontwikkeling van Medemblik ingeluid, in welke, naast de tuinders en de grote instellingen, de verzorgende bedrijven ten behoeve van een vergroot gebied weer betekenis hebben gekregen. De uitvoering van de Wieringermeerwerken leidde voorts tot het inrichten van enig industrieterrein.

In oostelijk West-Friesland, waarvan Hoorn en Enkhuizen onbestreden de economische centra zijn, biedt de reeds vroeg tot ontwikkeling gekomen tuinbouw vrijwel geen verruiming van mogelijkheden meer. Zwaag vormt hier met Blokker de kern van het groeiende fruitteeltgebied De Bangert, met eigen veiling. De omgeving van Enkhuizen heeft zaadteelt.

De kop van Noord-Holland met Texel, het gebied gelegen ten N. van de Westfriese en Schoorlse zeedijken, bestaat overwegend uit polders, die omstreeks en na 1600 op de zee zijn veroverd. Deze streek is cultureel, sociaal en landschappelijk overwegend een kolonisatiegebied, waarvan de delen in zeer uiteenlopende stadia van ontwikkeling verkeren. De bevolking, voor het overgrote deel bestaande van veeteelt, akkerbouw en bloementeelt, woont zeer verspreid. Den Helder is er de enige stedelijke kern met een, buiten de streek en provincie reikende, marinefunctie. Deze plaats vormt dientengevolge welhaast een vreemd element in de streek; haar functie als verzorgend streekcentrum is niet bijzonder groot. Als zodanig betekenen Alkmaar en Schagen, beide buiten de streek gelegen, meer.

Langs de kust liggen enkele kleine badplaatsen (Huisduinen, Callantsoog en Petten). Ook op Texel vertoont het badplaatswezen neiging tot verdere ontplooiing.

Noordhollands Middengewest, het gebied gelegen ten Z. van West-Friesland en begrensd door het Noordhollands Kanaal aan de west- en zuidzijde en het IJselmeer in het O., werd drie eeuwen geleden van een plassen- en visserijgebied tot de streek van grote droogmakerijen met een statig landschap en een gelijkblijvende bevolking. De grote veehoudersbedrijven, vaak met eigen voederbouw in de Schermer, Beemster en Starnmeer, vormen thans economisch de grondslag der streek. In de Beemster, een polder van veehouders en akkerbouwers, speelt reeds heel lang op de kleinere kavels bij Purmerend groente- en fruitteelt een rol. De arbeidersbevolking en de middenstanders op het Schermereiland en in de Zeevang zijn economisch hecht verbonden met de grote boerenbedrijven in de droogmakerijen. In de Eilandspolder (d.i. het gebied van het Schermereiland) is voorts tuinbouw tot ontwikkeling gekomen. De veeboeren in die polder en in de Zeevang hebben op kleine bedrijven veelal een moeilijk bestaan.

De oude tweelingplaatsen Graft en De Rijp hebben slechts zwak ontwikkelde verzorgende functies, die nog worden beperkt door de grote aantrekkingskracht van Alkmaar en Purmerend, beide juist buiten de grenzen der streek gelegen. Het dorp Schermerhorn vormt een secundair centrum van beperkte betekenis in de Eilandspolder.

In de Zaanstreek boden de veehouderij en visserij in dit vlakke, wijde en waterrijke veengebied slechts beperkte mogelijkheden van bestaan. Dank zij de gunstige ligging nabij, maar los van Amsterdam en de kwaliteiten en levensopvatting der bevolking — zowel van ondernemers als van arbeiders — kwamen de hier reeds vroeg ontstane scheepvaart, handel en fabrieken krachtig tot ontwikkeling. Aanvankelijk waren zij, gekoppeld aan windmolens, verbreid over de gehele streek. Bij de overgang naar de stoomkracht als bron van energie en na de aanleg van het Noordzeekanaal concentreerde de bedrijvigheid zich meer dan te voren aan de oevers van de Zaan, die de beste toegangspoort vormde. Hoewel het inwonertal sterk toenam, bleven de samenleving en de nederzettingsvormen echter landelijke trekken behouden, welke ook nu nog niet geheel verdwenen zijn. Geleidelijk is de streek langs de Zaan tot een langgerekte eenheid gesmeed, die thans in een snel tempo verstedelijkt, en haar centrum eerder in de Zaan dan in een der bestaande gemeenten vindt.

