is de naam van een vereniging die op 18 Juli 1766 te Leiden is opgericht met het doel „de opbouw en de uitbreiding der Nederlandsche taelkunde, dichtkunst, welsprekendheid, oudheid- en historiekunde te bevorderen en als rechtspersoon werd erkend bij octrooi van de Staten van Holland en West-Frieslandd.d. 20 Mei 1775. De elf oprichters waren leden van het Leidse literaire studentengezelschap „Minima crescunt” en enige buitenstaanders.
Al spoedig telde de vereniging 50 leden, welk aantal tegen het einde van de 18de eeuw tot ca 150 steeg. Van de oprichting af organiseerde de maatschappij maandvergaderingen, waarop een der leden een voordracht hield, en een jaarvergadering, waarop o.a. nieuwe leden werden gekozen. Na de omwenteling van !795 trad een periode van stilstand in, doch na 1803 begon een herleving, die zich met name voortzette onder het veeljarig voorzitterschap van M. Siegenbeek (1825-1847). Na diens aftreden veranderde het tot dusverre dilettantische karakter van de maatschappij en werd het wetenschappelijk onderzoek van taal, letteren en geschiedenis als doel gesteld: dit bewijzen de namen van Matthijs de Vries, R. J.
Fruin en J. Verdam, die op het einde der 19de eeuw en in het begin der 20ste eeuw herhaaldelijk deel van het bestuur hebben uitgemaakt. Uit die tijd dateren o.a. een reeks wetenschappelijke uitgaven van Middelnederlandse werken; verder gaf de maatschappij sedert 1881 haar medewerking tot de uitgave van het Tijdschrift voor Ned. taal- en letterkunde. Later geraakte echter door de financiële toestand der maatschappij de publicatie van eigen uitgaven meer op de achtergrond. In 1921 werd de zgn. Meesterschapsprijs van ƒ 1000.— ingesteld, uit te keren om de 3 jaar (sinds 1935 om de 5 jaar) aan de schrijver van het beste werk op het gebied der schone letteren, Nederlandse philologie of geschied- en oudheidkunde. Daarnaast werd door particulier initiatief de Lucie B. en C.W. van der Hoogtprijs van ƒ 1000.— ingesteld ter aanmoediging van jonge talenten en elk jaar uit te keren, benevens de dr C.
J. Wijnaendts Franckenprijs van f 500.— ter bekroning van werken op het gebied van het literaire essay en de critiek, biografie en cultuurgeschiedenis en om de twee jaar uit te keren. In het bijzonder gaf de toekenning van de Van der Hoogtprijs tot critiek aanleiding.Waren vroeger de wetenschappelijke werkers als taalgeleerden, historici e.d. onder de leden verre in de meerderheid (volgens de traditie is nl. „letterkunde” in de naam van de maatschappij niet identiek met „belletrie”), in de laatste tijd zijn vele letterkundigen, ook jongere, toegetreden; het ledental bedraagt thans ca 1000. In 1947 werden afdelingen opgericht voor de noordelijke en de zuidelijke gewesten.
De hoogst belangrijke bibliotheek van de maatschappij is sinds 1877 ondergebracht in de Leidse Universiteitsbibliotheek; zij bevat een groot aantal manuscripten, o.a. de hss. van Jac. van Lennep en mevr. Bosboom-Toussaint, het Museum Catsianum, de collectie B. Huydekoper, de collectie-Boekenoogen enz.
Uitg.: Handelingen 1766-1799, 1803 tot thans, doch sinds 1864 onder de naam: Handelingen en mededeelingen, en sinds 1936 als: Jaarboek; De levensberichten der afgestorven medeleden zijn 1823-1847 in de toespraken van de voorzitters te vinden, 1848-1863 achter de Handelingen gedrukt, 1864-1916 afzonderlijk uitgegeven en sindsdien in de Handelingen en Jaarboeken opgenomen. Verder: Werken, 7 dln (1772-’88), Verhandelingen, 3 dln (1806-’24), Nieuwe werken, 6 dln (1824-44), Nieuwe reeks van werken, 10 dln (1846-57).
Lit.: Gedenkschrift v. h. eeuwfeest v. d. Mij der Ned. lett. te Leiden (Leiden 1867); P. J. Blok, De gesch. v. d. oorsprong onzer Mij, in: Handelingen en mededeelingen (1895-96); A. A. v. Rijnbach, in: Bibliotheekleven XIX (1934); J. de Vries, De Mij der Ned. lett. te Leiden.
Gesch. en werkzaamheid (1939). Voor de bibliotheek: Cat. der bibl. v. d. Mij der Ned. lett., 3 dln M886-’89).