Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

HERSENEN

betekenis & definitie

In een embryo van ca 18 dagen oud ontstaat aan de rugzijde een, van voren naar achteren verlopende, verdikking van de wand, de neurale plaat. Dit is de eerste aanleg van het centrale zenuwstelsel. Zeer spoedig wordt deze neurale plaat door relatief sterker groeien van de randen tot neurale goot. De randen groeien naar elkaar toe, vergroeien en zo ontstaat binnen één week uit de neurale plaat een neurale buis.

Enkele dagen later ontstaan er aan het hoofdeinde van de neurale buis drie verwijdingen of blaasjes. Vervolgens snoert het voorste blaasje zich in en wordt tot twee blaasjes, terwijl kort daarna ook het achterste blaasje zich verdubbelt.Na 42 dagen vertoont de neurale buis aan het hoofdeinde vijf achter elkaar gelegen blaasjes. Uit deze blaasjes ontwikkelen zich door ongelijkmatige verdikking en plooiing van de wanden de hersenen, terwijl de rest van de neurale buis door een vrij gelijkmatige verdikking van de wanden tot ruggemerg wordt.

Uit de neurale buis vormen zich dus

prosencephalon (telencephalon, diencephalon)

mesencephalon

rhombencephalon (metencephalon, myelencephalon)

ruggemerg

Aanvankelijk ligt het centrale zenuwstelsel onder de huid. Later snoert het zich van de huid af en wordt door bindweefsel en skelet omgeven.

Het bindweefsel differentieert zich tot een drietal vliezen: de dura mater of pachymeninx, de arachnoidea en de pia mater of leptomeninx. Soms wordt de arachnoidea met de pia mater te samen leptomeninx genoemd. Het omgevende skelet is, wat de hersenen betreft, de hersenschedel en wat het ruggemerg betreft het wervelkanaal in de wervelkolom.

Elk der zes genoemde delen van het centrale zenuwstelsel ligt dus omgeven door de hersen- en ruggemergsvliezen in een door skelet omgeven ruimte en bestaat uit een lumen en wanden van verschillende dikte.

Het telencephalon of eindhersenen splitst zich in een rechter- en linkerblaasje, waarvan zich de wanden op een enkele, aan de binnenkant gelegen strook na kolossaal verdikken en in plooien leggen. Zo ontstaan de beide hemisferen van de grote hersenen of cerebrum. Het lumen van de beide hemisferen vormt de beide zijventrikels (hersenkamers).

Het diencephalon of tussenhersenen krijgt dikke zijwanden en een dikke onderwand (bodem), terwijl de bovenwand (dak) dun blijft. Het lumen is de derde hersenventrikel. Deze communiceert door twee openingen aan de voorzijde, de foramina Monroi, met de beide zijventrikels.

Het mescncephalon of middenhersenen verkrijgt een vrijwel gelijkmatige verdikking van de wanden, terwijl het lumen kanaalvormig blijft: de waterleiding van Sylvius (aquaeductus Sylvii).



Het metencephalon of nahersenen krijgt een sterk verdikte bodem: de brug van Varoli (pons Varolii), vrij dikke zijwanden, terwijl aan de bovenwand drie achter elkaar gelegen gedeelten te onderscheiden zijn. Het voorste deel blijft vrij dun, het middelste deel wordt zeer dik en legt zich in dwars verlopende plooien: kleine hersenen of cerebellum, het achterste deel blijft zeer dun. Het lumen is de vierde hersenventrikel die terzijde nog een paar uitstulpingen heeft naar onder: recessus lateralis.



De aquaeductus Sylvii verbindt de derde met de vierde hersenkamer. Het myelencephalon of merghersenen verkrijgt vrijwel gelijkmatig dikke wanden met uitzondering van de bovenwand, die zeer dun blijft. Het lumen is het achterste deel van de vierde ventrikel. Ten volle ontwikkeld, heet het myelencephalon: medulla oblongata of verlengde merg.



Het ruggemerg of medulla spinalis wordt bij ruggemerg* besproken, behalve voor zover het wenselijk is het met de hersenen in verband te brengen.

