Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

HERVORMDE KERK

betekenis & definitie

De Nederlandse, is de voortzetting van de Gereformeerde of Publieke Kerk tijdens de Republiek en, uit een oogpunt van organisatie, de oudste Protestantse Kerk in Nederland.

Geschiedenis

Voorbereid door de Erasmiaanse hervormingsbeweging (z kerkhervorming), door sacramentarisme en bijbels humanisme, maar al spoedig duidelijk te onderscheiden van de Anabaptistische en Doperse bewegingen, ondergingen de kerkelijk ontevreden volksgroepen in de periode tot ca 1540 invloeden van de Lutherse (de eerste martelaren waren Augustijner monniken te Antwerpen, 1523, de eerste Noordnederlandse martelaar Jan de Bakker* 1525) en de Zwitserse hervorming; de Avondmaalsbrief van Cornelis Hoen bewijst de geestelijke verwantschap met Zwingli en Bullinger. Johannes Anastasius Veluanus*, pastoor te Garderen, kan als type van de eigen Nederlandse reformatie op bijbelse grondslag gelden. De regering begon de plakkaten te verscherpen, 1550 kwam de inquisitie. De volgende periode, tot de komst van Alva, wordt gekenmerkt door uitbreiding en heftiger bestrijding van de Hervorming, niet alleen van de Anabaptisten, maar ook van de rustiger evangelische elementen, wat de vlucht van velen naar de Rijnstreek in Duitsland, Oost-Friesland en Engeland (eerste Ned. Hervormde Kerk te Londen, 24 Juli 1550) ten gevolge had, toenemend door de kerkelijke politiek van Philips II en de instelling der nieuwe bisdommen in 1559. In de eerste plaats in de Zuidelijke Nederlanden doet dan het Calvinisme zich gelden; de Nederlandse Geloofsbelijdenis* komt tot stand (1561), de Heidelbergse Catechismus, door Datheen vertaald (1563) en de door hem uit het Frans berijmde Psalmen komen in gebruik.

Na het wonderjaar 1566 van hagepreken*, beeldenstorm, de verbonden der edelen en der kooplieden, terwijl de executies toenamen, verlieten steeds meer mensen het land tegen de komst van Alva. Onder hen de Prins van Oranje, die, zonder zijn synthetische gezindheid t.a.v. de reformatorische richtingen prijs te geven, in 1572 tot de Gereformeerde Kerk zou overgaan. In de derde voorbereidingsperiode voert de toenemende onderdrukking tot steeds intenser krachtsinspanning van de hervormden, die op het convent van Wezel (1568) en de synode van Emden (1571) de organisatie der Nederlandse Kerk voorbereidden, zodat deze, toen het land sedert 1572 begon open te gaan, in practijk gebracht kon worden (nationale synode van Dordrecht* 1578). In het Zuiden werd echter bij de Unie van Atrecht de heerschappij der Roomse Kerk erkend, terwijl de Unie van Utrecht de Gereformeerde Kerk voor de geünieerde provincies erkende doch zonder vervolging tegen andersdenkenden. Ondanks numerieke minderheid waren de Gereformeerde radicalen de kracht van de opstand. Hoewel de Kerk de theocratie wilde (art. 36 der Ned.

Geloofsbelijdenis), gold in de staat tolerantie, ook als vrucht van het Nederlandse bijbelse humanisme. De zgn. heersende Kerk zou zelfs de door de overheid overheerste worden. Men onderscheidt de preciezen, waartoe de meeste predikanten, en de rekkelijken, waartoe Johan van Oldenbarneveldt en de regenten behoorden, anders gezegd: Calvinisten en Libertijnen. Deze tegenstelling kenmerkt de eerste periode van de geschiedenis der gevestigde Kerk tot de nationale synode van Dordrecht 1618-1619 en heeft haar scherpste vormen gevonden in de strijd van Remonstranten en Contra-Remonstranten, die met de overwinning van de laatsten, politiek gesteund door Prins Maurits (1617), eindigde. De vijf artikelen tegen de Remonstranten (Canones Synodi Dordracenae) werden bij de eerste twee belijdenisgeschriften gevoegd (Formulieren* van Enigheid). Sedert gold in de Gereformeerde Kerk de Calvinistisch-Gereformeerde genadeleer.

