Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

GEOLOGIE

betekenis & definitie

of aardkunde is de wetenschap, die de aardkorst als studie-object heeft. Het Duitse Erdkunde komt overeen met onze aardrijkskunde, die in de natuurkundige aardrijkskunde in hoofdzaak de aardoppervlakte bestudeert en daarbij de wisselwerking aarde-mens in het bijzonder in het oog vat.

Tot de geologie behoort dus niet de geogenie, het ontstaan der aarde; dit is een astronomisch vraagstuk. Evenmin behoort tegenwoordig tot de geologie in engere zin de bestudering van de inwendige aarde, die onder de aardkorst ligt. De geophysica houdt zich tegenwoordig daarmede bezig.Geologie kan verdeeld worden in algemene, historische, regionale en experimentele geologie. Algemene geologie is de wetenschap, die de werkingen der inwendige aarde enerzijds en de werkingen van atmosfeer, hydrosfeer en biosfeer anderzijds op de lithosfeer (aardkorst) onderzoekt; zij wordt ook dynamische geologie genoemd. Aangezien de aardkorst een ontwikkeling heeft doorgemaakt, en de geologie de aardkorst bestudeert, kan geologie gedefinieerd worden als de wetenschap van de geschiedenis van de aardkorst. De historische geologie houdt zich bezig met de studie dezer geschiedenis, vooral in verband met de ontwikkeling van het leven op aarde, van de biosfeer, van het plantenen dierenrijk.

Zij doet dat met behulp der palaeontologie, de leer der uitgestorven planten en dieren (phyto- en zoöpalaeontologie), die zelf aansluit bij de plantkunde en de dierkunde (zie het schema). Lange tijd kon in de geologie slechts met behulp van fossielen of petrefacten (resten van uitgestorven planten en dieren) een relatieve tijdschaal worden opgesteld, waaruit bleek, welke afzettingsgesteenten (sedimenten) ouder, welke jonger waren, maar niet hoeveel deze ouder of jonger waren. Eerst later is het mogelijk geworden geologisch absolute tijden te bepalen met behulp der radioactieve elementen [Z aarde, Ouderdom der). Was aanvankelijk historische geologie de wetenschap, die de ontwikkeling van het leven met de opeenvolging der sedimenten (stratigrafie) in verband bracht, tegenwoordig behoort daartoe de gehele ontwikkeling van de aardkorst, met vulkanisme, gebergtevorming en verdeling van land en water (palaeogeografie), in elk geologisch tijdperk.

Vormen dus aan de ene zijde de biologische wetenschappen de grondslag der geologie, aan de andere zijde staan wiskunde, natuurkunde en scheikunde, waarop de kristallografie, mineralogie en petrologie gebaseerd zijn. De meeste mineralen zijn kristallen ; een groot gedeelte der gesteenten bestaat uit mineralen. Petrologie is de leer van het ontstaan der gesteenten. Behalve uit mineralen worden gesteenten ook door toedoen van levende wezens (organismen) gevormd, het zijn de biogene sedimenten, waarvan de vorming tot het domein der algemene geologie behoort, of, zo men wil, tot dat der algemene stratigrafie.

Terwijl de geophysica een onmisbare hulp-wetenschap vormt om de werking van de inwendige aarde op de aardkorst te bestuderen, moeten, van het standpunt der geologie, meteorologie en klimatologie, voorts oceanografie als hulpwetenschappen bestudeerd worden om de veranderingen van de aardkorst van buiten af, door atmosfeer en hydrosfeer, te begrijpen. Al die wetenschappen grijpen in elkaar en wanneer in ons schema de algemene geologie in het centrum geplaatst is, betekent dit niets anders dan dat wij het verband van dat standpunt uit willen beschouwen.

In de experimentele geologie tracht men door proeven bevestiging of ontkenning te verkrijgen van vermeende ontstaanswijzen van geologische verschijnselen. Proeven zijn o.a. gedaan over de oorzaak van de vorming van plooiings- en breukgebergten, over het ontstaan van de profiellijn van een vulkaan, over de invloed van stromend water of van wind op het transport en het bezinken van klei, zand en grint, over de invloed van golven op een strand enz.

