Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

GETIJDEN

betekenis & definitie

(1). Onder het verschijnsel der getijden verstaat men de min of meer regelmatig met een periode van ca 12 uur en 25 minuten terugkerende rijzing en daling van het water, die het gevolg zijn van de door maan en zon op dit water uitgeoefende aantrekkingskracht.

De tijd tussen de laagste waterstand (laagwater) en de hoogste waterstand (hoogwater) noemt men vloed, terwijl de periode waarin de waterstand valt eb genoemd wordt; de termen eb en vloed worden echter ook wel gebezigd om laag-, resp. hoogwater zelf aan te duiden. Terwijl, voor zover men dit door metingen op geïsoleerde eilanden na kan gaan, in de open oceaan de tijdsduur van eb en vloed even lang zijn, is in ondiepe zeeën en aan kusten de tijdsduur van de vloed veelal belangrijk korter dan die van de eb (vgl. tabel). Het niveauverschil tussen hoogen laagwater noemt men tijverschil. Dit tijverschil wisselt sterk met de phasen van de maan: tijdens de springvloeden, kort na volle en nieuwe maan, is het gewoonlijk meer dan twee maal zo groot als in de periode van dood tij gedurende de paar etmalen volgende op het eerste en laatste kwartier van de maan. Het tijverschil is in de open oceanen vrij gering (50-100 cm).

Zéér klein is het in meren en in geheel of bijna geheel afgesloten zeebekkens; in de Middellandse Zee bedraagt het gemiddeld ca 30 cm. Aan de Hollandse Noordzeekust is het gemiddelde tijverschil ruim 1,5 m. In zich vernauwende baaien of zee-armen kan het zéér veel groter worden. Zo worden bijv. in het Kanaal van Bristol en in de inham tussen Bretagne en Normandië tijverschillen tot 12 m, in de Fundybaai bij Nova Scotia tot 21 m, waargenomen.

Indien zo’n baai uitloopt in een ondiepe riviermond, kan het voorkomen, dat de vloedgolf zeer steil wordt, zodat zij soms het karakter van een watermuur krijgt, die ernstige gevaren voor schepen oplevert; dit verschijnsel doet zich bijv. dagelijks voor in de Jangtse-Kiang, waar de watermuur soms een hoogte van 8 m heeft, en in de Amazone.Met de wisseling der getijden gaan stromingen gepaard, de zgn. getijstromen. Langs de Nederlandse kust beweegt deze stroom zich gedurende de vloed, dus van het tijdstip van laagwater tot het tijdstip van hoogwater, van het Z.W. naar het N.O., gedurende de eb in omgekeerde richting.

Op verschillende plaatsen, waar de tijverschillen groot zijn, heeft men de eben vloed-beweging van het zeewater benut om mechanische arbeid te verrichten (bijv. om electrische stroom op te wekken). Grotere installaties van deze aard zijn ontworpen o.a. in de Severn in Engeland en aan de Franse kust. De door dergelijke machines verkregen energie wordt eigenlijk geleverd door de draaiing der aarde en de beweging van de maan.

De getijden hangen nauw samen met de stand der maan. Benaderde tijden van hoogwater kan men vinden met behulp van zgn. „havengetallen”, die voor iedere haven aangeven het gemiddelde tijdsverloop tussen het moment dat de maan door de meridiaan gaat (dus in het Z. staat) en het eerstvolgende hoogwater. Om echter de voor de scheepvaart benodigde nauwkeuriger tijden van hoogen laagwater te voorspellen zijn tamelijk ingewikkelde berekeningen vereist. De werkelijke hoogwatertijden en -standen kunnen dan nog aanzienlijk van de berekende afwijken, ten gevolge van de invloed van wind en luchtdruk.

Over de tijden en hoogten van eb en vloed in Nederlandse havens kan men uitvoerige gegevens vinden in de jaarlijks door de Rijkswaterstaat uitgegeven Getijtafels voor Nederland.