Waar de dogmatiek verstijfde, ging gedurende de „gouden eeuw” het politieke en culturele leven veelal zijn gang onafhankelijk daarvan. De Republiek werd een schuilplaats voor vervolgden om het geloof uit andere landen en de Gereformeerde Kerken zelf steunden zeer vele in nood verkerende buitenlandse Protestantse Kerken. Andere Nederlandse Protestantse Kerken, Luthersen, Doopsgezinden, zelfs Remonstranten, maar ook de Rooms-Katholieken werden toegelaten, hoewel niet officieel erkend. Na Dordrecht traden, als verzachting en tot bevrediging van minder doctrinaire godsdienstige behoeften, piëtistische (Voetius*, de Teellincks e.a.) en biblicistische (Coccejus*) stromingen op; vervolgens moest tegenover het rationalisme (Descartes*) het openbaringskarakter van het Christendom worden verdedigd. Het einde der Republiek sleepte de georganiseerde Kerk in zijn val mede.

De Bataafse Republiek proclameerde de scheiding van Kerk en Staat; predikantstractementen (in 1802 gedeeltelijk hersteld), ook predikantsplaatsen en kerkgebouwen gingen tijdelijk verloren. Koning Willem I herstelde de vervallen kerk door het Algemeen Reglement van 1816. Nadat het plan, door een algemene synode de reorganisatie der Kerk tot stand te doen brengen, was opgegeven (1814) en een halfjaar later Jhr O. Repelaer van Driel directeur van het Departement voor de zaken van de Hervormde Kerk was geworden met J. D. Janssen als secretaris en adviseur, volgde 28 Mei 1815 de benoeming door de koning van een consulterende commissie, bij welker leden, allen predikanten, Janssen zijn ontwerp-reglement indiende; de commissie tekende en het werd om advies aan drie leden van de Raad van State gezonden, waarna de koning het op 7 Jan. 1816 goedkeurde en invoerde.

Behalve de classis Amsterdam legde de Kerk zich bij deze onkerkelijke gang van zaken en het beschermheerschap van de koning zonder protest neer. Het Algemeen Reglement heeft de naam: „De Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden” ingevoerd; later werd het: De Nederlandse Hervormde (niet: Nederlands-Hervormde) Kerk, terwijl voor de plaatselijke gemeente Nederduitse — d.i. Nederlands, in tegenstelling tot Waals of Frans sprekend — geldt. De Wet op de Kerkgenootschappen van 1853 heeft vervolgens de Kerk de gelegenheid gegeven, zelf haar organisatie te kiezen, die zij vrijwel gelijk aan de koninklijke liet.

De 19de eeuw is in samenhang met dit alles en ten gevolge van het opkomen der Evangelische of Groninger* Richting en van het Modernisme gekenmerkt door telkens nieuwe strijd om de kerkorde en de belijdenis; dieptepunten vormen vooral de Afscheidingen* van 1834 (Hendrik de Cock) en van 1886 (A. Kuyper); over bleef een vrijwel geconsolideerde richtingenstrijd. Deze veranderde volkomen van aanzien na Wereldoorlog II (Gemeenteopbouw, z gemeente 2) door de omzetting van strijd in gesprek, en de indiening eerst van een Werkorde (1945), daarna van een nieuwe Kerkorde, die in de organisatie der Kerk zoveel mogelijk uitdrukking tracht te geven aan de idealen der Calvinistische reformatie in de Nederlanden, aangepast aan de behoeften van de moderne tijd (aanvaard 1950). Zij zal tijd nodig hebben de vragen, die in vier eeuwen zijn opgekomen en vermeerderd, door antwoorden te vervangen in het gemoed der Hervormden van verschillende schakering. Gedurende Wereldoorlog II heeft de Nederlandse Hervormde Kerk het verzet krachtig bevorderd en zelf gepleegd en bovendien het initiatief genomen tot interkerkelijk overleg (I.K.O.). Na de oorlog heeft zij zich aangesloten bij de Wereldraad van Kerken (Amsterdam, Aug. 1948) en alle mogelijke oecumenische arbeid niet alleen als nuttig erkend, maar ook ter hand genomen.

Organisatie.

Zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis (Confessio belgica) een variant is van de Franse (Confessio gallicana, 1559), berust ook de Dordtse kerkenorde op Frans-Geneefs voorbeeld (discipline ecclésiastique, 1559): de ambten van dienaar des Woords, ouderling (presbyter), diaken en doctor — weldra vervallen — zijn van Calvinistische oorsprong, de gehele presbyteriale, d.i. democratische, onhiërarchische en synodale orde komt overeen met de Franse, ook de indeling in classes, d.z. geografische groepen van gemeenten, in Emden voorbereid en door de volgende synoden in Nederland en later naar gelang van de ontwikkeling verder uitgewerkt, met die in „colloques”. Oorspronkelijk vormden Vlamingen of Nederduitsers en Walen één gemeente; dit moest de synode van 1578 wijzigen en de Walen kregen, als Frans-sprekende Gereformeerden, hun eigen, parallelle organisatie; als belijdenis werd voor hen de Catechismus van Genève (1545) erkend, tot op de huidige dag. Na Dordrecht 1618-1619 is om politieke overwegingen geen nationale synode meer door de Staten toegelaten. Behalve de leer en, op aarzelende wijze, de liturgie, is daar de kerkenorde — het meervoud in deze samenstelling geeft rekenschap van het Gereformeerde beginsel van de autonomie der plaatselijke gemeente — vastgesteld, waarmede de Kerk — na lange strijd — haar zelfstandigheid tegenover de staat vindiceerde; zij werd slechts in de provincies Utrecht, Gelderland en Overijsel officieel aanvaard en doorgevoerd. Een sprekende beperking dezer zelfstandigheid lag in de erkenning van het recht der overheid, commissarissen-politiek naar de vergaderingen der kerkeraden, die de gemeenten besturen, en der provinciale synoden, met recht van ingrijpen in de agenda en van veto, te zenden. De bijbelvertaling geschiedde op last der Staten-Generaal en volgens besluit der Synode, van daar de naam Statenbijbel (1637).

De Afscheidingen der 19de eeuw hebben de Dordtse Kerkenorde en de geldigheid der belijdenisgeschriften tot inzet gehad. De nieuwe Kerkorde, die veel meer theologische inhoud heeft dan het oude Algemeen Reglement, verklaart in art. 1, dat de Nederlandse Hervormde Kerk, overeenkomstig haar belijdenis, openbaring is van de ene, heilige, algemene Christelijke Kerk, en bestaat uit al de Hervormde gemeenten, waartoe mede worden gerekend de Waalse (16 in getal), de Presbyteriaans-Engelse (te Amsterdam) en -Schotse (te Rotterdam) gemeenten in Nederland, alsmede de in haar verband opgenomen Hervormde gemeenten buiten Nederland. Het lidmaatschap der Kerk baseert art. 2 in eerste instantie op Gods genadeverbond, dan op belijdenis, doop en geboorte uit Hervormde ouders. Art. 3 omschrijft de „orde in het apostolaat en belijden, leven en werken der Kerk”. Art. 13 voert het kerkboek als geldig in, bestaande uit: „het psalm- en gezangboek, het dienstboek, bevattende de orden van dienst, de liturgische formulieren en de gebeden met de ziekentroost, het belijdenis- en leerboek, en de kerkorde”. Voor het liturgisch en theologisch leven der Kerk betekent dit een belangrijke vernieuwing.

De ambtelijke vergaderingen — zonder hiërarchie — zijn: de kerkeraden, de classicale vergaderingen, de provinciale kerkvergaderingen (herstel der oude provinciale synoden ter vervanging van de provinciale kerkbesturen van 1816) en de Generale Synode, die bestaan uit door de classicale vergaderingen afgevaardigde ambtsdragers. Aan de oude Dordtse kerkenorde is door de nieuwe recht gedaan, terwijl zij bovendien vermeerderd is met 20 Ordinantiën voor alle onderdelen van de kerkedienst, die in betekenis de vroegere bestuurlijke „reglementen” aanmerkelijk te boven gaan. Verschillende organen van bijstand of raden van advies en deskundige commissies voltooien het apparaat.

Huidige staat.

De gemeenten zijn naar de volgende indeling (1950) samengevoegd tot ringen (groepen van predikantsplaatsen), classes en kerkprovincies; wat de laatste betreft is de volgorde, die tijdens de Republiek reeds gold, gehandhaafd, terwijl in de classes een aantal wijzigingen is aangebracht (van 44 of 54).