De regionale geologie, die niet in ons schema is opgenomen, behandelt bepaalde onderdelen van de aardkorst, bijv. de geologie van Nederland, van Zwitserland, van de Alpen enz. Die invloeden kunnen geologische krachten genoemd worden, die zowel in afbrekende als in opbouwende zin kunnen werken. Dat zijn de externe krachten, waartegenover de interne krachten staan; vulkanisme, tektogenese, gebergtevorming en aardbevingen. Het begrip tektogenese dekt zich ongeveer met tektonische geologie.

Als historische wetenschap behoort de geologie in een reeks zeer heterogene wetenschappen, die begint met het ontstaan der aarde en eindigt met de geschiedenis in de dagelijkse betekenis van het woord. Die reeks luidt: geogonie-geologie-praehistorie-geschiedenis.

Raakt dus enerzijds de geologie aan de astronomie, aan de andere zijde gaat zij onmerkbaar in de praehistorie over, in de geschiedenis der mensheid, voor zover deze niet uit het geschreven woord kan worden geconstrueerd. Vooral voor een land als Nederland, met overwegend geologisch zeer jonge afzettingen, is de grens tussen geologie en praehistorie niet aan te geven. Geologen en oudheidkundigen werken daarom samen om het allerlaatste gedeelte der geschiedenis der aarde te ontwarren. Evenmin kan een scherpe grens tussen palaeontologie en zoölogie getrokken worden.

Wij vinden in Nederland resten van hier uitgestorven dieren, die elders nog leven. Ten slotte is de grens tussen geologie en anthropologie even vaag. De oudste overblijfselen van mensen werden wel is waar in geologisch zeer jonge lagen gevonden, maar niet in de allerjongste anthropos (anthropogenese).

GESCHIEDENIS

De aardkunde is een jonge wetenschap, want eerst nadat de mijnbouw intensiever beoefend werd, ontstonden allengs juistere denkbeelden op aardkundig gebied. Men kan in de geschiedenis der aardkunde vijf tijdperken onderscheiden.

In de eerste periode vallen er vooral kosmogenetische bespiegelingen te vermelden (Scheppingsverhaal en Zondvloed in de Bijbel, mythische verhalen van verschillende volken omtrent schepping en grote watervloeden). Deze zijn echter slechts het uitvloeisel van wijsgerige en theologische bespiegelingen en niet van aardkundige onderzoekingen. Daarentegen heeft reeds Xenophanes van Kolophon (gest. 471 v. Chr.) geschreven over het voorkomen van organische overblijfselen in de gesteenten en vinden wij bij Herodotos (gest. ca 425) beschouwingen omtrent fossiele zeeschelpen, waaruit hij het besluit trekt, dat de zee eenmaal veel groter moet geweest zijn.

Thales van Milete (gest. 546) is de mening toegedaan, dat al het aardse uit water is ontstaan, zodat hij als eerste der Neptunisten zou kunnen gelden. Maar ook de tegenovergestelde mening, dus de leer der latere Plutonisten, vond sedert de 5de eeuw v. Chr. onder de wijsgeren aanhangers, zoals bij Heraklites, Empedokles en Zenon. Aristoteles nam zelfs aan, dat de aardoppervlakte zeer langzaam rhythmisch zou rijzen en dalen.

Deze mening is ook Strabo toegedaan en volgens hem zou deze rhythmische beweging het gevolg zijn van de grote inwendige hitte der aarde, welker aanwezigheid door gasuitstromingen en hete bronnen bewezen wordt.

