Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

GOUDA

betekenis & definitie

gemeente en stad in Zuidholland met op 893 ha (1950) 38 595 inw. (van wie in 1947 53 pct Prot., 27 pct R.K., en 20 pct zonder godsdienstige gezindte). De bodem bestaat geheel uit laagveen.

De gemeente omvat alleen de stad Gouda.Gouda (in de volksmond Tergouw geheten) ligt aan de samenvloeiing van Gouwe en Hollandsche IJsel, is kruispunt van electrische spoorlijnen naar Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, ’s-Gravenhage en Alphen a.d. Rijn. Verder ligt het aan de drukke scheepvaartweg Rotterdam-Amsterdam. De binnenstad is nauw, de nieuwe wijken zijn ruim gebouwd en zij vertoont met haar vele grachten, singels en kaden het karakter van een echt Hollandse stad.

Van de openbare gebouwen moet in de eerste plaats het Laatgothische stadhuis genoemd worden (gebouwd in 1449, verbouwd in 1603, hernieuwd in 1690; gerestaureerd in de jaren 1946-1951); verder de in 1668 door Post gebouwde Waag, de Agnieten-kapel, het weeshuis met fraaie gevel uit 1642, het Zakkendragershuisje (1622), het Catharina Gasthuis (thans museum) met 15de eeuwse kapel (thans archief), de Vismarkt (17de eeuws), de 16de-eeuwse toren van de voormalige St Barbarakapel, de 16de-eeuwse St Joostkapel (nu Lutherse kerk) en de 16de-eeuwse toren der vroegere O.L.V. kapel. Van de kerken is de Grote of St Janskerk beroemd. Zij werd ter plaatse, waar een ander kerkgebouw in 1361 en 1438 door brand verwoest was, in de 2de helft der 15de eeuw opgetrokken, in 1552 op haar beurt door brand vernield, onder Karel V en Philips II echter hernieuwd. Zij is 105 m lang, 46 m breed, 251/2 m hoog, bezat vóór de Hervorming meer dan 50 altaren en is nog heden ten dage vermaard wegens haar prachtig orgel, koorhek en vooral wegens de 64 beschilderde glasramen, waaronder 13 van de gebroeders Crabeth afkomstig.

Na de bevrijding werd van deze ramen een „bevrijdingsraam” ingewijd, geschilderd door Charles Eyck. Ook bezit de kerk grafstenen van enige bekende Nederlanders, van Beverningk, Coornhert en De Lange van Wijngaerden. De stad telt verschillende onderwijsinrichtingen, twee musea, t.w. het Catharina-gasthuis en het Pijpenmuseum (huis „De Moriaan”) en een openbare boekerij, de Stads Librije. Gouda is de zetel van een kantongerecht, heeft drukke markten, vooral voor varkens en kaas en een levendige scheepvaart, vormt een belangrijke winkelstad voor haar agrarische omgeving en is een belangrijk medisch centrum.

Hoofdmiddel van bestaan is de industrie, in de eerste plaats de beroemde pijpenfabrieken (in 1751 374 werkplaatsen met vele duizenden arbeiders; in 1950 hielden zich nog 3 ondernemingen (ca 50 arb.) met de pijpenindustrie bezig). Belangrijker is thans de kunstaardewerken plateelindustrie. Verder omvat de industrie wasserijen, die een wijde omtrek bedienen, de garen- en touwspinnerijen, de stearinekaarsenfabricage, confectiebedrijven, meubelfabrieken en verschillende fabrieken voor vuurvaste steen, zeep en voor voedingsmiddelen.

Gouda had in de 15de eeuw belangrijke bier-brouwerijen en lakenindustrie. In de 17de eeuw vormde de pijpenindustrie de voornaamste tak van bedrijf. Sedert het midden van de 18de eeuw trad een sterk verval in (het aantal inw. daalde zelfs tot 11 000), waarna ca 1860 een opleving inzette.