Het aantal predikantsplaatsen is sedert Wereldoorlog II met ca 200 toegenomen; buitengewone predikantsplaatsen zijn gesticht voor de scribae der Synode, zendingsdirectoren, predikanten met speciale arbeid zoals onder Israël, in diaconessenhuizen, voor leger en vloot enz.; deze zijn óf aan de Kerk in haar geheel óf aan bepaalde gemeenten verbonden. Het aantal leden der Nederlandse Hervormde Kerk bedraagt volgens de volkstelling van 31 Mei 1947 2 988 361 (31,03 pct der bevolking; volgens die van 1930: 2 737 930 of 34,50 pct).

De opleiding der predikanten geschiedt aan de Faculteiten der Godgeleerdheid aan de drie Rijksuniversiteiten en de Universiteit van Amsterdam, aan welke telkens twee hoogleraren vanwege de Ned. Hervormde Kerk (te Amsterdam hersteld in 1947 na een onderbreking van 45 jaar) zijn toegevoegd. Te Driebergen is na Wereldoorlog II de zgn. academie van „Kerk en Wereld” gesticht, waar op niet-universitaire basis werkers in kerkelijke arbeid (WIKA’s) worden opgeleid.

PROF. DR J. N. BAKHUIZEN VAN DEN BRINK

Kerkprovincie Classes Ringen Gemeenten Predikants-

plaatsen (buitengewone)

Gelderland 8 22 195 274 (9)

Zuid-Holland 10 27 200 38a (13)

Noord-Holland 6 18 137 241 (10)

Zeeland 4 12 99 113 (1

Utrecht 4 8 70 114 (13)

Friesland 5 23 213 235 (4)

Overijsel 4 11 84 131 (2)

Groningen 4 15 138 165 (2)

Noord-Brabant en Limburg 5 14 109 130 (2)

Drente 3 9 60 71 (5)

Waalse kerken 1 1 16 19 —

Totalen 10 54 160 1321 1875 (61)

Lit.: A. Ypey en I. J. Dermout, Geschiedenis der N.H.K., 4 dln ( 1819—27); L. Knappert, Het ontstaan en de vestiging van het Protestantisme in de Nederlanden (1924); Gesch. der N.H.K. gedurende de 16de-19de eeuw, 2 dln (1911-12); J. Lindeboom, Het Bijbelsch humanisme in Nederland (1913); J.

Reitsma-J. Lindeboom, Gesch. van de Hervorming en de H. K. der Nederlanden (19455); J. Lindeboom, De confessioneele ontwikkeling der Reformatie in de Nederlanden (1946); C. C. de Bruin, De Statenbijbel en zijn voorgangers (1937); A. A. van Schelven, De Nederduitsche vluchtelingenkerken der 16de eeuw in Engeland en Duitsland (1909); F.

S. Knipscheer, De invoer en waardeering der gereformeerde belijdenisgeschriften in Nederland (1907); J. C. Naber, Calvinist of Libertijnsch (1884); J. N. Bakhuizen van den Brink, De Nederlandsche Belijdenisgeschriften (1940); F.

L. Rutgers, Acta van de Ned. Synoden der 16de eeuw (1889); J. Reitsma en S. D. van Veen, Acta der Provinciale en Particuliere Synoden tot 1618, 8 dln (1892-1899); W. P.

C. Knuttel, Acta der Particuliere Synoden van Zuid-Holland 1621-1700, 6 dln (1908-1916); C. Hooijer, Oude Kerkordeningen der N.H. Gemeenten 1564-1638 (1865); J. C. A. van Loon, Het Alg.

Regl. van 1816 (1942); H. Bartels, Tien jaren strijd om een belijdende kerk (1946); H. Vogler, Deleer der N.H.K. (1945); Th. L. Haitjema, De richtingen in de N.H.K. (1934) ;H. C. Touw, Het verzet der Kerk, 2 dln (1946).

Handelingen van de Algemene Synode (sedert 1816) met Bijlagen (sedert 1861); Idem Generale Synode (sedert 1945); Kerkelijke Courant, Weekblad voor de N. H. K. (1860-1915), Weekblad der N. H. K. (sedert 1917), officieel orgaan; Hervormd Vademecum (sedert 1948); Van Alphen’s Nieuw Kerkelijk Handboek (sedert 1878).