Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

GOUDEN EEUW

betekenis & definitie

De overal voorkomende en speciaal bij oudere mensen psychologisch gemakkelijk verklaarbare opvatting, dat de wereld achteruitgaat, vindt in de Oudheid haar scherpste uitdrukking in de sage van de gouden eeuw, een tijd in het verre verleden, waarin de aarde vanzelf alle eetbare gewassen voortbracht, de mensen zonder arbeid en smarten waren en zelfs de verscheurende dieren in vrede met de andere leefden. In Voor-Indië wordt reeds vroeg geleerd, dat de steeds opnieuw ontstaande en weer vergaande wereld telkens vier, met verschillende metalen verbonden perioden doorloopt, waarin lichaamskracht en zedelijke waarde van de mens voortdurend afnemen.

Waarschijnlijk onder invloed van dergelijke Oosterse leringen stelt dan de Griekse dichter Hesiodos een pessimistische theorie van de wereldperioden op (Werken en Dagen 109 vlgg,): eerst was er de Gouden Eeuw, toen de Zilveren, vervolgens de Bronzen; thans leven wij (na de tijd der heroën, die hier buiten beschouwing kan blijven) in de Ijzeren Eeuw. Later duikt het geloof aan de Gouden Eeuw op in de Griekse filosofie: terwijl Demokritos en Epicurus er van overtuigd zijn, dat de mensheid zich dank zij haar vernuft van lieverlede uit een primitieve en barbaarse begintoestand omhooggewerkt heeft, spreken Cynici en Stoïcijnen, die cultuur en technische vooruitgang negatief waarderen, hun heimwee naar de Gouden Eeuw, toen de begeerte naar weelde en de hebzucht nog onbekend waren. Aan de sage van de Gouden Eeuw verwante gedachten vindt men o.a. in het Paradijsverhaal en — overgebracht op de toekomst — in de Messiaanse verwachtingen der Israëlieten en de chiliastische dromen der middeleeuwen.In andere zin wordt Gouden Eeuw vaak gebruikt om een bloeitijdperk in de geschiedenis aan te duiden, bijv. de 17de eeuw in Nederland.

Lit.: R. Pöhlmann in Neue Jahrb. (1898).