Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

GRATIE

betekenis & definitie

afgeleid van het Latijnse woord gratia, dat verschillende betekenissen had, waaronder die van „kwijtschelding”, is een term, die in het Nederlands, in ruime en enge zin gebruikt wordt.

In ruime zin gebruikt, heeft gratie vier verschillende vormen, nl. gratie in enge zin, abolitie, amnestie en rehabilitatie.

Omtrent gratie in enge zin bepaalt art. 70 der NEDERLANDSE Grondwet, dat de koning het recht van gratie heeft van straffen door rechterlijk vonnis opgelegd, een recht dat hij uitoefent na het advies van de rechter te hebben ingewonnen.

De grondslagen waarop dit gratierecht berust hebben steeds aanleiding gegeven tot veel verschil van mening. De tegenstanders van deze rechtsinstelling, die zich sterk ontwikkeld had in de Romeinse keizertijd, bestreden haar op tal van gronden. Zij beschouwden gratie vnl. als een ingrijpen der regering, in de gewone gang der justitie. Inderdaad had vooral onder de absolute monarchieën het verlenen van gratie het karakter gekregen van vorstelijk gunstbetoon en vond het dikwijls een afkeurenswaardige toepassing.

Kant achtte gratie onjuist, niet te verdedigen uitgaande van de absolute rechtsgrond van de straf en beschouwde haar als een onrecht tegenover de onderdanen. Von Feuerbach en evenzo Beccaria en Bentham leerden, dat de mogelijkheid van het verlenen van gratie de straftoepassing onzeker maakte en de preventieve werking dier straftoepassing verzwakte. De zgn. nieuwere richting in het strafrecht bestreed o.a. bij monde van Garofalo het gratierecht in het belang der sociale veiligheid.

Prof. Van Hamel beschouwde de gratie als een rechtsinstelling van hoge waarde. Zij is, volgens hem, niet een vorstelijk gunstbetoon, maar een regeringsdaad waarvoor bij een parlementaire staatsinrichting de minister ten volle verantwoordelijk is. Zij is nodig om tegemoet te komen aan de onvermijdelijke algemeenheid der wet, om rekening te kunnen houden met na ’s rechters uitspraak veranderde omstandigheden, om de werking der straf niet te doen reiken buiten de grenzen der redelijkheid en om het staatsbelang vrijelijk te kunnen dienen.

Toegepast krachtens deze richtlijnen werkt de instelling zeer nuttig en zal zij ook niet gemist kunnen worden.

De formaliteiten, die bij het vragen en verlenen van gratie in acht zijn te nemen, zijn neergelegd in het K.B. van 13 Dec. 1887 Stbl. 215 ter uitvoering van art. 68 tweede lid (thans art. 70) der Grondwet, en tot vaststelling van enige regelen, welke bij de behandeling van verzoeken om gratie en van de jaarlijkse voordrachten tot het verlenen van afslag en ontslag aan gevangenen behoren te worden in acht genomen. Dit Besluit is enige malen gewijzigd, terwijl het Bijzonder Gratie-Adviesbesluit van 22 Dec. 1943 S.D 64, een aanvullende regeling geeft betreffende de uitoefening van het gratierecht van straffen, opgelegd door uitspraken van de Bijzondere Gerechtshoven en van de Bijzondere Raad van Cassatie, colleges, ingesteld na de bevrijding van Nederland.

Deze gratie is van meer betekenis in landen waar de rechter door de wet gedwongen is tot het opleggen van zware straffen, dan in Nederland. Hier toch is het Openbaar Ministerie krachtens het zgn. opportuniteitsbeginsel in het algemeen vrij in het al of niet vervolgen van strafbare feiten terwijl bovendien de rechter bevoegd is tot het opleggen van zeer lichte straffen, daar hij, naast de mogelijkheid de voorlopige hechtenis bij de

straftoemeting in mindering te doen strekken, zich kan beperken bij het uitspreken van vrijheidsstraffen tot één dag en tot geldboeten van ƒ 0.50.

Gratie moet niet verleend worden om een onschuldig veroordeelde rechtsherstel te verschaffen. Dit kan volgens de Nederlandse wet geschieden door middel van herziening.

De hier besproken gratie in engere zin kan worden verleend op een verzoek door of namens de veroordeelde ingediend, doch ook door de Kroon, zonder dat deze er toe is aangezocht. Het laatste geschiedt dikwijls bij blijde nationale gebeurtenissen, een toepassing van het gratierecht, die op grond van staatsbelang zeer wel te aanvaarden is.

Gratie, eenmaal verleend, kan door de betrokkene niet worden afgewezen, al verlangt hij haar niet. Dit vloeit voort uit het beginsel, dat in gratie niet een gunst moet worden gezien.