Het primaire bedrijfsleven is in de verschillende Zaangemeenten zeer gedifferentieerd. De grootste betekenis heeft de voedings- en genotmiddelenindustrie. Belangrijk zijn verder de houthandel en de houtverwerkende industrie, de papierindustrie, chemische industrie, metaalnijverheid, scheepsbouw en groothandel. Wat betreft aantal en grootte van de primaire bedrijven, is Zaandam de belangrijkste gemeente. Wormerveer volgt in belangrijkheid onmiddellijk op Zaandam. Eerst dan volgen: Koog aan de Zaan, Krommenie, Zaandijk, Wormer en Westzaan.

Een meer agrarisch karakter hebben Assendelft en Jisp. Assendelft is een gemeente van veehouderij en, in het aan Krommenie grenzende deel, van industrie. Jisp heeft een landelijk karakter; naast veehouders wonen er industrie-arbeiders, die elders in de Zaanstreek werken.

Waterland, waartoe ook Marken wordt gerekend, is, evenals het Middengewest, in de eerste plaats een gebied van veeboeren, zowel wat het wijde, waterrijke veenland, dat hier de grootste oppervlakte beslaat, aangaat, als de droogmakerijen waarvan de Purmer en Wijdewormer de voornaamste zijn. De veehouderij heeft hier evenwel geheel de eigenaardige vorm van consumptiemelkbedrijven aangenomen. In de Purmer en de Wijdewormer komen enkele akkerbouw- en tuinbouwbedrijven voor. Landsmeer en Oostzaan zijn voorts centra van pluimveeteelt en eierhandel. De streek heeft een drietal kleine steden, waarvan Purmerend de grootste, door de markt ook ver buiten de streek reikende, betekenis heeft. De stadjes Edam en Monnikendam, beide veel kleiner dan Purmerend, zagen hun rol als verzorgingscentrum voor de omgeving sterk afbrokkelen; de industriële bedrijvigheid in deze steden, vanouds naast koophandel aanwezig, ontplooit zich hier de laatste decennia echter opnieuw.

Deze gang van zaken wordt, zo al niet veroorzaakt, dan toch bevorderd door de noodzaak voor de vissersbevolking in het sterk groeiende Volendam en op Marken om, ter wille van de afsluiting en gedeeltelijke drooglegging der Zuiderzee, een andere bron van bestaan te zoeken. Van het tot de gemeente Edam behorende Volendam uit wordt nog altijd enige visserij beoefend, maar de industrie ter plaatse en in Edam verschaft aan een toenemend aantal inwoners vooral van Volendam een beter bestaan. Ook het karakter van Marken heeft zich gedurende de laatste 20 jaar sterk gewijzigd. In 1931 waren er bijv. 290 Zuiderzee vissers, in 1950 nog slechts 12. De bevolking van Marken leeft thans vrijwel geheel van arbeid in Monnikendam en Amsterdam. Het gehele gebied van Waterland staat verder, vanouds en evenals het landelijk gebied ten W. en Z. van Amsterdam en de Vechtstreek, sterk onder de invloed van Amsterdam.

Amsterdam is een centrum van handel, geldwezen, scheepvaart, luchtvaart, kunsten en wetenschappen en een van de belangrijkste industriesteden van Nederland. Men ziet in Amsterdam en het gehele gebied langs het Noordzeekanaal industriële vestigingen, waarvoor de ligging aan diep water van zeer groot belang is (o.m. Fordfabriek, Superfosfaatfabriek, houtindustrieën aan de Houthaven).