In de tweede periode nam het aantal juiste voorstellingen in den beginne slechts langzaam toe. Zo hebben reeds in 1517 de beroemde kunstenaar

Leonardo da Vinci en Fracastoro (gest. 1553), arts te Venetië, het ware karakter der petrefacten erkend, terwijl overigens omtrent hun oorsprong de zonderlingste denkbeelden bestonden. Deze werden ook nog beleden door Georg Agricola (gest. 1555), arts te Joachimsthal, die overigens door zijn geschriften veel bijgedragen heeft tot de verbreiding van juistere voorstellingen omtrent het ontstaan der gesteenten, omtrent aardbevingen, vulkanische uitbarstingen enz. Steno (gest. 1686), een Deens arts, die lange tijd te Padua en te Florence geleefd heeft, verkondigde juiste denkbeelden omtrent de opeenvolging der aardlagen en vergeleek fossiele schaaldieren met levende. Martin Lister (gest. 171a), die in Engeland gelijktijdig met Woodward (gest. 1728) en Lhwyd (gest. 1709) leefde, drong reeds op het ontwerpen van gekleurde geologische kaarten aan, maar verviel weer in de dwaling, dat het ontstaan der fossielen als een speling der natuur (vis plastica) was te beschouwen, hoewel hun ware oorsprong opnieuw was aangetoond door Majoli in 1597 en Fabio Colonna in 1616.

Robert Hooke (gest. 1703) beschouwde de fossielen dan ook terecht als overblijfselen van uitgestorven vormen. Leibniz (gest. 1716) verkondigde in zijn Protogda (1671) reeds denkbeelden omtrent het ontstaan der aarde, die niet veel van de theorie van Kant-Laplace afwijken, en George Buffon (gest. 1788) leverde in zijn Epoques de la nature (1780) een op experimenten berustende theorie omtrent het ontstaan der aarde uit een vurig-vloeibare bol door afkoeling. Hij berekende de ouderdom der aarde op 57000 jaren en wees ook reeds op het voorkomen van zeeschelpen hoog boven de zeespiegel. Zijn tijdgenoot Saussure (gest. 1799) publiceerde de eerste juiste waarnemingen omtrent gletsjers in zijn Voyages des Alpes (1779—1796)Ook heeft hij terecht de zwerfstenen in de Jura als afkomstig van gletsjers der Centraal Alpen herkend.

I. Kant (gest. 1804) en Laplace (gest. 1827) hebben onafhankelijk van elkander de naar hen genoemde theorieën omtrent het ontstaan der aarde opgesteld.

Een derde periode kan men laten beginnen met de werkzaamheid van A. G. Werner (1750-1817), die men gewoonlijk als grondvester van een wetenschappelijke geologie beschouwt. Hij was hoogleraar aan de in 1765 gestichte mijnacademie te Freiberg, die een middelpunt zou worden voor de beoefening der geologie en mineralogie.

In hoofdzaak was volgens hem de aarde uit neptunische gesteenten, d.w.z. zulke, die in of door tussenkomst van water ontstaan zijn, opgebouwd. Een reactie tegen deze theorie ging uit van Werner’s leerling Voigt (1752-1821), die beweerde, dat althans bazalt op vurig-vloeibare weg moest ontstaan zijn. Voigt leverde ook in zijn Praktische Gebirgskunde het eerste zelfstandige geologische leerboek. Ook Guettard kwam tegen Werner’s theorie omtrent het ontstaan van bazalt langs waterige weg op, en weldra ontbrandde een hevige strijd tussen de aanhangers van Werner, de Neptunisten, en de aanhangers van James Hutton (1725-1799), de Plutonisten. Van Hutton’s in 1796 verschenen Theory of earth had reeds in 1788 een uittreksel het licht gezien.

Volgens hem is de aarde oorspronkelijk een vurig-vloeibare bol geweest en zijn de stollingsgesteenten als gesmolten en langzaam afgekoelde lava’s te beschouwen. Zijn opvattingen zijn vooral bekend geworden door het werk van John Playfaire, Illustrations of the Huttonian Theory. James Hall (1761 -1832) trachtte door smeltproeven (1800) de theorie van Hutton te bewijzen. Werner's grootste leerling, Leopold von Buch (1774-1853) scheidde zich, na bestudering der uitgedoofde vulkanen in Auvergne, van de Neptunisten af en stond weldra aan het hoofd der Plutonisten. Zijn invloed op de verdere ontwikkeling der aardkunde is groter geweest dan die van één zijner voorgangers of opvolgers.