De getijden worden veroorzaakt, doordat de door maan en zon uitgeoefende aantrekkingskracht op het zeewater verschilt van de op het vaste gedeelte der aarde uitgeoefende kracht. Men noemt deze verschillen de getijde-krachten. Zij zijn slechts zwak vergeleken bij de zwaartekracht; de maximale getijde-kracht van de maan is ongeveer een negenmillioenste daarvan. Indien de aarde steeds dezelfde kant naar de maan toekeerde en geheel met een diepe oceaan bedekt was, zou het wateroppervlak ten gevolge van deze getijde-kracht in de richting van de maan uitgerekt worden. Ten gevolge van de dagelijkse wenteling der aarde om haar as zullen de beide getij-bergen zich in iets meer dan een etmaal rondom de aarde moeten bewegen, zodat op een bepaalde plaats als regel twee maal per dag hoogwater optreden zal.

De grootte der door de zon uitgeoefende getijde-krachten is ongeveer 5/11 van die der maan. Werken de getijde-krachten van zon en maan in dezelfde richting (bij volle en nieuwe maan) dan is de getijde-werking groter dan het gemiddelde (springvloeden); werken zij in tegengestelde richting (bij eerste en laatste kwartier) dan is de getijde-werking gering (dood tij). De hoogten der getijden wisselen óók doordat de maan niet altijd even ver van de aarde staat. Staat zij, in het perigeum van haar ellipsbaan, het dichtst bij de aarde dan is de getijde-kracht ca 30 pct groter dan wanneer zij het verst van de aarde staat. Daar de maan de sterkste getijde-krachten uitoefent, wordt het karakter der getijden in hoofdzaak door haar bepaald; de gemiddelde periode tussen twee opeenvolgende hoogwaterstanden is daarom gelijk aan de halve gemiddelde tijd tussen twee culminaties van de maan (12 uur 51 min.).

Door de betrekkelijk geringe diepte der oceanen en door het bestaan der vastelanden worden de werkelijk optredende getijden-verschijnselen zeer ingewikkeld.

Terwijl men vroeger meende, dat de getijde-beweging vnl. ontstond in de Stille en Indische Oceaan en zich van daar om de Kaap de Goede Hoop als een enkelvoudige golf in de Atlantische Oceaan van het Z. naar het N. voortplantte, acht men het thans waarschijnlijk, dat de waterbeweging in de Atlantische Oceaan een veel ingewikkelder karakter heeft. Zeker is echter, dat men langs de kusten meestal van een zich voortbewegende getijde-golf kan spreken. De getijde-beweging op de Hollandse Noordzeekust wordt beheerst door een uit het Engelse Kanaal komende golf; het hoogwater bereikt de ingang van de Westerschelde ca 4 uur vroeger dan de noordpunt van Noordholland.

Terwijl aan de Nederlandse kust, en in het algemeen in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, de beide getijden, die in één etmaal optreden, slechts weinig verschillen, treedt op andere plaatsen der aarde dikwijls een opvallende dagelijkse ongelijkheid op, die zo sterk kan worden, dat een van de vloeden wegvalt en slechts eenmaal hoogen laagwater per etmaal voorkomt.

De getijde-krachten van maan en zon veroorzaken niet slechts een beweging van het water op de aarde, maar ook van de atmosfeer en van de aardkorst. De atmosferische getijden zijn van weinig belang en uiterst gering. Uit metingen van de getijde-beweging der vaste aardoppervlakte, waarbij hoogteverschillen van 20-40 cm optreden, kon men besluiten, dat het binnenste der aarde in hoge mate elastisch zijn moet en een hardheid moet hebben die ongeveer zo groot is als die van staal.

Hoewel de samenhang tussen maan en getijden reeds in de Griekse bloeitijd bekend was, werd de juiste interpretatie toch pas door Newton gegeven. Zijn theorie der getijden werd vooral door Daniël Bemoulli en Laplace uitgewerkt. In latere tijd heeft speciaal G. H.

Darwin de getijdentheorie verder ontwikkeld. Darwin heeft zich vooral toegelegd op berekeningen over de rol, die de getijde-krachten gespeeld hebben bij de ontwikkeling van het planetenstelsel en van de satellieten dezer planeten. Deze rol is uiterst belangrijk. Een algemeen bekend voorbeeld levert de rotatie der maan.

Het is welbekend, dat de omwentelingstijd van de maan om haar as gelijk is aan haar omloopstijd om de aarde, zodat zij ons steeds dezelfde zijde toekeert. De verklaring van deze merkwaardige coïncidentie moet gezocht worden in de gedurende vroegere tijd door de aarde op de maan uitgeoefende getijde-krachten en de daarmee gepaard gaande getijde-wrijving, die de maan-rotatie remde tot omwentelingstijd en omloopstijd gelijk geworden waren.