Art. 70 der Grondwet bepaalt verder, dat amnestie of abolitie niet dan bij een wet kan worden toegestaan. Aan beide ligt een afwijking van de wettelijke regels ten grondslag, en daarom kunnen ze niet plaats vinden zonder medewerking van de Staten-Generaal.



Amnestie,
afgeleid van een Grieks woord, dat betekent: niet meer herinneren of vergeten van bedreven onrecht, is een term, die gebruikt wordt, wanneer bij een wet wordt verklaard, dat alle strafrechtelijke gevolgen van bepaalde delicten vervallen. Gewoonlijk beperkt amnestie zich tot staatkundige misdrijven, bijv. opstand tegen de gevestigde macht, desertie in massa, samenzweringen.

Dikwijls spreken vredesverdragen over amnestie. Daarin zeggen de Staten dan elkaar toe alles te vergeven en te vergeten, hetgeen de een tegen de ander gedurende de oorlog heeft ondernomen. Deze amnestie staat tegenover de represailles, die zij in de oorlog tegenover elkaar pleegden. De geschiedenis kent veel voorbeelden van amnestie.

Een der oudste is die van 403 v. Chr. te Athene, toen Thrasyboulos de zgn. dertig tirannen had doen vallen, en hij wist te bereiken, dat niemand wegens vroegere staatkundige misdrijven zou worden vervolgd. Een Nederlandse amnestiewet is die van 6 Aug. 1914, waarbij bepaald werd, dat amnestie werd verleend aan hen, die zich vóór i Aug. 1914 aan desertie hadden schuldig gemaakt, mits zij zich vóór 1 Nov. 1914 hadden aangemeld.

Amnestie draagt een algemeen karakter en werkt ten behoeve van groepen van personen, veroordeelden, vervolgden en nog niet vervolgden. Daarom kan men bij het Kon. Besluit van 4 Nov. 1919, Stbl. 649, dat bovendien geen wet was, en waarbij in verband met tijdens de mobilisatie bewezen bijzondere diensten gratie verleend werd aan alle militairen, onherroepelijk veroordeeld wegens bepaald aangeduide strafbare feiten tot bepaald aangewezen straffen, niet van amnestie spreken. Hier wordt op een ongewone wijze gratie verleend.

Ook abolitie (afgeleid van het Latijnse woord abolitio = vernietiging, volkomen opheffing) kan alleen bij een wet worden toegestaan. Er wordt een verbod der overheid onder verstaan, waarbij het recht tot strafvervolging of het voortzetten van een reeds aangevangen vervolging wordt te niet gedaan. Het is een ingrijpen vóór het strafvonnis. Bij abolitie wordt het feit met zijn gevolgen geacht nimmer te hebben plaats gehad.

Deze vorm van gratie in algemene zin komt weinig meer voor, en was van meer betekenis in Frankrijk na de middeleeuwen.

Onder rehabilitatie (herstel in eer en goede naam) moet worden verstaan het teruggeven van de rechtsbevoegdheid, welke verloren werd krachtens bijzondere rechterlijke uitspraak of wel op grond van veroordeling tot een onterende straf, zoals deze vooral onder de Franse wetgeving kon worden opgelegd.

In Frankrijk bestaat dit instituut reeds lang, maar wordt het in later tijd gebruikt om de naam van hen die wegens vroegere veroordeling in de strafregisters voorkwamen, te schrappen. (Code d’instruction Criminelle, artt. 619 vlg.). De rehabilitatie heeft zich daar van karakter gewijzigd en werd van een gratie-vorm, een door de rechter gehanteerde instelling, ten dele zelfs een voorrecht van rechtswege. Zij trekt tegenwoordig meer de aandacht als een middel om aan veroordeelden de gelegenheid te geven hun maatschappelijk aanzien te herwinnen. Het Nederlands strafrecht regelt niets omtrent de rehabilitatie, doch gebruikt de term o.a. in de artt. 206 vlg. der Faillissementswet.

De gefailleerde kan een verzoek er toe indienen, wanneer hij daarbij het bewijs overlegt, dat alle erkende schuldeisers, ten genoegen van elk hunner, voldaan zijn.

Ook de oude Jachtwet kende in art. 14e het woord, maar deze wet bepaalde niet door welk gezag en op welke wijze zij verleend werd.

In strafrechtelijke zin is rehabilitatie, wanneer zij betreft de opheffing van de bijkomende straf van ontzetting van rechten slechts een bijzonder geval van gratie.

