Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 04-07-2022

Katachtigen

betekenis & definitie

(Felidae) is de naam van de familie der roofdieren (Carnivora), die het sterkst het roofdierkarakter vertoont. Het zijn slanke dieren met ronde kop en korte snuit, die in grootte, habitus en haarkleed nogal uiteenlopen.

Van de andere roofdieren verschillen ze vooral door het gebit en de poten. Het gebit heeft kleine snijtanden, grote, iets gebogen, scherpe hoektanden en een gereduceerd aantal kiezen met spitse punten. In elke kaakhelft bevindt zich slechts één ware kies; de bovenkaak heeft aan elke kant drie, de onderkaak twee valse kiezen. De ware kies in de bovenkaak is klein en knobbelig. De derde valse kies in de bovenkaak en de ware kies in de onderkaak, die tegenover elkaar staan, zijn groot en voorzien van scherpe randen; ze worden ten onrechte scheurkiezen genoemd. Het zijn echter, evenals de andere kiezen, knipkiezen.

De onderkaak valt binnen de bovenkaak, waardoor de kaken als bladen van een schaar werken. Het gebit is volstrekt ongeschikt om te kauwen. De afgeknipte stukken van de prooi —die vnl. uit grote en kleine zoogdieren en vogels bestaat — worden in hun geheel ingeslikt. De snijtanden worden gebruikt om de pels te reinigen en beenderen af te kluiven; de hoektanden dienen om de prooi vast te houden en stukken vlees af te scheuren. Vleesresten worden met de ruwe tong van de botten geraspt. De spieren die de onderkaak tegen de bovenkaak aan trekken zijn krachtig ontwikkeld; in verband daarmede vertoont de schedel wijd uitstaande jukbogen, een beenkam op het achterhoofd en een diepe holte in de onderkaak.

Het darmkanaal is, zoals bij de meeste vleeseters, kort (3-5 maal de lichaamslengte). De poten zijn vrij kort, dik en onderaan rond, de voorpoten met vijf, de achterpoten met vier tenen. De zachte zoolkussens stellen de katachtigen in staat zich vrijwel geruisloos voort te bewegen. De sikkelvormige klauwen worden bij de meeste soorten in rust door een elastische band opgetrokken in een door de huid gevormd zakje, waardoor zij bij het gaan tegen slijtage worden beschermd. Bij het uitslaan worden de klauwen door spieren naar beneden getrokken. De zintuigen zijn zeer goed ontwikkeld.

Dank zij een licht-terugkaatsende laag achter het netvlies kunnen de katachtigen ook in het schemerdonker goed zien. De grote soorten hebben ronde, de kleinere spleetvormige pupillen. De tastzin zetelt vooral in de snorharen, de haren boven de ogen en aan de binnenkant van de voorpoten. Katachtigen zijn zeer lenige dieren; de wervelkolom is zeer buigzaam. De gehele lichaamsbouw is die van een springer. De katachtigen beloeren en besluipen hun prooi en springen deze gewoonlijk op de nek.

Op enkele uitzonderingen na zijn het nachtdieren, die zelden in troepen leven. Zij worden in alle werelddelen aangetroffen, behalve in het Australische gebied en op Madagascar. Het haarkleed is meestal gevlekt of gestreept; bij de eenkleurige soorten wordt het soms voorafgegaan door een gevlekt jeugdkleed (leeuw, poema). Bij vele soorten (vaak bij panter en jagoear, zelden bij de tijger) komen volkomen zwarte exemplaren voor; de vlekken blijven dan meestal toch wel zichtbaar. Witte en lichtgekleurde exemplaren zijn veel zeldzamer. Bij dejagoearondi (Herpailurus yaguarondï) uit Zuiden Midden-Amerika en enkele andere effen rood gekleurde soorten komt ook een grijze phase voor, die vroeger als een aparte soort werd beschouwd.

