Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 04-07-2022

Jehu

betekenis & definitie

(Hebr. : eig. Jô-hoe,Jahwe is het”), een der meest bloeddorstige koningen van het rijk van Israël (ca 843 - 816 v. Chr.), een usurpateur, die, blijkens het levendige en aanschouwelijke Bijbelverhaal in 2 Kon.: 9 en 10 te Jizreël de twee koningen Joram van Israël en Ahazia van Juda op één dag doodde, daarna ook de goddeloze koningin-moeder Izébel smadelijk van het leven liet beroven, en het gehele geslacht van koning Achab in de hoofdstad Samaria liet uitmoorden, evenals ook de Judese prinsen en al de priesters van Baal, die hij onder een bedrieglijk voorwendsel tot een feest ter ere van Baal had laten uitnodigen.

Het nageslacht heeft hem zijn bloedbaden verweten en de nagedachtenis aan zijn bloedige oorlogen bewaard (Amos 1 :3 vv.; Hozea 1:4). Aan het begin van zijn regering dringt de Assyrische grootmacht onder koning Salmanassar III voor het eerst tot Syrië en de grenzen van Palestina door. Op een zwarte obelisk, die door Salmanassar ter ere van zijn veroveringstochten werd opgericht (thans in het Brits Museum te Londen), is ook koning Jehu afgebeeld: aan het hoofd van een Israëlietisch gezantschap neergebogen in het stof aan de voeten van de Assyrische koning.