De zuidelijke en westelijke omgeving van Amsterdam, reikende van Zuid-Kennemerland en het Noordzeekanaal tot de Vechtstreek, heeft in hoofdzaak een landelijk, voor een groot deel zelfs een plattelandskarakter. Droogmakerijen uit de 19de eeuw, met overwegend zuivere akkerbouwbedrijven, weinig geboomte en rommelige bebouwing, beslaan het grootste deel der landoppervlakte. Tuinbouw in vrijwel al zijn vormen en consumptiemelkbedrijven komen daarnaast op verscheidene plaatsen zowel in de droogmakerijen als op de resten van het oude veenland voor. De bevolking woont overwegend verspreid. De dorpen huisvesten echter, behalve landarbeiders en verzorgers, ook bijna alle een min of meer groot aantal forensen, die hun werk in Amsterdam hebben. Het luchtvaartterrein Schiphol, het Amsterdamse Bos en de Westeinderplassen vormen elementen in dit gebied, waarvan de betekenis ver boven die voor de streek uitgaat.

In het gebied van de Haarlemmermeer, dat nog voor een groot deel een landelijke indruk maakt, kwam het luchtvaartterrein Schiphol tot stand en tot grote uitbreiding, mede door de vestiging van het grootste deel van de Nederlandse vliegtuigindustrie aldaar. Op Schiphol waren in 1950 ca 7500 personen werkzaam. In Aalsmeer, het bloemencentrum van Europa, heeft de teelt van bloemen aan een steeds toenemend inwonertal direct of indirect een bestaan gegeven. Aalsmeer heeft thans (1951) meer dan 135 ha bloementeelt onder glas. Het aantal kwekerijen bedraagt 950. De omzet van de beide Aalsmeerse veilingen samen bedroeg over 1950 bijna 20,9 millioen gulden, hetgeen neer komt op ongeveer de helft van de totale omzet van alle bloemenveilingen in Nederland.

In Ouder-Amstel kan men twee betrekkelijk zelfstandige delen onderscheiden: Ouderkerk (plattelandsgedeelte) met veehouderij, en Duivendrecht (stadsgedeelte) met een vrij belangrijke industrie (asfaltfabriek, verffabriek, e.a.). De gemeente Uithoorn, hoewel nog een behoorlijk aantal veehouders en land- en tuinbouwbedrijven tellend, is in haar hoofdmiddel van bestaan thans toch minder afhankelijk van haar agrarische bestemming, dan wel van de belangrijke industrie, die zich ter plaatse gestadig uitbreidt. Van belang is het aldaar gevestigde teerbedrijf met zijn hypermoderne destillatie-inrichting, welke tot voor kort enig in Europa was en een geheel nieuw procédé van destilleren mogelijk maakt. Uithoorn heeft verder een kunstzijde- en meubelfabriek met export over alle delen van de wereld, een groenten- en vleesconservenfabriek en een wekelijkse kaasmarkt.

De Vechtstreek is een landelijk gebied met schilderachtige wateren en mooie natuurlijke of door vervening ontstane plassen, waarvan alleen de Horstermeer is drooggelegd. In de veenpolders treft men consumptiemelkbedrijven aan. In de Horstermeer en bij de plassen komt tuinbouw voor. Langs de Vecht (Nederhorst-den Berg) en de ’s-Gravelandsche vaart, in het Zuidoosten der streek, staat een groot aantal wasserijen. In de omgeving van’s-Graveland, tussen de plassen en de nog behouden buitenplaatsen, vestigden zich forensen e.a., die in hoofdzaak op Hilversum georiënteerd zijn. De Vechtsteden Weesp en Muiden, beide voormalige centra van scheepvaart en handel, met een slechts zeer beperkte verzorgende functie voor de omgeving, herbergen enige industrieën (cacao en chocolade, ontplofbare stoffen, wasserijen enz.). Het landschapsschoon trekt vele bezoekers (Muiderberg, ’s-Graveland).

Het heuvelachtige Gooi, met zijn hoge heide- en bosgronden, is een dichtbevolkt woongebied met verscheidene industriecentra (Hilversum, Huizen en Bussum) en een recreatie-oord voor Amsterdam (z Het Gooi).