Evenwel maakte zich het Plutonisme aan dezelfde overdrijving schuldig als het Neptunisme; want het wilde veel te veel door de aardwarmte en erupties van de gloeiend-vloeibare aardkern verklaren. Eerst zeer langzaam werd die dwaling erkend, sedert men nl. begon de wetten der natuur- en scheikunde op de aardkunde toe te passen en in de tweede plaats de verschijnselen van het verleden te toetsen aan de verschijnselen, die tegenwoordig nog op aarde vallen waar te nemen.

Het vierde tijdvak wordt gekarakteriseerd door de oprichting van vele geologische genootschappen en instituten, waaraan een staf van medewerkers verbonden is, zowel tot het doen van geologische onderzoekingen, als tot het ontwerpen van geologische kaarten; verder door nauwkeuriger onderzoek van de objecten, waartoe vooral de toepassing van het microscoop heeft bijgedragen. De catastrofentheorie telt geen aanhangers meer en de beginselen, waarop de wetenschap der aardkunde heden ten dage steunt, komen in hoofdzaak hierop neer, dat alle veranderingen, die de aarde van de oudste tijden af ondergaan heeft, zeer langzaam en onafgebroken in verloop van zeer grote tijdsruimten hebben plaatsgevonden; verder dat geen andere krachten bij deze veranderingen hebben gewerkt dan diegene, die ook nog in onze dagen soortgelijke veranderingen teweegbrengen. Maar het is wel zeker, dat tempo en intensiteit der geologische krachten gedurende de ontwikkeling van de aardkorst geschommeld hebben. Ook is in de laatste jaren wel duidelijk geworden, dat de geologie, in tegenstelling met de opvatting van Lyell, zich wel degelijk moet afvragen hoe de aarde ontstaan is.

De eerste ontwikkeling der aarde moet op geheel andere wijze plaatsgevonden hebben dan de tegenwoordige veranderingen (z actualisme).

Hiermede zijn wij het vijfde tijdvak binnengetreden, waarin allerwege werd ingezien, dat geologie een wetenschap is, die in het hoger onderwijs thuishoort. Nadat in 1876 de nieuwe wet op het hoger onderwijs was aangenomen, werden in Leiden, Groningen en Utrecht de eerste hoogleraren in de geologie aangesteld. Zij hadden elk de geologie in haar gehele omvang, d.w.z. inclusief kristallografie, mineralogie, petrografie en palaeontologie te doceren. Met de sterke ontwikkeling dezer wetenschappen werd het al spoedig onmogelijk deze taak naar behoren te vervullen, zodat de opvolgers der eerste docenten in de geologie zich omringden met geleerden, die bepaalde der evengenoemde wetenschappen beheersten.

De rolverdeling is nu zo ver doorgevoerd, dat drie hoogleraren in het complex der geologische wetenschappen het minimum is, dat voor een behoorlijk onderwijs vereist wordt. De ontwikkeling der natuurwetenschappen heeft gevoerd tot een hernieuwde belangstelling der natuurkundigen en der scheikundigen in de kristallografie, die van een hulpwetenschap der mineralogie, sedert de ontdekking der Röntgenstralen tot een aparte wetenschap is uitgegroeid, die een der wezenlijke bouwvormen van de materie, de gekristalliseerde, onderzoekt. De physische chemie heeft wegen aan de hand gedaan om het ontstaan van mineralen en gesteenten beter te begrijpen, waardoor de beschrijvende petrografie veranderde in de begrijpende petrologie

De ontwikkeling der biologie heeft nieuwe denkwijzen in de palaeontologie ingevoerd en de evolutieleer is een belangrijk uitvloeisel van de palaeontologie geworden. Het experiment heeft belangrijke vooruitgang gebracht voor het begrijpen der processen, die zich bij de vorming van mineralen en gesteenten voltrekken. Ook in de dynamische geologie begint het experiment een vaste plaats te krijgen.

PROF. DR B. G. ESCHER

Lit.: E. Haug, Traité de Geologie (Paris 1907-1912), I. Les phénomènes géologiques,II. Les périodes géologiques; E.

