Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

GOUW

betekenis & definitie

(Gotisch, gawi, Oudsaks. gó, Oudfries ga, Lat.pagus) is een woord van onzekere herkomst, dat in Germaanse landen een zekere landstreek aanduidde. Met name plachten de gebieden der grote stammen in gouwen te zijn ingedeeld.

Men heeft hieruit in de oudere literatuur wel eens een te scherp omlijnde voorstelling van het begrip gouw afgeleid. Als reactie daartegen is in de laatste tijd de opvatting verdedigd, dat het woord „gouw” niet meer dan een volkomen vage geografische aanduiding was, zoals het huidige woord „streek”. Ook dit gaat waarschijnlijk te ver. Op grond van het feit, dat niet alleen grote gebieden als bijv. de Drentse dingspelen, doch ook kleine rechtsterritoiren als buurschappen en marken wel als gouwen verschijnen — denk vooral aan het Friese „ga” —, is zeer onlangs het denkbeeld geopperd, dat het criterium voor een gouw zou zijn gelegen in het gemeenschappelijk bezit en gebruik van ongecultiveerde gronden.

Bij splitsing van de grote gemeenschappen in kleinere zou dan het woord „gouw” op die kleinere gemeenschappen zijn overgegaan. In verschillende thans nog bestaande geografische namen vindt men het woord terug, bijv. Henegouwen, Het Gooi en de vele Friese namen, eindigende op -go en -ga.Lit.: I. H. Gosses, De organisatie van bestuur en rechtspraak in de landschap Drente (1941), p. 11 v.v.; W. de Vries, „Gooien” in Nederland, in Versl. en Meded. v. d. Ver. tot uitg. v. d. bronnen v. h.

Oud-Vaderl. recht, X, p. 237 v.v. (1948).