(pagina mist)

nes, geneesmiddelen) van het bloed naar de hersenen.

De aderen (venen) verzamelen zich in de pia, passeren als middelgrote stammen de arachnoidea en monden uit in de wijde sinus durae matris. De bloedafvoer van de hersenen wordt op deze wijze vergemakkelijkt en is beschut onder normale omstandigheden, binnen de schedelholte, tegen belemmeringen door druk van buiten.

De hersenen vormen met een gewicht van 1300 tot 1600 gr een der grootste organen van het lichaam (lever 1500 g). Daar het hersengewicht een functie is van het lichaamsgewicht (in mathematische zin) is het hersengewicht van de man gemiddeld groter dan dat van de vrouw (1450 g en 1300 g). Het hersengewicht als zodanig heet het absolute hersengewicht. De verhouding tussen hersengewicht en lichaamsgewicht heet relatief hersengewicht.

Het absolute hersengewicht van olifant en walvis is veel groter dan dat van de mens. Het relatieve hersengewicht van muis en mus is ook weer groter dan dat van de mens. Bij de volwassen mens is het hersengewicht ca 2½ pct van het lichaamsgewicht; bij de pasgeborene is dit 10 pct (300 g op 3000 g). Op het tweede levensjaar is het nog 8 pct (1000 g op 12500 g). Dan zijn de hersenen practisch compleet, de verdere toeneming in gewicht wordt veroorzaakt door de zgn. mergrijping of myelinisatie, d.w.z. dat de banen door merg omhuld worden. De hersenen zijn dus aanvankelijk het lichaam in groei vooruit (allometrische groei). Ditzelfde is het geval met de zintuigen en met de endocrine klieren. Het bewegingsapparaat en de voortplantingsorganen komen in groei achteraan.

Men kan de hersenen verdelen in:

1. de grote hersenen (cerebrum, de beide hemisferen), gevormd uit het telencephalon en diencephalon;
2. de hersenstam (truncus cerebri), gevormd uit het mesencephalon, onderste deel van het metencephalon en het myelencephalon;
3. de kleine hersenen (cerebellum), gevormd uit het bovenste deel van het metencephalon.

De hersenmassa bestaat uit zenuwcellen en zenuwvezels (bovendien bloedvaten en een zeer bijzonder soort van bindweefsel, het gliaweefseï).



Zenuwcellen liggen in grote groepen bij elkaar en wel óf aan de buitenoppervlakte van cerebrum en cerebellum: cortex {schors) in een platte laag van 2-5 mm dikte, óf te midden van de vezelmassa’s als min of meer scherp begrensde lichamen van uiteenlopende grootte: gangliën, nuclei (kernen). Uit den aard der zaak vindt men tussen de zenuwcellen ook zenuwvezels, die geïsoleerd ofwel in dunne banen of lagen naar de grotere vezelmassa’s verlopen. Overigens liggen ook de zenuwvezels bij elkaar: medulla {merg). Schors en kernen zijn donkerder van kleur dan het merg. De wand van de grote hersenen is op een grillige wijze geplooid, waarbij windingen {gyri) van elkaar worden gescheiden door groeven {sulci). Zeer diepe groeven noemt men fissuren {spleten), o.a. de longitudinale spleet, tussen de beide hemisferen, de transversale spleet tussen grote en kleine hersenen en de spleet van Sylvius tussen de voorhoofdskwab en de slaapkwab van de grote hersenen.

De plooiing van de kleine hersenoppervlakte is veel regelmatiger. De windingen en groeven verlopen alle in nagenoeg dwarse richting, dus min of meer parallel. De functie van de hersenen vormt met die van het ruggemerg, het autonome* zenuwstelsel, de perifere zenuwen, de zintuigen een groot geheel, voor de bestudering waarvan wij verwijzen naar deze organen, in het bijzonder naar zenuwstelsel.



Aan het dak van de derde hersenkamer aangehecht vindt men de epiphyse, glandula pinealis {pijnappelklier), aan de bodem van deze kamer de hypophyse, glandula pituitaria {hersenaanhangsel). Beide klieren hebben een endocrine functie (z endocrinologie).

DR A. DE FROE