MR DR J. WIJNVELDT +

Lit. : Pompe, Handboek van het Nederlandsche Strafrecht, 2de dr. (Zwolle 1938), p. 475 v.v.; Simons-Pompe, Leerboek van het Nederlandsche Strafrecht, dl I, 6de dr. (Groningen - Batavia 1937), p. 368 v.v.; P. Duparc, Origines de la grâce dans le droit romain et française du Bas-Empire à la Renaissance (1942) ; I. A. Diepenhorst in Opstellen .. . aangeboden aan prof.

A. Anema en prof. P. A.

Diepenhorst (1949).

Gratie is ook mogelijk met betrekking tot de vonnissen en sententiën, uitgesproken door de militaire rechter. De voorschriften, geldende voor de burgerlijke strafrechtspraak, zijn alsdan van overeenkomstige toepassing. Een afwijkende regeling is echter getroffen in het Organisatiebesluit Rechtspleging te Velde 1944 (K.B. van 23 Aug. 1944, Stbl. Nr E 67). De tenuitvoerlegging van vonnissen, uitgesproken door krachtens dit besluit ingestelde krijgsraden wordt niet opgeschort om de veroordeelde in de gelegenheid te stellen, het indienen van een gratieverzoek te overwegen, noch ook indien zodanig verzoek is of wordt ingediend.

Echter wordt tot de uitvoering van de doodstraf niet overgegaan dan nadat de koningin in de gelegenheid is gesteld om gratie te verlenen, zelfs indien door de veroordeelde zelf een daartoe strekkend verzoek niet is ingediend. Slechts indien verbinding met de koningin volstrekt uitgesloten is en de dadelijke tenuitvoerlegging van de doodstraf door de commanderende generaal gebiedend noodzakelijk wordt geacht, blijft dit voorschrift buiten toepassing.

LUIT.-KOL. MR H. H. A.

DE GRAAFF

Overeenkomstig de BELGISCHE grondwet heeft de koning het recht om de straffen, door de rechters uitgesproken, kwijt te schelden of te verminderen (art. 73 G.W.). Hij kan ze eveneens omzetten, d.w.z. door minder zware straffen vervangen. Ook de onbekwaamheden, die door de rechters werden uitgesproken of door de wet aan sommige veroordelingen verbonden, houden op door de kwijtschelding die de koning er van kan verlenen krachtens het recht van gratie (art. 87 W.v.S.).

Gratie of genade wordt in België verleend bij koninklijk besluit, hetzij van ambtswege, hetzij op aanvraag van de veroordeelde of van elk ander persoon in diens naam. Het koninklijk besluit moet de handtekening dragen van de verantwoordelijke minister.

De genadeverlening heeft alleen invloed op de tenuitvoerlegging van de straf; de veroordeling zelve laat ze bestaan. Gratie kan dus enkel verleend worden indien het vonnis van veroordeling in kracht van gerechtelijk gewijsde is getreden; er kan derhalve van geen genade sprake zijn voor een straf opgelegd door een vonnis gewezen bij wederspannigheid aan de wet, vermits die straf alleen onherroepelijk wordt wanneer ze verjaard is en niet meer kan ten uitvoer worden gelegd.

Doordat de gratie slechts de tenuitvoerlegging van de straf beïnvloedt, volgt, dat de veroordeelde, niettegenstaande de genade, altijd de herziening van het vonnis vragen kan indien daartoe gronden aanwezig zijn; dat hij recidiveert bij herhaling; dat hij niet meer het voordeel van de voorwaardelijke veroordeling zal kunnen genieten in geval hij een nieuw misdrijf begaat.

Niet te verwarren met de gratie is de amnestie, die het misdadig karakter wegneemt van zekere categorieën misdrijven, die de strafrechtelijke gevolgen uitwist waartoe deze misdrijven zouden aanleiding geven.

Het verlenen van amnestie is echter een daad van de wetgevende macht. De amnestiewet moet ten eerste de misdrijven vermelden die geamnestieerd zullen worden, en ten tweede de voorwaarden bepalen onder dewelke amnestie toegepast wordt.

De amnestiewet heeft voor gevolg:

1. dat, indien de amnestiewet van kracht is geworden, geen publieke vordering meer kan ingesteld worden in de bij de wet bepaalde gevallen, en dat de reeds ingestelde vorderingen vervallen,
2. dat uitgesproken straffen niet meer dienen ondergaan te worden,
3. dat hij, die zijn straf ondergaat wanneer de amnestiewet in voege treedt, onmiddellijk ervan bevrijd wordt.

Maar wist amnestie de strafrechtelijke gevolgen uit, ze laat de burgerlijke gevolgen van het misdrijf bestaan. Zo kan een geamnestieerd misdrijf van een der echtgenoten voldoende grond opleveren opdat de andere echtgenoot een vraag tot echtscheiding zou indienen.

MR W. DELVA.

< >