Kayser, Lehrb. d. allg. Geologie (2 dln, Stuttgart 1921); Idem, Lehrb. d. geol. Formationskunde (2 dln, 1921); Th. G.

Chamberlin and R. D. Salisbury, Geology (3 dln, London 1909); Archibald Geikie, Textbook of Geology (2 dln, 4de dr., London 1923); Pirsson and Schuchert, Textbook of Geology (2 dln, New York 1924); Idem, Introductory Geology (New York 1924); Longwell, Knopf and Flint, Physical Geology (New York 1934); Schuchert and Dumbar, Historical Geology (New York 1934); Longwell, Knopf and Flint, Outlines of Physical Geology (New York 1934); P.Fourmarier, Principes de géologie (Paris Liège 1944); A. Holmes, Principles of Physical Geology (London 1944) B.

G. Esc her, Grondslagen der Algemene Geologie (Amsterdam 1948). Geschiedenis der Geologie: Ch. Lyell, Principles of Geology (9de dr.

London 1853); A. v. Zittel, Gesch. der Geologie u. Paläontologie (Leipzig 1899); P. Groth, Entwicklungsgesch. d. mineralog.

Wissenschaften (Berlin 1926); A. Geikie, The Founders of Geology (2de dr., London 1905); Idem, A Long Life’s Work (London 1924); K. F. Mather and S.

L. Mason, A Source Book in Geology (New York 1939).

Militaire geologie wordt ten behoeve van de landsverdediging in Nederland beoefend en bestudeerd door het Bureau Verdedigingsaangelegenheden en Militair-Geologische dienst, dat geplaatst is onder de Inspectie der Genie (Sectie Dienst der Genie). In navolging van het buitenland, waar de bodemgesteldheid uiteraard meer dan in Nederland de voorlichting van geologen voor het gebruik van het terrein vordert, wordt door het legerbestuur het grote belang van de kennis der geaardheid van de Nederlandse bodem ingezien. Hiermede toch hangen ten nauwste samen: de stellingbouw (o.a. aanleg van permanente verdedigingswerken), de drinkwatervoorziening, de batterijbouw en de aanleg van oefenings- en vliegterreinen, inundatiemiddelen, enz. De leerboeken der Militaire aardrijkskunde en de dienstvoorschriften der Genie en Artillerie moeten dus de nodige gegevens terzake bevatten.

Militairgeologische kaarten kunnen in dit opzicht de waterstaats-, rivieren topografische kaarten belangrijk aanvullen. Een overzicht van de ontwikkeling dezer voor Nederland nog betrekkelijk jonge wetenschap is o.a. te vinden in het tijdschrift Geologie en mijnbouw, jaargang 1948, no. 8: D. Lafeber, Militaire geologie in Nederland.

Geologische dienst is een dienst die de bodem geologisch in kaart brengt. De eerste geologische staatsdienst in Europa ontstond in Groot-Brittannië (1035)Enige staten van Noord-Amerika bezaten toen reeds geologische diensten (1825-1830). Nadat in Duitsland reeds verschillende geologische kaarten gemaakt waren, werd in 1873 de „Preussische Geologische Landesanstalt” opgericht. De „Service de la carte géologique de France et des

Topographies Souterraines” werd in 1868 opgericht. In Nederland werd een commissie voor het geologisch onderzoek in 1852 ingesteld, waarvan W. C. H.

Staring secretaris was. Het moderne geologisch onderzoek van Nederland begon met de instelling van de „Rijksopsporing van Delfstoffen”, die onder de voortvarende leiding van mr ir W. A. J.

M. van Waterschoot van der Gracht, van 1903-1916 met behulp van diepboringen en talrijke minder diepe boringen de ondergrond van Nederland verkende en twee delfstoffen in ontginbare diepte en hoeveelheden aantoonde: steenkool en steenzout. Uit de Rijksopsporing ontstond de in 1918 ingestelde Rijks Geologische Dienst, die systematisch de Nederlandse bodem geologisch in kaart brengt. De leiding van deze dienst, die in Haarlem gevestigd is, berustte bij dr P. Tesch.