Verkeer

Voor de scheepvaart wordt in deze provincie deels gebruik gemaakt van reeds lang bestaande boezemwateren, deels van sedert de 17de eeuw speciaal daartoe gegraven vaarten en kanalen, zoals: de trekvaart van Amsterdam naar Haarlem (1631), de Weespertrekvaart (1638), de ’s-Gravelandschevaart (1638), de Muidertrekvaart (1640), de Naardertrekvaart (1640), de trekvaart van Haarlem naar Leiden (in 1656 aangelegd „tot gerief ende commoditeyt van den reysende man”), de trekvaart van Amsterdam naar Monnikendam en Edam (1660). In 1934 begon de provincie Noord-Holland met de aanleg van het Hilversumsch Kanaal (van Hilversum naar de Vecht), dat in 1936 gereedkwam en in 1938 aan de gemeente Hilversum werd overgedragen. Van een door de provincie geprojecteerd kanalenplan voor West-Friesland kwamen de kanalen Stolpen-Schagen (1936), Schagen-Kolhorn (1936), Omval-Huigendijk-Oudkarspel-Kolhorn (1941), alsmede het zijkanaal Huigendijk-Alkmaar (1941) gereed. Tot in het begin van de 19de eeuw konden de schepen uit de Noordzee Amsterdam slechts bereiken via de Zuiderzee, langs een route van ca 150 km. Een belangrijke verbetering kwam tot stand met de aanleg van het Noordhollandsch kanaal (1819-1825), waardoor de verbinding van Amsterdam met de Noordzee werd bekort tot ca 80 km. De moeilijkheden werden echter pas opgelost met de aanleg van het Noordzeekanaal (1865-1876), waardoor Amsterdam een rechtstreekse verbinding kreeg met de Noordzee.

Het verkeer te water van Amsterdam uit naar de noordelijke en oostelijke provincies wordt over het IJselmeer onderhouden, terwijl de verbinding met de Rijn, gevormd door het Merwedekanaal (1892), door de openstelling van het nieuwe Amsterdam-Rijnkanaal (1952) zeer is verbeterd. De afstand Amsterdam-Tiel is hierdoor teruggebracht van ca 113 km tot 72 km.

De oudste wegen in Noord-Holland hebben zich nauw aan het verloop der dijken aangesloten en zijn allengs met een net van polderwegen uitgebreid. Daarnaast heeft reeds vroeg wegverkeer langs de binnenzijde der duinen plaatsgehad.

Een van de eerst bestrate wegen in Noord-Holland is die tussen Hoorn en Enkhuizen (1671). Ca een eeuw later werd de weg Amsterdam-Haarlem bestraat (1762-1767) en eerst in de Franse tijd kwam een doorgaande en verharde wegverbinding tussen Amsterdam-Haarlem-’s-Gravenhage-Rotterdam tot stand. In de eerste helft van de 19de eeuw (ca 1825) is eindelijk een net van verharde hoofdverbindingen tussen verschillende delen van Nederland tot stand gekomen. De snelle ontwikkeling van het autoverkeer in de 20ste eeuw heeft niet alleen de totstandkoming van een geheel gemoderniseerd wegennet nodig gemaakt, maar is er tevens de oorzaak van geweest, dat het sedert 1880 in Noord-Holland tot ontwikkeling gekomen net van tramwegen thans weer vrijwel geheel is verdwenen. Sedert de aanleg van de eerste spoorweg in ons land, van Amsterdam naar Haarlem in 1839, is Amsterdam voor het spoorwegverkeer geworden tot een middelpunt, vanwaar vele internationale verbindingen uitgaan. Daarnaast beschikt Amsterdam niet alleen over een uitmuntende verbinding met de zee en een luchthaven van internationale vermaardheid (Schiphol), maar tevens over uitstekende verbindingen met het gehele achterland, die onderhouden worden door een dicht net van vrachtauto- en spoorweglijnen en een uitgebreid net van beurtvaartdiensten.

Bestuur

De hoofdstad van de provincie Noord-Holland is Haarlem. Het provinciaal bestuur, bestaande uit de vergadering der Staten (77 leden) en een college van Gedeputeerde Staten (6 leden), beide onder voorzitterschap van de Commissaris der Koningin, is gezeteld in het Paviljoen Welgelegen, een monumentaal gebouw, dat in de jaren 1785-1788 gesticht is, van 1808-1810 gediend heeft als paleis voor Lodewijk Napoleon en van 1814-1820 als woning voor prinses Wilhelmina, weduwe van prins Willem V.

