Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

GEBED

betekenis & definitie

(1, godsdienst-phaenomenologisch), behoort tot de zgn. heilige Woorden. Het is het antwoord van de mens op het Woord Gods, dat deze meent te vernemen.

Gebed in de eigenlijke, volle zin des woords komt dan ook alleen voor in die godsdiensten of religieuze stromingen, waarin God als een wil of persoon wordt opgevat (z animisme). Vandaar dat in primitieve en halfprimitieve godsdiensten de grens tussen gebed en toverformule (z formule) moeilijk te trekken is. Het woord van de mens draagt daar in de regel het karakter van een door zijn eigen kracht werkend macht-woord. Op de nauwkeurigheid der formule en de juiste wijze van uitspreken (beter: reciteren) komt dan alles aan.

De oude Romeinen kenden de regel: bij de gebeden mag niets dubbelzinnig zijn, immers een afwijking in tekst of zelfs in declamatie zou andere gevolgen hebben dan de gewenste.Een tussenvorm tussen magische formule en gebed is de toeroep, die, nu eens magisch, dan weer als toespraak tot een godheid bedoeld wordt. Zo vindt men in een oeroud Grieks lied uit Elis de toeroep tot Dionysos, waarin hem wordt gevraagd in zijn tempel te verschijnen. Maar eerst wanneer de mens in zijn God een wil ontmoet, kan hij tot hem spreken en antwoord verwachten. Dat kan geschieden in de vorm van — gewoonlijk zeer oude — formules, doch ook in spontaan gevonden woorden.

Het gebed draagt dan het uitgesproken karakter van een dialoog. Men vindt het in alle godsdiensten, waarin het persoonlijk element in de godsvoorstelling niet geheel afwezig is. Ook bij primitieven. Soms wordt daarbij om bepaalde dingen gevraagd; soms ook is het gebed niet anders dan de uiting van de gevoelens van vertrouwen, liefde, vrees, hoop, die de mens ten opzichte van de godheid bezielen. Mits het persoonlijke element in de godsvoorstelling niet ontbreekt, kan het gebed met elke vorm van godsverering worden verbonden.

Zo treden de inwoners van Atak-pame (Togo) elke morgen voor de heilige staf van de hoogste god (fetisjisme), knielen, klappen in de handen en zeggen: „goedenmorgen vandaag, Vader!”

Waar de structuur der godsvoorstelling het karakter van wil en persoon verliest, wordt het gebed van dialoog tot monoloog. De mystiek van alle tijden en godsdiensten levert hiervan talloze voorbeelden. Het gebed is dan ten slotte een zich in zichzelf verdiepen en een „opgaan” in God. In het bijzonder het Boeddhistische gebed draagt dit karakter.

PROF. DR G. VAN DER LEEUW

Lit.: F. Heiler, Das Gebet (5de dr., 1923); G. van der Leeuw, Phänomenologie der Religion (1933); J. Segond, La prière (1911); G. van der Leeuw, Antieke Roep- en klaagliederen (1942).

(2, bij de Joden). In het Oude Testament komen zowel gemeente- als persoonlijke gebeden voor. Zij berusten merendeels op de gedachte, dat zij in de mond van de vrome het middel kunnen zijn om wijziging te brengen in Gods plannen; de vrome laat de nadruk op zijn onschuld vallen (Spreuken 15 : 29; 28 : 9). Aan de voorbede van vromen als Mozes en Samuel, in het algemeen de profeten, Wordt bijzondere kracht toegeschreven (Gen. 18 : 23-33; Amos 7).

De inhoud is in het algemeen een smeking, dat God zich als de God des heils moge openbaren, of een dankzegging voor zijn bijstand. Op de duur heeft het gebed een officiëler karakter gekregen. De vaststaande inhoud is langzamerhand gevormd door 18, later 19 leden, ’s ochtends en ’s avonds voorafgegaan door de voordracht van 3 pericopen uit de wet, die het Schemah genoemd worden.