Daarnaast bestond in Heerlen het Geologisch Bureau voor het Nederlandse Mijngebied onder de leiding van dr W. J. Jongmans. Met ingang van 1 Jan. 1936 werden beide diensten verenigd in de Geologische Stichting met een afdeling te Haarlem en een te Heerlen.

De afdeling „Geologische kaart” te Haarlem sedert 1 Jan. 1946 onder dr Th. Reinhold, de afdeling „Geologisch Bureau voor het Mijngebied te Heerlen sedert 1 Juni 1946 onder dr A. A. Thiadens.

De Geologische Stichting geeft uit:

1. een geologische kaart van Nederland, schaal 1 : 50000;
2. Publicaties, en wel:
a. Mededelingen van de Geol. Stichting. Nieuwe serie;
b. Mededel. v. d. Geol. Stichting. Serie C;
c. Toelichtingen bij de Geol. Kaart en
d. Jaarverslagen.

In Ned.-Indië werd in 1850 het „Mijnwezen” opgericht, dat in 1872 een eigen publicatieorgaan, het Jaarboek van het Mijnwezen verkreeg. Van 1918-1922 heette de dienst ,,’s Lands Mijndiensten” en van 1922 af „Dienst van den Mijnbouw”. Hiertoe behoort de afdeling „Opsporingsdienst”, die later begon met een systematische geologische kaartering van Sumatra en Java.

In BELGIË werd de eerste systematische geologische kaartering door André Dumont van 1836-1849 uitgevoerd en neergelegd in een kaart 1 : 160 000. Een tweede geologische kaart verscheen tussen 1890 en 1919 op de schaal 1 : 40 000. Deze opname geschiedde door de zorgen van een commissie onder de algemene directie der mijnen. De „Service géologique de Belgique” werd in 1896 opgericht.

Geologische genootschappen zijn verenigingen, die zich de wetenschappelijke beoefening der geologie ten doel stellen. In Duitsland had men bijv. voor Wereldoorlog II de Deutsche Geologische Gesellschaft in Berlin en de Oberrheinischer geologischer Verein in Süd-Deutschland, in Frankrijk de Société géologique de France en de Société géologique du Nord, in Engeland de Geological Society of London, de Geologist Association of London, de Edinburgh Geological Society en de Geological Society of Glasgow. In Nederland werd in 1912 het Geologisch Mijnbouwkundig Genootschap voor Nederland en Koloniën opgericht, waardoor de reeds bestaande Nederlandse Mijnbouwkundige en de Nederlandse Geologische Vereniging samengevoegd werden tot één genootschap met twee afzonderlijke secties. In België bestaan twee geologische genootschappen: Société beige de géologie, paléontologie et hydrologie te Brussel en Société géologique de Belgique te Luik. Ook Hongarije, Zweden, Italië, Zwitserland, de Kaapkolonie, de V.S. van Noord-Amerika enz. bezitten geologische genootschappen.

Geologische kaarten zijn kaarten, waarop de geologische gesteldheid van een bepaald gebied tot uitdrukking komt. Men bereikt dit door op een topografische kaart door middel van verschillende kleuren en (of) signaturen het verloop van de aardlagen of van complexen van aardlagen aan te geven. Ook helling en strekking der lagen, breuken, het voorkomen van ertsen enz., worden meestal op zo’n kaart aangeduid. Ter verduidelijking zijn er soms nog enige profielen aan toegevoegd.

Dankzij de internationale geologische congressen heeft men, in grote trekken, overeenstemming bereikt over de kleuren, waarmede men op geologische overzichtskaarten de formaties aanduidt.

Naar gelang de schaal onderscheidt men: detail-kaarten, meestal schaal 1 : 50 000 of groter en overzichtskaarten, meestal schaal 1 :100 000 of kleiner, waarmee een inzicht wordt gegeven van de globale, geologische gesteldheid van bepaalde landen of werelddelen. Een apart soort kaarten zijn nog de agronomische of bodemkaarten. Kaarten die niet in de eerste plaats de verspreiding der verschillende gesteenten willen aangeven, maar bedoeld zijn om de structuur, de inwendige bouw voor te stellen, heten tektonische kaarten. Lag de zorg voor de geologische kaarten vroeger in handen van genootschappen of geleerden, tegenwoordig hebben de meeste staten een aparte Geologische Dienst.