Fossiele overblijfselen van Felidae zijn bekend van het Oligoceen af. Een gebruikelijke indeling van de recente soorten is die in drie onderfamilies.I. Bij de Felinae, over het algemeen kleine soorten, is het tongbeen door een reeks beenstukjes met de schedel verbonden. Hiertoe behoren in de eerste plaats de soorten van het geslacht kat (Felis), waarvan de huiskat (Felis catus) de bekendste soort is (z kat). De voornaamste stamvorm hiervan is waarschijnlijk de gele kat (Felis ocreata) uit Afrika en Syrië. De pels van deze soort is geelachtig grijs met onduidelijke vlekken op nek en rug. Het dier wordt hier en daar in Afrika als huisdier gehouden. De Aziatische steppenkat (Felis manui), die in de bergen van Midden-Azië leeft, kan als stamvorm van de Europese en Afrikaanse katten buiten beschouwing blijven. Hetzelfde geldt voor de Europese wilde kat (Felis silvestris), die vroeger geheel Europa, behalve het hoge N., bewoonde, en thans nog wordt aangetroffen in de bossen van Midden- en Zuid-Europa en Klein-Azië. Zij gelijkt in kleur en tekening wel op de Cyperse kat, maar onderscheidt zich daarvan o.a. door een lichtgele keelvlek, het ontbreken van een punt aan de zwartgeringde, dichtbehaarde staart en de wat grotere afmetingen. In de Indische archipel komen vrij veel verwilderde huiskatten voor. Felis megalotis van Timor en Rotti moet echter als een zuiver wilde soort worden beschouwd. De moeraslos (Felis chaus) doet aan de lynx denken. Het is een slanke, geelgrijze kat met kleine, zwarte oorkwastjes, die algemeen voorkomt in moerassige bossen in N.O.-Afrika en West-Azië tot in Indië en Indo-China.

De groep der lynxen onderscheidt zich door een korte staart, pluimpjes op de vrij lange oren, bakkebaarden en vrij hoge poten. Het zijn zeer roofzuchtige dieren, die gewoonlijk in dichte bossen, maar ook wel in open terrein leven. In Europa kennen we twee soorten. De gewone lynx of los (Lynx lynx), vroeger in alle bossen van Europa tot in de Alpen en de Pyreneeën, komt thans alleen in Skandinavië, Finland, Rusland en de Balkan voor. Hij heeft een roodachtig grijze pels met bruine vlekken, grijze oren met zwarte pluimen, een zwarte staartpunt en vier golvende strepen over de rug. De lichaamslengte bedraagt 0,8 m, waarbij nog 15-20 cm voor de staart komt.

De prooi bestaat uit grote en kleine zoogdieren en vogels. De 2-3 jongen worden in Mei-Juni geboren. De Spaanse lynx (L. pardellus), van het Iberische schiereiland, is wat minder fors en dichter gevlekt. In Amerika komen o.a. voor de Canadese lynx (L. canadensis' en de rode lynx (L. rufus), gezocht om hun pels. De k ara kal (Caracal caracal), een wat kleinere soort, bewoont de savannen en woestijnen van Afrika, West-Azië en Indië. Het is een slank, snel en actief roofdier, geelachtig rood van kleur met zwarte kwastjes op de oren; hij wordt in Azië afgericht op de jacht.

De boskat of serval (Leptailurus serval), 1 m lang, is een langbenige soort met grote oren, die aan het water gelegen bosachtige gebieden in Afrika bewoont. De oranjegele rug vertoont overlangse rijen grote, zwarte vlekken. De kop is lichter geel. De nevelpanter (Neofelisnebulosa) van Z.O.Azië, Formosa, Sumatra en Borneo is ongeveer even groot. Het is een boomdier, lichtgrijs met grote, donkergerande hoekige vlekken op de zijden, korte poten en opvallend lange hoektanden in de bovenkaak. In de mangrovebossen langs de kust van Java leeft de vis- of mangrovekat (Prionailurus viverrinus). Hieraan is verwant de dwergkat of koetjing oetan (P. bengalensis), iets kleiner dan de huiskat, maar met langere poten, die in Azië zeer algemeen is en in de Indische archipel in drie rassen voorkomt (op Sumatra en Nias; op Borneo; op Java en Bali).

De kleur is gewoonlijk geelachtig grijs met donkerbruine vlekken en strepen. Op het vasteland van Z.O.Azië, Borneo en Sumatra wordt de marmerkat (Pardofelis marmorata) gevonden, een kleine soort, die in kleurpatroon op de nevelpanter gelijkt. Ongevlekte soorten uit de Indische archipel zijn: Badiofelis badia, een zeldzaam dier, dat alleen op Borneo voorkomt, Profelis temminckii, de goudkat, met rode vacht, uit Z.O.-Azië, Sumatra en Borneo (die in P. aurata uit de Afrikaanse bossen een verwante soort heeft) en de bruingrijze Ictailurus planiceps, die wat op een marter gelijkt.

