Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

HINDÎ

betekenis & definitie

is de verzamelnaam waarmee alle Noordindische talen van Peñjâb tot Bengalen, door meer dan 100 millioen Indiërs gesproken, worden aangeduid. Het is verdeeld in vier welonderscheiden groepen die op haar beurt in talrijke dialecten uiteenvallen.

Van W. naar O. heeft men in Râjputânâ Râjasthânî, afstammend van het Śaurasenî-prâkrit*, taal van talrijke bardenliederen en jaïnistische verhalen; het West-Hindî, met dezelfde oorsprong als en zeer verwant met de eerste groep, dat tussen Yamunâ en Ganges gesproken wordt; het Oost-Hindî, afkomstig van het Ardhamâgadhîprâkrit, dat in het oostelijk deel van de Verenigde Provinciën gebezigd wordt, en ten slotte het Bihârî, de taal van Bihâr. Het Hindoestani* of Urdu (Oerdoe) is een West-Hindidialect met Perzisch-Arabische toevoegingen. De hedendaagse schrijftaal is het Hoog-Hindi, dat grammaticaal met het Urdû overeenstemt, doch zijn woorden niet aan het Perzisch maar aan het Sanskrit ontleent.De literaturen van deze onderscheiden talen hebben buiten het Urdû zoveel gemeenschappelijke trekken, dat men ze bij voorkeur als een groot geheel behandelt. Volgens inheemse traditie begint de Hindî-letterkunde reeds in de 8ste eeuw n. Chr. aan het hof van Yaśovarman, vorst van Kanauj. Het oudste bestaande document is de, in 1917 ontdekte, Hindî-vertaling van de Bhagavadgitâ door Bhuvâl (953 n. Chr.). Met Cand Bardâî* komt een eerste bloeiperiode.

Deze afstammeling van een oud bardengeslacht bezong de daden van Prithvîrâj, vorst van Ajmer en Delhi (gest. 1192), in de Prithvîrâj Râsau, dat in zijn huidige vorm (69 boeken, meer dan 100 000 verzen) teruggaat op een redactie van Amar Singh van Mevâr (17de eeuw). Cand’s rhapsodieën, die een spiegel zijn van de Râjputische ridderwereld, worden heden nog door Indische barden gezongen.

In de 15de en 16de eeuw wordt het Hindî gebezigd door de Visnuïtische reformatoren en kent daardoor een tweede hoge bloei. Onder diegenen die vooral het Krsna-Râdhâ-thema behandelen, dienen vermeld Vidyâpati-Thâkur (15de eeuw Bihâr) wiens liederen, waarin men die typische vermenging van erotiek en mystiek aantreft, kenmerkend voor de Visnu-Krsna eredienst, zeer geliefd zijn. De voornaamste vertegenwoordiger is Sûrdâs (1483-1563), volgeling van Vallabha, die vooral te Agra werkzaam was en naast talloze lyrische gedichten de Sûr-Sâgar, een verzameling van legenden, samenstelde. De Visnu-Râma-cyclus inspireerde onder meer Râmânand (1400-1470 volgens J. Farquhar), die zeer grote invloed heeft uitgeoefend op het spirituele leven van heel Noord-Indië. Beroemd is echter vooral zijn leerling Kabîr (1440-1518), die in zijn talrijke gedichten van zedekundige inhoud poogde het Hindoeïsme en de Islam te versmelten tot een monotheïstische leer.

Zijn invloed is o.m. duidelijk merkbaar bij Nânak, stichter en eerste guru van de godsdienst der Sikhs* (1469-1538), wiens gedichten in de Âdi-Granth* voorkomen. De grootste dichter van deze periode was echter Tulsîdâs (1532-1623), die het grootste deel van zijn leven te Benares doorbracht en o.a. het nationale epos Râmâyana met zeer grote vrijheid en in Visnuïtische zin in het Hindi (resp. Avadhî) bewerkte (Rāmcarit-mānas). Uit dezelfde tijd dateert eveneens de Bhakt-mâlâ van Nâbhâdâs, een geschiedenis van alle vooraanstaande Visnuvereerders, waarvoor Priyādâs een uitstekende en voor het goede begrip noodzakelijke commentaar schreef (1712). Met de groeiende invloed der Engelsen baant zich het proza een weg. In 1809 laat W.

Carey het N.T. en in 1818 de volledige Bijbel in het Hindî verschijnen; dank zij de Engelsen ontstaat in het College Fort William te Calcutta langzamerhand een nieuwe schrijftaal, het reeds hoger genoemde Hoog-Hindî. Onder de merkwaardigste auteurs van deze nieuwe richting dient vooral Lallûjî Lâl vermeld, die op aansporing van dr J. Gilchrist een reeks werken in Hoog-Hindî liet verschijnen, waaronder het in Europa bekendste nieuwere Hindiwerk, de Prêm Sâgar (Oceaan der Liefde), een bewerking van het tiende deel van de Bhâgavata-Purâna, dat de avonturen van de jeugdige Krsna beschrijft. Met Hariścandra, een polygraaf uit Benares (1850-1885), wiens lyrische gedichten hem de eretitel van „Bhāratendu” (Maan van Indië) en van „Een der negen edelstenen der Hindî-poëzie” bezorgden, verwierf ten slotte het Hoog-Hindî de eerste plaats onder de Noordindische talen. Het Hindî wordt ook in Suriname gesproken waar na de afschaffing der slavernij vele Brits-Indiërs op de plantages arbeid vonden. De immigratie begon van 1873.

H. VAN LOOY

Lit.: J. H. Garcin de Tassy, Histoire de la Littérature Hindouie et Hindoustanie (3 bd., 2e ed., Paris 1870-1871); Idem, La Langue et la Littérature Hindoustanie. Revue annuelle (8 bd., Paris 1870—77); Grierson, The Modern Vemacular Literature of Hindustan (Calcutta 1889); Kellog, Grammar of the Hindi-Lang. (2e ed., 1893); Linguistic Survey of India VI en IX (Calcutta 1904 en 1916); Bate, Dictionary of the H. Lang. (2e ed., Allahabad 1918); Hindi Sabd Sagar (Woordenboek, Benares 1929); E. Greaves, H. grammar (London 1933); F.

E. Keay, A History of H. Literature (London 1920); Kabîr: R. Tagore, One Hundred Poems of K. (London 1913); Tulsîdâs, Râmâyan, Engelse vert. van F.S. Growse (Cawnpore 1887); Lallûjî Lâl, Prêm Sâgar, Eng.vert. van W. Hollings (Calcutta 1848), Eastwick (London 1867) en A. Pincott (London 1898); Rudolf Karsten, De Britsch-Indiërs in Suriname (’s-Gravenhage 1930).