In Nederland is door W. C. H. Staring van 1857 1867 een geologische kaart, schaal 1 : 200 000 en een kaart, schaal 1 :500 000 gemaakt.

In 1918 is de Geol. Dienst ingesteld, met als voornaamste doel: het opnemen en publiceren van een geol. kaart, schaal 1 :50 ooo, die nagenoeg voltooid is. Eind 1947 waren 164 van de 182 „kwartbladen” verschenen. Het Geologisch-Mijnbouwkundig Genootschap voor Nederland en Koloniën geeft een geologische overzichtskaart 1 :200 000 uit.

De Geologische Stichting gaf in 1947 een zeer handige .,kleine geologische overzichtskaart van Nederland 1 : 600 000 uit. De Dienst van de Mijnbouw in Ned.Indië verzorgde de uitgave van een Geologische Overzichtskaart van de Ned.-Indische Archipel, schaal 1 :1 000 000, een geologische kaart van Sumatra, schaal 1 : 200 000 en een van Java, schaal 1 : 100 000. In Duitsland is het voornamelijk de „Geologische Preussische Landesanstalt”, die voor het geologisch in kaart brengen van Duitsland op de schaal 1 : 100 000 en 1: 200 000 zorgde. Haar was ook toevertrouwd het samenstellen van een internationale geologische overzichtskaart van heel Europa, schaal 1 : 1 500 000 en een van de gehele wereld, op schaal i : 5 000 000.

Frankrijk heefteen geologische kaart, schaal 1 : 80 000, België een met schaal 1 : 40 000, Engeland een op schaal 1 : 63 360 (1 inch to 1 mile). De „Commission géologique de la Société helvétique des Sciences naturelles” heeft geologische overzichtskaarten van Zwitserland, schaal i : 500 000 en schaal 1 : 100 000 (25 bladen) uitgegeven en is bezig een nieuwe kaart, schaal 1 : 200 000, uit te geven; voorts detailbladen 1 : 50 000 en 1 : 25 000. Ook buiten Europa zijn vele landen bezig aan het geologisch in kaart brengen van hun gebied. Hierbij dient voornamelijk de „United States Geological Survey” genoemd te worden, die bekend is om zijn mooie kaarten, die meestal op de schaal 1 : 125000 uitgevoerd worden.

In Afrika en Azië blijven de geologische opnamen meestal beperkt tot de gebieden, die economisch van belang zijn. Wel verschenen talrijke geologische overzichtskaarten, o.a. door P. Fourmasier van Belgisch Kongo.

Geologische orgelpijpen of Aardpijpen zijn ronde, verticale kokers of schoorstenen, die in kalkgesteenten voorkomen en in Nederland in het tufkrijt van de St Pietersberg bij Maastricht en elders worden aangetroffen. Haar middellijn wisselt hier af van 1-2 m, doch elke pijp op zichzelf heeft bijna overal dezelfde doorsnede. Zij zijn gevuld met bestanddelen van het Maasdiluvium en met löss, dat hier het tufkrijt bedekt. Zij zijn ontstaan en ontstaan nog door de werking van het regenwater, dat door zijn gehalte aan koolzuur het esteente oplost en wegens de gemakkelijke oplosaarheid van de tufkalk hoofdzakelijk de weg loodrecht naar beneden volgt.

Geologische orgelpijpen zijn karst-pijpen, die van boven gevuld zijn met zand, grint, verweringsaarde enz.

Geologische profielen (doorsneden) zijn verkleinde voorstellingen van verticale doorsneden van een gedeelte van de aardkorst. Stratigrafische profielen vertonen de opeenvolging der boven elkaar afgezette sedimenten, waarnaast behalve de naam van de laag, de Ethologische (gesteentekundige) beschrijving en de inhoud aan fossielen wordt geschreven. In de natuur is hier en daar een stratigrafisch profiel direct waar te nemen, maar de meeste stratigrafische profielen worden samengesteld uit verschillende waarnemingen in talrijke ontsluitingen.