Op dergelijke wijze wordt ook de omwenteling der aarde door de getijde-krachten geremd, doordat de wrijving der getijde-stromen energie aan de aardrotatie onttrekt. Inderdaad is door zeer verfijnde sterrenkundige waarnemingen overtuigend aangetoond, dat de rotatie-snelheid der aarde in de loop der tijden iets afgenomen is: de dag wordt per eeuw ca 1/1000 seconde langer. Berekeningen over de wrijving der getijde-stromen in zee-engten, speciaal in de Bering-Zee, maken het waarschijnlijk, dat deze verlenging van de dag geheel door de getijden-wrijving verklaard kan worden. Ten gevolge van de getijden-wrijving verwijdert de maan zich langzamerhand van de aarde.

Omgekeerd moet zij vroeger dichterbij gestaan hebben, volgens Darwin e.a. oorspronkelijk zelfs nabij het aardoppervlak ; de rotatietijd der aarde zou toen slechts ongeveer 5 uur bedragen hebben.

PROF. DR J. H. OORT

Lit.: Algemene, elementaire werken over getijden: George H. Darwin, The Tides and kindred phenomena in the Solar System (London 1911); P. J. van der Stok, Elementaire theorie der Getijden (Utrecht 1910). Voor een overzicht der mathematische theorie: G.

H. Darwin, Tides (in The Encycl. Brit.), uitvoerig; dem en S. S.

Hough in dl VI van de Encycl. d. mathem. Wiss. Voor de theorie der getijden-wrijving: H. Jeffreys, The Earth, its origin, history and physical constitution (Cambridge, Eng., 1924).

Over de practische berekening en voorspelling der getijden: J. L. H. Luymes, Overzicht der getijleer ten dienste der hydrographische opneming (’s-Gravenhage 1919).

Verdere werken: Bidlingmaier, Ebbe und Flut (1908); O. Krümmel, Handbuch der Ozeanographie (dl 2, 1911); R. A. Harris, A Manual of the Tides (4 dln, U.S.

Coast and Geodetic Survey, 1907); P. J. van der Stok, Wind and Weather, Currents, Tides and Tidal streams in the East Indian Archipelago (Batavia 1897).

(2), gebeden, die in het brevier zijn te vinden en die zijn ingedeeld naar de tijden van de dag in Metten (nachtgebed), Lauden (bij zonsopgang), Priem (ochtendgebed), Terts (derde uur, d.i. 9 uur), Sext (zesde, dus 12 uur), Noon (negende, dus 3 uur), Vespers (zonsondergang) en Completen (avondgebed). Deze gebeden bestaan vnl. uit psalmen en andere Schriftuurstukken, en gedeelten uit kerkvaders, hymnen, gebeden. Metten en Vespers zijn van apostolische oorsprong; van de andere gebeden zijn de Priem en Completen het laatst toegevoegd, waarbij de kloosters voorgingen. De getijden vormen het officiële gebed in de R.K.

Kerk, en dateren uit het midden van de 6de eeuw (Hebr. 13, 15). In kloosters worden ze in koor gebeden en daarom koorgebed genoemd. Het Romeinse koorgebed is overheersend. Daarnaast hebben de grote Orden van religieuzen haar eigen koorgebed, dat daar enigszins van verschilt, behalve in de drie laatste dagen van de Goede Week.

In de niet-Rooms-Katholieke kerken herinnert men zich de laatste jaren weer het gemeenschappelijke erfdeel (reeds de hymnen van Ambrosius veronderstellen een getijdedienst). In de Franse en Nederlandse Gereformeerde, ook in de Lutherse kerken, en natuurlijk in de Anglicaanse werd daarom een vorm van dagelijks gebed hersteld of althans weer in kleine kring gebruikt (Liturgische Beweging, die van de zgn. Berneucheners in Duitsland). Uit de getijdedienst, die zelf uit de synagoge stamt, is de meest gewone traditionele vorm van de Protestantse eredienst afkomstig.

Lit.: Batiffol, Le Bréviaire romain (1911); Baudot, Le Bréviaire (1929); Callewaert, De Breviarii romani Liturgia (1931); Brinktrine, Das röm. Brevier (1932); Parsch, Het breviergebed (1949).