Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-01-2023

Klooster

betekenis & definitie

(bouwkundig; Lat. van claustrum, afsluiting) is de woonplaats van kloosterlingen of religieuzen. „Het klooster moet zo gebouwd zijn,” schrijft de H. Benedictus (gest. 547) in het 66ste hoofdstuk van zijn regel, „dat de monniken er al het nodige kunnen vinden: het water, de molen, de tuin, de verschillende ambachten; want het is voor hun ziel niet goed dat zij buiten rondlopen.” Dit voorschrift werd in de Middeleeuwen zo streng mogelijk toegepast, niet alleen door de volgelingen van de patriarch der Westerse monniken, maar ook door de reguliere kanunniken en kanunnikessen.

Het grondplan vertoonde een kwadraat van gebouwen, soms enige malen herhaald, met een binnenhof en een bron of put in het midden (z abdij). Er werd natuurlijk gebouwd volgens de overheersende stijl, feitelijk volgens een type, waarvan slechts in bijzondere gevallen (bijv. terreinmoeilijkheden) werd afgeweken. Werkend volgens dit gemeenschappelijk uitgangspunt wist iedere orde daarin toch een eigen differentiatie te brengen. Eerst in de Barok tijd werd die bouwtraditie door de oude kloosterorden meer en meer opgegeven om eindelijk in de 19de eeuw weer te worden gevolgd, eerst in de zgn. Neo-Gothiek, hier en daar reeds met treffende originaliteit. De ruïnes van Orval en Villers zijn blijvende getuigen van de oude bouwtrant. De Bedelorden hebben deze middeleeuwse bouw van het begin af overgenomen, al bouwden zij aanvankelijk in bescheiden vorm. Zo bepaalde de constitutie der Predikbroeders van 1228, dat de kloostergebouwen onaanzienlijk en nederig moesten zijn, zodat de muren zonder de bovenverdieping niet hoger dan 12 voet en met de bovenverdieping niet hoger dan 20 voet mochten zijn. De kerken mochten een hoogte van 30 voet hebben, niet gewelfd zijn, tenzij boven het koor en de sacristie. Reeds spoedig echter week men van deze eenvoudige bouwtrant af, gelijk hun kloosters in Italië, Spanje en elders duidelijk tonen. Deze middeleeuwse bouwtrant vindt men bijv. in Nederland terug in het St Thomasklooster der Dominicanen te Zwolle en dat der Minderbroeders in Venray. Het St Albertusklooster der Dominicanen te Nijmegen is zeshoekig. De Jezuïeten en de overige kloosterorden en Congregaties van de latere tijd hebben met deze bouwtrant gebroken.

Lit.: J. v. Schlosser, Abendland. Klosteranlage des frühen M.A. (1899); P. Schippers, Das deutsche Kloster (1934); L. H. Cottineau, Répertoire topo-bibliographique des abbayes et prieurés (Macon 1935).