Naast de uitvoering van de wettelijke opgelegde taak heeft het provinciaal bestuur van NoordHolland bovendien nog het beheer over een drietal ziekenhuizen voor de verpleging van geesteszieken, alsmede over een tweetal bedrijven, die vrijwel de gehele provincie voorzien van electrische energie en goed drinkwater. Voor de rechtspraak ressorteert de provincie onder het gerechtshof te Amsterdam; in de provincie zijn 3 arrondisse mentsrechtbanken (te Amsterdam, Alkmaar en Haarlem) en 7 kantongerechten (te Amsterdam, Hilversum, Alkmaar, Hoorn, Den Helder, Haarlem en Zaandam).

Geschiedenis

Het gebied van de tegenwoordige provincie Noord-Holland is, behoudens enkele wijzigingen in de grens met Utrecht, gevormd uit het noordelijk gedeelte van het voormalige gewest Holland, zoals dat tot 1795 heeft bestaan. Het territorium Holland, dat als juridisch-administratieve eenheid eerst ca 1100 tot stand kwam, strekte zich in het noordelijk deel toen nog weinig verder dan Kennemerland uit. Vooral door de krachtige bestuurspolitiek van Floris V, in de tweede helft der 13de eeuw, heeft het graafschap zich naar alle kanten belangrijk uitgebreid. Het noordelijk deel van Holland werd achtereenvolgens vergroot met Gooiland (1280), Waterland en de Zeevang (1282), Wieringen (1284), West-Friesland en Texel (1289), Amstelland (1297), Muiden en Weesp (kort na 1300). Holland, dat tot 1795 als gewest deel uitmaakte van de Republiek der 7 Verenigde Nederlanden, en dat in de grafelijke tijd nog in zijn geheel onder één bestuur stond, was reeds in het laatst der 16de eeuw gesplitst in twee delen, die, behoudens het oppergezag der Staten van dit gewest, tot op zekere hoogte hun eigen bestuur en zelfstandigheid hadden verkregen. Het eerst werd een afzonderlijk bestuur gevormd voor het Noorderkwartier, het gebied van Holland ten N. van het IJ, Velsen daaronder begrepen.

De aanleiding daartoe was gelegen in de afsnijding van dit deel van het overige Holland, doordat Haarlem in 1573 door de Spanjaarden was ingenomen en Amsterdam de Spaanse zijde had gekozen. Niet lang nadat dit deel van Holland zijn permanente college van gedeputeerden, „de Gecommitteerde Raden van WestFriesland en het Noorderkwartier”, had gekregen, werd ook voor het Zuiderkwartier een dergelijk college ingesteld. Aldus was in het bestuur van Holland een scheiding tot stand gekomen, die eerst bij de Grondwet van 1840 volledig doorgevoerd zou worden. Hoewel in de Grondwet van 1814 nog sprake was van de provincie Holland als één geheel, werd dit gewest, blijkbaar in aansluiting op de vóór 1791 bestaande splitsing in een Zuider- en Noorderkwartier, administratief direct weer in twee delen gescheiden. Holland kreeg nu één Statenvergadering, maar twee colleges van Gedeputeerde Staten en twee Gouverneurs. Als grensscheiding tussen Zuid- en Noord-Holland (zo werden de beide delen meteen genoemd) bleef de bij de wet van 13 Apr. 1807 tussen de departementen Amstelland en Maasland vastgestelde grenslijn gehandhaafd.

Aan deze tweeslachtige toestand, waarbij Z.- en N.-Holland slechts voor de vergaderingen van de Prov. Staten als één geheel werden beschouwd, maar in alle andere opzichten als afzonderlijke provincies optraden, is bij de grondwetswijziging van 1840 een einde gemaakt, doordat Holland definitief in twee afzonderlijke provincies gesplitst werd.

Lit.: A. Loosjes, N. in beeld (Amsterdam 1930); D. Kooiman, Zeeweringen en waterschappen v. N., 3de uitg. (1936); Beschr. v. d. prov. N. beh. bij de Waterstaatskaart (’s-Gravenhage 1951); G. Karsten, N.’se plaatsnamen (Amsterdam 1951); M.

A. Verkade, De opkomst v. d. Zaanstreek: de ontwikkeling v. Holland benoorden het Y, diss. Groningen (1952).