Geschiedenis

Gouda was oorspronkelijk niet een goede of grafelijke stad, maar ontstond op het gebied van de Heren van der Goude en kreeg in 1272 van Floris V het stadsrecht. In de 14de eeuw was het een heerlijkheid in bezit der Beaumonts, die de stad tot 1397 in de Staten vertegenwoordigden; toen kwam Gouda aan de graaf. Het aantal inw. bedroeg toen reeds meer dan 5000. Het behoorde tot de Hoekse partij en was vooral tijdens Jacoba van Beieren een bolwerk voor deze tegenover Philips de Goede, die het niet wilde erkennen voor 1428.

Ook in de latere tijd was het verbonden met de Hoeksen. Het was toen een belangrijke handelsstad (in 1514 meer dan 20 000 inw.), gelegen aan de waterweg door Holland, waar een tol geheven werd; een privilege verplichtte zelfs de schepen deze weg te volgen. De handel was er zó belangrijk, dat het, hoewel niet zo’n oude stad, steeds als een van de zes „grote” steden ter Statenvergadering werd beschreven (tot 1795). Ook in andere opzichten was het belangrijk: in Gouda werd in 1439 het eerste klooster der Observanten gesticht, van waaruit de nieuwe opvattingen omtrent het kloosterleven werden verbreid; vlak bij Gouda stond het klooster Steyn, waar Erasmus zijn jonge jaren doorbracht en Gouda behoort tot de steden, waar al zeer vroeg de boekdrukkunst bloeide.

In de 16de eeuw leefden er de gebroeders Crabeth, de beroemde glasschilders. In de middeleeuwen is Gouda vaak door grote branden geteisterd; die van 1361 en 1438 legden nagenoeg de gehele stad in as. In 1572 heeft men er een partij van ontevredenen en een groep van meer vermogenden, die met de magistraat trouw wilden blijven aan de wettige stadhouder; door list drongen de Geuzen onder jonkeer Van Swieten de stad binnen en dwongen het kasteel tot overgave; een poging tot contrarevolutie mislukte. Daarna is de stad nooit meer belegerd.

Toen er sprake was, aan de prins van Oranje de grafelijkheid in Holland op te dragen, bood vooral Gouda tegenstand (met Amsterdam). Bij de twisten van het Bestand was Gouda bijzonder hevig Remonstrantsgezind; geen wonder: reeds in het einde der vorige eeuw was hier de vrijzinnige Herbert Herbertsz. als predikant door de magistraat tegenover de strenge Calvinisten gehandhaafd. Maurits vond het dan ook nodig een flinke legermacht in de stad te brengen, vóórdat hij in 1618 er de wet verzette en de vroedschap overwegend Calvinistisch maakte. In de stad bleven de Remonstranten betrekkelijk talrijker dan ergens anders.

Vervolgens was het een bolwerk der Staatsgezinden, o.a. in 1650, toen het een der weinige steden was, die met Amsterdam tot het uiterste tegen Willem II wilden gaan. Het was toen echter niet meer een stad van grote betekenis, maar een marktplaats voor de omgeving en met een opkomende belangrijke pijpenindustrie, bierbrouwerijen en lakennijverheid. In 1672 was het een der hoofdpunten van verdediging tegen Lodewijk XIV aan de Utrechtse grens. Zijn oude gezindheid verloochende het niet in de 18de eeuw, toen het tot de zeer patriottischgezinde steden behoorde en het was het Goudse exercitiegenootschap dat prinses Wilhelmina in de Vlist, bij Haastrecht (1787), tegenhield.

Lit.: I(gnatius) W(alvis), Beschryving der Stad G. (Gouda 1713); C. J. de Lange van Wijngaerden, Geschiedenis der Heeren en Beschrijving der Stad van der Goude (Amsterdam — ’s-Gravenhage Gouda, 1813, 1817, 1879); H. Griffioen van Waarder, Myne herrinneringen van Gouda (’s-Gravenhage 1821); Bijdragen Oudheidkundige Kring ,,Die Goude”, 1-6 (Gouda 1934-1949); H. F.

Wessels, G., proeve ener Stadsmonographie (Utrecht 1939); G. C. Helbers en D. A.

Goedewaagen, Goudsche pijpen (Amsterdam 1942); P. D. Muylwijk, Een paar belangrijke eeuwen in Gouda’s historie (Gouda 1948).