Tektonische profielen
vertonen de dislocaties (plooien en breuken) gewoonlijk in dwarsprofiel, soms in een overlangs profiel. In steile dalen zijn natuurlijke profielen blootgelegd, bijv. in de dwarsdalen door het Juragebergte, door de Ardennen en de Alpen. Een zeer hoog natuurlijk profiel is in het Canon van de Colorado-rivier ontsloten.

Geologische thermometers zijn enige groepen gekristalliseerde mineralen, die verschillende modificaties van dezelfde scheikundige verbindingen zijn, die bij verschillende temperaturen ontstaan. Zo zijn in de natuur zes modificaties van Si02 bekend: twee van cristobaliet, twee van tridymiet en twee van kwarts. Kwarts kan slechts beneden 870 gr. G. ontstaan, tridymiet beneden 1470 gr. en cristobaliet (z kwarts) beneden 1713 gr. Van belang is, dat de 𝛼-kwarts bij verhitting bij 573 gr in 𝛽-kwarts overgaat.

Deze gaat bij verhitting bij 870 gr. in tridymiet over, die bij 1470 gr. in cristobaliet verandert. Het omgekeerde is echter niet het geval, omdat alle modificaties ook bestaanbaar zijn bij de luchttemperatuur. Komt kwarts in een stollingsgesteente voor, dan bedroeg de temperatuur van het magma op het ogenblik van de vorming dus niet meer dan 870 gr. De kwarts, die wij in de vorm van bergkristal, amethyst, rookkwarts enz. kennen, is 𝛼-kwarts, die trigonaal kristalliseert en onder 573 gr. gevormd is, veelal uit hete, waterige oplossingen.

De uit het magma gekristalliseerde 𝛽-kwarts is daarentegen hexagonaal. De hier genoemde temperaturen gelden voor gewone druk aan de aardoppervlakte. Op grote diepte in de aardkorst zijn die temperaturen ten gevolge van de hoge druk hoger. CaSi03 komt in de natuur voor in de vorm van wollastoniet. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken, dat bij verhitting van wollastoniet dit bij 1180 gr. in pseudowollastoniet overgaat.

In de natuur is echter nooit pseudowollastoniet gevonden, zodat de conclusie getrokken is, dat magma zelden of nooit een opgeslokt gesteente boven 1180 gr kan verhitten.



Boraciet
(Mg7Cl2B16O30) kristalliseert in schijnbaar regulaire kristallen. Bij onderzoek met het polarisatie-microscoop blijkt boraciet echter uit dubbelbrekende lamellen te bestaan en dus niet regulair te zijn. De schijnbaar regulaire kristallen moeten boven 265 gr. ontstaan zijn en bij afkoeling bij 265 gr., onder behoud van hun uitwendige gedaante in een niet-regulaire modificatie, vermoedelijk een rhombische, zijn overgegaan. Wordt boraciet verhit, dan verdwijnen bij 265 gr. de dubbelbrekende lamellen en wordt het mineraal inderdaad regulair.



Argentiet
(Ag2S) is werkelijk regulair boven 175 gr., schijnbaar regulair beneden die temperatuur; chalcosien (Cu2S) werkelijk regulair boven 91 gr., daaronder schijnbaar regulair. Deze veranderingen zijn omkeerbaar. Niet omkeerbaar zijn de veranderingen van markasiet (FeS2) bij verhitting bij 450 gr. in pyriet en van aragoniet (CaC03) bij 410 gr. in calciet.

Lit.: N. L. Bowen, Geologie Thermometry (in Fairbanks Laboratory Investigation of Ores, 1928); F. G.

Kracek, Melting and Transformation Temperatures of Mineral and Allied Substances. Handbook of Physical Constants, pp. 139-174, 1942; Earl Ingerson, Liquid Inclusions in Geologie Thermometry. American Mineralogist. Vol. 32, 1947.