Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

GOTLAND

betekenis & definitie

(Zweeds: Gotlands läns), grootste eiland der Oostzee, 90 km van de Zweedse kust gelegen, vormt met het eiland Öland en enige kleinere de Gotland of Wisbylän en telt op 2981 km2 (1948): 58917 inw. De bodem wordt gevormd door een effen kalkplateau, dat zich gemiddeld ter hoogte van 25-50 m boven de zee verheft en aan de kusten doorgaans steil afdaalt.

Van de vele havens is het versterkte Slitehamn een der beste aan de Oostzee. Het klimaat is zacht, zodat walnoten, suikerbieten en zelfs nog moerbeziën er goed groeien. De grond is op vele gedeelten vruchtbaar; er zijn veel bossen, vooral naaldhout. De landbouw is door het droogmaken van moerassen uitgebreid, beslaat echter maar ca 20 pct, het weiland ca 10 pct de bossen daarentegen ca 45 pct van de bodem.

Men teelt er granen, peulvruchten en veel aardappelen; ook de veeteelt is van belang; de schapen en paarden van het eiland zijn beroemd. Visserij, robbenvangst, jacht op zeevogels, steenhouwerij (marmer) en kalkbranderij, handel en scheepvaart behoren verder tot de bronnen van bestaan. Er is een afzonderlijke krijgsmacht, bepaaldelijk bestemd voor de verdediging van het eiland. De hoofdplaats is Wisby aan de Westkust, vanwaar een spoorlijn naar Hemse loopt.Ca 1200 was Gotland middelpunt van de Duitse handel op de Oostzee. Nadat Wisby echter in Gotland, stadsmuur van Visby van binnen gezien 1361 door de Deense koning Waldemar „Atter-dag” ingenomen was, kwam het in verval (z Hanze). In 1645 kwam Gotland bij de Vrede van Brömsebro voorgoed aan Zweden.

Lit.: John Niklén, G. (4e uppl., Stockholm 1930); Knut Hagberg, G., sommaren 1933 (Stockholm 1933); O. H. L. Hammergren, G.

En förovarshistorisk och ekonomisk-geografisk studie (Stockholm 1938).