Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

GOTEN

betekenis & definitie

is de naam van een Germaans volk, dat omstreeks het begin onzer jaartelling aan de kust der Oostzee woonde in de nabijheid van de Weichsel. Door Plinius en Tacitus worden zij vermeld, door de eerste als Gutones, door de tweede als Gothones. Zowel uit de door Jordanes medegedeelde stamsage als uit archaeologische gegevens blijkt, dat zij hierheen gekomen zijn uit Zuid-Scandinavië; het eiland Gotland herinnert door zijn naam nog aan dit volk en een nauwe samenhang met de bevolking van het Zweedse Götland (eertijds Gautland geheten) is zeer aannemelijk.

De Goten zijn reeds vroeg uit Pruisen weggetrokken naar de kusten van de Zwarte Zee. Wanneer dit geschied is, staat niet vast, maar reeds in 214 heeft een treffen met de Romeinen plaats aan de Dacische grens. Hier zijn zij waarschijnlijk in kleinere groepen aangekomen, zonder hun vorige woonplaatsen geheel te ontruimen. Weldra vestigen zij aan de kusten der Zwarte Zee, te midden van een gemengde bevolking, die sterk onder de invloed stond van Iraanse en Griekse cultuur, een machtige staat en waren te zamen met andere Germaanse stammen, zoals de Herulen, een voortdurende bedreiging voor het Oostromeinse rijk.

Zij splitsten zich hier in twee groepen, de Ostrogothi en Visigothi, gewoonlijk maar onjuist als Oosten West-Goten aangeduid, die ieder in de loop der geschiedenis een geheel verschillend lot hebben gehad (z Oost-Goten en West-Goten). Zij zijn na de inval der Hunnen echter beide uit hun Zuidrussische woonplaatsen verdreven, al is in sommige afgelegen hoeken hier en daar een deel blijven zitten (z Krim-Goten). Voor hun taal en letterkunde zowel als voor hun schrift z Gotische taal en letterkunde.Lit.: E. C. G. Oxenstierna, Die Urheimat der Goten (Leipzig 1948); R.

Schindler, Die Besiedlungsgeschichte der Goten und Gepiden im unteren Weichselraum, auf Grund der Tongefasse (Leipzig 1940).