Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

GEWIJSDE

betekenis & definitie

is een ander woord voor een rechterlijke beslissing. Het woord komt doorgaans alleen voor als onderdeel van een omstandiger uitdrukking als: kracht van gewijsde, gezag van gewijsde.

Een vonnis gaat in NEDERLAND in kracht van gewijsde, wanneer er geen schorsend rechtsmiddel meer tegen open staat. Schorsende rechtsmiddelen zijn: het verzet (art. 8a W.v.B.Rv.), het hoger beroep (art. 350 W.v.B.Rv.), de revisie (art. 364 W.v.B.Rv.) en de cassatie (art. 398 W.v.B.Rv.); in tegenstelling tot het request-civiel en het derdenverzet, die niet de tenuitvoerlegging schorsen (artt. 379) 392 W.v.B.Rv.), al kan zij in het laatste geval door de rechter worden bevolen.

In een geheel ander verband van gedachten komt men het woord „gewijsde” tegen, wanneer men gesproken vindt over het „gezag van gewijsde”; als men het heeft over het „gezag van gewijsde” van een rechterlijke beslissing, bedoelt men de mate van bindende kracht, die er aan toekomt volgens de, overigens rekbare, artt. 1953 en 1954 B.W.

Sommigen leggen een verband tussen de „kracht” en het „gezag” van het „gewijsde” in dier voege, dat zij het „gezag van gewijsde” uit de artt. 1953 en 1954 B.W. alleen toekennen aan in kracht van gewijsde gegane beslissingen.

Daartegenover wijzen anderen er op, dat men het zonder de aanvaarding van een zekere bindende kracht van nog niet in kracht van gewijsde gegane vonnissen niet kan stellen; deze bindende kracht moeten hun tegenstanders dan zoeken buiten de wet om, waardoor zij nog onzekerder komt te staan dan wanneer men haar neergelegd acht in de artt. 1953 en 1954 B.W., terwijl men haar aldus buiten de mogelijkheid van cassatie brengt (z cassatie).

Bij de rekbaarheid van deze wetsvoorschriften is dan hiermee nog niet zo heel veel gezegd; de vraag is dan nader, waarin dat „gezag van gewijsde” bestaat.

Men pleegt hier te onderscheiden tussen een negatief en een positief gezag. Het negatieve gezag van het vonnis belet de herhaalde vordering tussen dezelfde partijen op dezelfde gronden; het positieve betreft de verplichting van de rechter in een volgend geding zich zonder eigen nader onderzoek te gedragen naar hetgeen in een eerder is beslist. In twee Latijnse slagzinnen vat men ze aldus samen: het negatieve in „non bis in idem” (niet tweemaal over hetzelfde), het positieve in „res iudicata pro veritate habetur” (de uitgewezen zaak wordt voor waar gehouden).

Voor zover men (wat men niet algemeen doet) het negatieve gezag van gewijsde aanvaardt, acht men het toch, zij het om uiteenlopende redenen, vaak niet neergelegd in art. 1954 B.W.; men oordeelt, dat dit alleen het positieve gezag toekent, waarbij men dan nog weer verschilt over de vraag, of dit alleen wordt gegeven aan in kracht van gewijsde gegane uitspraken of ook aan wat men wel voorlopige gewijsdes heeft genoemd.

Dat, afgescheiden van de vragen naar de aard van het gezag van gewijsde en de soorten uitspraken, die het bezitten, dat gezag niet aan alle beslissingen uit de uitspraak toekomt, ontmoet weinig of geen tegenspraak. Het gezag van gewijsde komt alleen toe aan verplichte beslissingen over rechtsvragen.

Wat de subjectieve kant van het gewijsde aangaat, hieromtrent heerst meer overeenstemming dan omtrent de objectieve. Art. 1954 B.W. kent het toe aan en beperkt het tot „dezelfde partijen”; men breidt dit uit tot rechtverkrijgenden onder algemene en bijzondere titel (vgl. Anema t.a.p. blz. 386-393). Soms breidt de wet het gezag tot anderen uit; een voorbeeld is art. 1957 B.W., hetwelk zegt, dat „vonnissen betrekkelijk den staat van personen, gewezen tegen dengene, die wettiglijk bevoegd was om den eisch tegen te spreken, van kracht zijn tegen elk en een iegelijk”.

Lit.: Asser — Anema, Van Bewijs, 4de dr. (Zwolle 1940), pag. 331-401; C. W. Star Busmann, Hoofdstukken v. Burg.

Rechtsvordering (Haarlem 1948), § §383-393: N. K. F. Land, Verklaring v. h.

B.W. VI. 2de dr. (bewerkt door J. Eggens), pag. 211238; Van Praag in W. P.

N. R. 3067.

In strafzaken geldt naar Nederlands recht krachtens art. 68 W.v.Sr. de regel, dat — behoudens de gevallen, waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn — niemand andermaal vervolgd kan worden wegens een feit, waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de Nederlandse rechter, of van de rechter in de koloniën en bezittingen van het rijk in andere werelddelen, onherroepelijk is beslist. Is het gewijsde afkomstig van een andere rechter, dan heeft tegen dezelfde persoon wegens hetzelfde feit geen vervolging plaats in geval van

1. vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging;
2. veroordeling gevolgd door gehele uitvoering, gratie of verjaring der straf.

Het BELGISCH RECHT huldigt ten aanzien van het gewijsde ongeveer dezelfde beginselen als het Nederlandse. In burgerlijke zaken is het gewijsde slechts een bewijsmiddel voor het bestaan of niet-bestaan van een verbintenis; het is een vermoeden dat geen tegenbewijs toelaat (art. 1351 B.W.). Herhaaldelijk is door het Belgisch Hof van Verbreking beslist, dat het gewijsde in burgerlijke zaken niet tot het dwingend recht behoort (o.m. arrest 22 Dec. 1924, Pas., 1925, I, 84).

Daarentegen behoort in strafzaken het gewijsde tot de openbare orde; het belet nieuwe vervolging. Indien een misdrijf ook aanleiding geeft tot een burgerlijke vordering van schadevergoeding, zal de uitspraak van de strafrechter de burgerlijke rechter binden. De wetgever verbiedt zelfs, dat de burgerlijke rechter een beslissing neemt vooraleer een definitieve uitspraak over de strafvordering is gedaan. Vervolgens heeft de uitspraak van de strafrechter kracht van gewijsde voor de burgerlijke rechter; doel is, tegenstrijdige beslissingen te vermijden.

Dit belangrijk beginsel geldt echter slechts voor een onherroepelijk vonnis of arrest over de grond van de strafvordering.

< >