Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-01-2023

KOEPEL

betekenis & definitie

noemt men in het algemeen een bouwkundige constructie welke dient om de ruimte op een ronde of regelmatig veelhoekige plattegrond te overdekken door een halve bol of een gedeelte daarvan (bolsegment). Uit een bouwkundig-statisch oogpunt stelt de bouw van koepels de allerhoogste eisen aan het practisch inzicht en het vernuft der bouwmeesters.

Het kernprobleem is hierbij steeds de zijdelings gerichte krachten van de constructie een doelmatig tegenwicht te geven. Reeds de Romeinen waren hierin meesters, zoals blijkt uit het klassieke voorbeeld van het Pantheon te Rome met een middellijn van 43 m inwendig. Het aantal varianten op de mathematische bolvorm is schier eindeloos en vooral in de bouwkunst van Byzantium, Perzië, de Mohammedaanse landen zijn hiervan prachtige voorbeelden te vinden. Tijdens de Middeleeuwen werd de eigenlijke koepelvorm in het Westen betrekkelijk weinig toegepast. Een herleving van deze techniek vond plaats met de intrede van de Renaissance toen de Italiaan Brunelleschi de koepel ontwierp (of althans tot uitvoering bracht) van de domkerk te Florence (1420). Deze koepelvorm verving eigenlijk de veelhoekige torenopbouw welke in de Romaanse tijd gebruikelijk was op de kruising van middenschip en dwarspand (vieringtoren). Zowel constructief als aesthetisch toont deze koepelbouw dan ook de kenmerken van twee bouwkunstige perioden. Het belang van deze constructie schuilt in het feit dat men er in geslaagd was om de zijdelingse krachten van de koepel op te vangen zonder gebruik te maken van de uitwendig zichtbare luchtbogen en contraforten die zo kenmerkend zijn voor de Gothische bouwkunst. Men bereikte dit door aan de voet van de koepel, die in doorsnede nog de spitsboogvorm vertoont, zware ijzeren ankers in te werken. De koepelbouw culmineerde bij de St Pieter te Rome, waarvan Michelangelo de oorspronkelijke plannen omwerkte en de koepel geheel zelfstandig ontwierp. Gedurende de gehele 17de en 18de eeuw werd de koepel voor talloze bouwwerken niet alleen een constructief begeerlijke wijze van overdekking maar tevens het symbool van kerkelijke of wereldlijke macht. In de 19de en de eerste helft der 20ste eeuw was de vorm der koepels gewoonlijk niet anders dan een nabootsing van historische voorbeelden.De bepaalde tendenties in de moderne Katholieke kerkbouw hebben echter de traditie zowel van de koepel- als de daarmede samenhangende boog- en gewelfbouw zeer levendig gehouden. De moderne techniek maakt het mogelijk om koepels te construeren van een enorme overspanning (40-60 m) bij een dikte van 6-8 cm; voor de berekening hiervan is de hulp der hogere wiskunde onontbeerlijk geworden, terwijl de oude koepelbouwers slechts op hun constructief gevoel en inzicht konden steunen. Vermeldenswaardig is de herleving van een eeuwenoude techniek in een moderne gedaante, waarbij de constructie van de koepel bestaat uit speciaal daarvoor gebakken aarden kruiken zonder bodem. Deze kruiken worden in elkander geschoven en in een betonbedding gelegd waardoor een zeer solide en tevens lichte constructie wordt verkregen. Reeds de Byzantijnse koepels werden op deze wijze samengesteld.

J. J. VRIEND

Lit.: H. J. W. Thunnissen, Gewelven, hun constructie en toepassing in de historische en hedendaagse bouwkunst (1950).