De ocelot of pardelkat (Leopardus pardalis) is een fraaie bosbewoner uit Midden- en Zuid-Amerika. De vacht is roodachtig geelgrijs, met grote donkergerande vlekken, die in overlangse rijen staan en voor op de rug tot brede banden zijn versmolten. Het dier, dat bijna i m lang wordt, voedt zich met kleine zoogdieren, vogels en eieren. In Zuid-Amerika leeft bovendien nog de tijger kat (Margay tigrina), een kleinere soort, lichtgeel met donkere vlekken en strepen. De grootste soort van deze onderfamilie is wel de poema, ook wel koegoear of Amerikaanse leeuw (Puma concolor) geheten. De afmeting van dit dier is variabel bij de onderscheidene rassen (maximaal 1,6 m), evenals de kleur, die geelrood, grijs of bruin met een paarsachtige tint kan zijn.

Het volwassen dier is ongevlekt, de jongen zijn overlangs gevlekt. Er worden twee jongen geworpen. De poema komt voor in geheel Zuid- en CentraalAmerika en in het W. van Noord-Amerika. Het dier jaagt ook overdag, zowel in bosachtige streken als in grasvlakten.

II. De Pantherinae onderscheiden zich van de vorige doordat een der beenstukjes van het tongbeen vervangen is door een elastische band, die grotere bewegingen van het tongbeen toelaat. Waarschijnlijk houdt hiermede verband, dat zij de enige katachtigen zijn, die kunnen brullen. Tot deze onderfamilie behoren de leeuw, de tijger, de panter, de jagoear en de sneeuwpanter, dus vooral de grotere soorten katten.

De aan de panter verwante sneeuwpanter of irbis (Uncia uncia) wordt uitsluitend aangetroffen in de bergketens van Midden-Azië. Hij is ongeveer zo groot als de panter, waarvan hij zich onderscheidt door een gedrongen schedelbouw en een dikke staart. De dikke pels is geelgrijs met zwarte vlekken. Het dier leeft op grote hoogte, ’s winters wat lager (3000-2000 m).

III. De jachtluipaarden (Acinonychinae) komen in de bouw van het tongbeen met de Felinae overeen. Schijnbaar kunnen de klauwen niet geheel opgetrokken worden; dit geschiedt echter wel, alleen zijn de zakjes, waarin ze na het optrekken bij de katten worden opgeborgen, bij de jachtluipaarden niet ontwikkeld. Men onderscheidt tegenwoordig maar één soort, Acinonyx jubatus, ook wel gepard of cheetah genoemd, een lang, slank dier met kleine kop en lange poten (lengte 1,4 m; staartlengte 0,75 m). De kleur van dit dier is geelachtig grijs met donkere stippen. De jongen zijn ongevlekt.

Deze soort wordt in verschillende rassen aangetroffen in Afrika, van Kaap de Goede Hoop tot Egypte (behalve in de bossen in Midden-Afrika), en van Z.W.-Azië tot Indië. Zij leeft in savannen, jaagt zowel overdag als ’s nachts en besluipt daarbij haar prooi niet, maar achtervolgt deze hardlopend over grote afstanden. De jachtluipaard is gemakkelijk te temmen en wordt daarom wel afgericht op de antilopenjacht. Op korte afstanden is hij buitengewoon snel (tot 112 km per uur).

DR A. SCHEYGROND

Lit.: E. Hamilton, The Wild Gat of Europe (1896); R. Lydekker, AHandbook to the Carnivora i (1896); W. D. Matthew, The Phylogeny of Felidae. Buil.

Am. Mus. Nat. Hist., 28, 1910; A. E. Brehm, Tierleben 12, Säugetiere 3 (Leipzig - Wien 1915); R.

I. Pocock, The Classification of Existing Felidae. Ann. Mag. Nat. Hist. (8), 20, 1917; Idem, The Races of the European Wild Cat.

Linn. Soc. Journ. Zool., 39, 1934; M. Weber, Die Säugetiere, 2 (Jena 1928); L. Lavauden, L’histoire naturelle du lynx (Grenoble 1930); R.

Didier & P. Rode, Felis sylvestris (Paris 1936); Th. Haltenorth, Die verwandtschaftliche Stellung der Grosskatzen zueinander. Zschr. f. Säugetierk., 12, 1937; G. M.

Allen, Extinct and Vanishing Mammals of the Western Hemisphere (New York 1942); V. H. Cahalane, King of Cats and his Court. Nat. Geogr. Mag., 83 (1943) ; F.

Harper, Extinct and Vanishing Mammals of the Old World (New York 1945); S. P. Young & E. A. Goldman, The Puma (Washington 1946); R. Hainard, Mammifères sauvages d’Europe, I (Neuchâtel - Paris 1949).