Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

MYTHOLOGIE

betekenis & definitie

noemt men

1. het geheel der mythen van een bepaald volk of een bepaalde godsdienst; zo spreekt men van de Griekse, de Babylonische, de Germaanse mythologie;
2. de wetenschap, die zich met de studie der mythen, haar oorsprong, traditie en betekenis bezighoudt.

Lit.: Griekse en Rom. mythologie: Ausführl. Lexikon der griech. u. röm. Mythologie, hrsg. v. W. H. Roscher, 6 dln en 4 suppl. (1884-1937); L.

Preller-H. Jordan, Römische Mythologie, 2 dln (1881—83); L. Preller-C. Robert, Griech. Mythologie, 2 dln, 4de dr. (1887-1926); O. Gruppe, Griechische Mythologie u.

Religionsgeschichte, 2 dln (1906), Handbuch der Altert, wiss. V, 2; later vervangen door: N. P. Nilsson, Gesch. der griech. Religion, 2 dln (1940-41); E. B.

Koster, Mythologisch woordenboek (1930); P. Lavedan, Dictionn. ill. de la mythologie et des ant. grecques et romaines (1931, beknopt); H. J. Rose, Handbook of Greek Mythology, 2de dr. (1933); S. J. Suys-Reitsma, Helleense mythos (1951).

Germaanse mythologie: Jak. Grimm, Deutsche Mythologie, 3 dln, 4de dr. (1875—78); E. Mogk, Germanische Religiongesch. u. Mythologie, 3de dr. (1927); G. Dumézil, Mvthes et dieux des Germains (1939) ;H. Schneider, Die Götter der Germanen (1938); J. de Vries, De goden der Germanen (1944)

ICONOGRAFISCH.

Waar de vroeg-Christelijke kunst vrijwel in haar geheel op de laat-antieke gebaseerd is, ligt het voor de hand dat zij allerlei mythologische gegevens benut, al dan niet met een symbolische bijbetekenis, zoals bijv. het Orpheus-motief. Maar ook in de Middeleeuwen blijven aan de Oudheid ontleende mythologische elementen in sterk eigentijdse vorm hun leven rekken. Hun voortbestaan wordt verklaard, doordat zij ook in de toenmalige literatuur een rol spelen. Dit is bijv. het geval met Apollo, die in Hrabanus Maurus’ De Universo als de jeugdige zonnegod en overwinnaar van de Python, maar tevens als ziener en genezer optreedt. Dezelfde karaktertrekken kreeg hij ook op de miniaturen van de vroege en latere Middeleeuwen. Daarnaast komen ook Amor en Bacchus voor, terwijl van de secundaire figuren der mythologie de Sirenen het beeld zijn van de sexuele bekoringen en de tweeslachtige Centaur dat van de ketter.

Het spreekt vanzelf, dat het i6de-eeuwse humanisme de gehele mythologie van het heidendom in symbolische of allegorische zin met de ideologie van het Christendom in verband trachtte te brengen, maar toch was de neerslag daarvan, althans aanvankelijk, meer in de literatuur dan in de beeldende kunsten te bespeuren. Men gaat echter weldra weer mythologische figuren en gegevens als zodanig, zonder Christelijke bijbedoelingen, uitbeelden. Dit gebeurde, in Frankrijk en Italië meer dan in Nederland, tot in de 19de eeuw toe. In onze dagen worden zij in mindere mate benut.

Lit.: R. van Marie, Iconographie de l’art profane au Moyen âge et à la Renaissance, I-II (’s Gravenhage i93i-32); Pierre Grimai, Dictionnaire de la Mythologie grecque et romaine (1952).