Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 04-07-2022

Joas

betekenis & definitie

Jehoasj (Hebreeuwse eigennaam: „Jahwe is krachtig”).

1. Joas van Juda, Ahazia’s zoon en opvolger. Na diens dood werd hij, nog als zuigeling, door Jojada gered, toen zijn grootmoeder Athalia op het punt stond al de koningszoons te doden. De Boeken der Koningen en der Kronieken verhalen hoe de priester Jojada en diens echtgenote Joseba er in slaagden na zes jaar de erfprins aan het volk bekend te maken en hem in zijn koninklijke rechten te herstellen. Joas’ regering is een der langdurigste van het zuidelijk rijk; zij strekt zich uit over veertig jaar. Zij werd gekenmerkt door een belangrijke tempelhervorming, waarbij de inkomsten der Levieten en van de tempel opnieuw werden geregeld. Joas’ eerste jaren waren gunstig voor het Jahwisme. Later onttrok de vorst zich aan de invloed van Jojada en bevlekte zelfs zijn beleid door een moord op de priester Zacharias, zoon van Jojada; priestermoord, waarvan de gedachtenis tot in het N.T. is bijgebleven. Op het einde van zijn regering kon hij slechts ten koste van de uitlevering van Jeruzalems schatten Hazaël en het Aramese leger van de hoofdstad verwijderd houden. Het misnoegde volk vermoordde zijn koning. Chronologie: 836-797 (R. Fruin), 837-800 (A. van Hoonacker).
2. Joas van Israël regeerde ongeveer na de dood van zijn Judaïsche naamgenoot. Met zijn regering begint de bloeiperiode van het noordelijke rijk, zodat, in de verhalencyclus van de profeet Elisa, Joas van Israël herhaaldelijk als de „bevrijder”, nl. van Aram (Ben Hadad III), wordt begroet. Het gelukte Joas aan de noordgrens de opmars der Arameeërs te stuiten en aan de zuidgrens Amazia van Juda bij Beth-Sjemesj te verslaan. De overwinnaar drong tot Jeruzalem door. Chronologie: 799-784 (R. Fruin, E. Sellin), 804787 (A. van Hoonacker), 802-787 (M. Noth).

PROF. DR J. COPPENS

Lit.: M. Noth, Gesch. Israels (Göttingen 1949); G. Ricciotti, Gesch. van Israël (Turnhout 1949); P. Heinisch, Gesch. des A. T.s (Bonn 1950).