Het gebaar bij de Joden is het uitbreiden der handen met de palmen de godheid toegekeerd, waarbij een enkele maal knielen (I Kon. 8 : 54). Dit gebaar wordt verklaard als een teken van afweer, als symbool van het ontvangen van hemelse gaven; het wordt ook herleid tot het strelen van het godsbeeld. Zodra het gebed ceremonie werd, kwamen er gebedstijden; bij de Israëlieten 3 (Psalm 55 : 18); de uren worden verschillend aangegeven. Nadat de tempel onbetwist het enig wettige heiligdom geworden was, bad men in de richting van Jeruzalem (Dan. 6 : 11).

Sommigen hadden een eigen bidvertrek (Judith 8:5). Eigenaardig Joods zijn gebedsriemen en gebedsmantels. Deze riemen dienen om bij het gebed op het voorhoofd en om de linkerarm foudralen, gedenkcedels, vast te maken, die stroken perkament bevatten met teksten uit de Pentateuch, o.a. die, waarin men het hier besproken voorschrift leest. Gebedsriemen en gebedsmantels hebben voor de Joodse gemeenschap symbolische betekenis, wat niet uitsluit, dat er oorspronkelijk voorstellingen van andere — magische — aard mee verbonden kunnen geweest zijn.

PROF. DR J. L. PALACHE +

(3, in de Christelijke Kerk). Het gebed is de roep van de mens in nood tot God om verlossing. Het is een gebed dat Christus in zijn leven, offer en opstanding heeft voorgebeden en dat daarom omgezet wordt in aanbidding. Zo is het gebed een spreken met God, waarin wij onze gevoelens van eerbied en dank, genegenheid en hulpbehoevendheid aan Hem blootleggen.

Over het algemeen onderscheidt men lofgebed, dankgebed, smeekgebed, gebed van leedwezen over begane zonden en van overgave aan Gods wil; alle kunnen herleid worden tot het gebed van aanbidding in zover ieder gebed de erkenning van Gods opperste Majesteit insluit.

Wat de wijze van bidden betreft, maakt men onderscheid tussen inwendig gebed en mondgebed, vrij en formuliergebed, openbaar en privaat gebed. Het mondgebed moet natuurlijk altijd met het inwendige gebed gepaard gaan; voor het gemeenschapsgebed is men er noodzakelijk op aangewezen, omdat men slechts langs uiterlijke tekenen, in casu de spraak, met zijn medemensen in contact kan komen; doch ook voor het individueel gebed is het aan te raden, daar het een geschikt middel is om de inwendige godsvrucht op te wekken. Heel dikwijls trouwens zal onze inwendige gebedsgesteltenis zich spontaan naar buiten veruitwendigen in een gesproken gebed. Het formuliergebed, waarbij men zich houdt aan van te voren vastgestelde formulen, heeft weinig zin als het verwordt tot een formalisme en uitwendig aframmelen; dan zou het vrij gebed zeker de voorkeur verdienen.

Voor het liturgisch gebed is men op het formuliergebed aangewezen: omdat dit in naam van de kerkelijke gemeenschap geschiedt, heeft deze het recht de gebedsvorm vooraf te bepalen; het grote voordeel is, dat het gebed hierdoor ontsnapt aan de subjectiviteit van de voorganger van de liturgische viering.

Het privaatgebed is het gebed dat ieder afzonderlijk in eigen naam voor zichzelf of voor anderen verricht, terwijl het openbaar liturgisch gebed in naam van de gemeenschap der H. Kerk geschiedt. Het privaat gebed moet het liturgische voorbereiden en het blijft het ideaal, dat het altijd geïnspireerd zij door de geest van het liturgisch gebed der Kerk.

Wat het smeekgebed betreft, dit heeft niet zozeer tot doel, aan God onze noden en verlangens bekend te maken, of zijn aandacht er op te trekken: Hij is immers alwetend; het moet veeleer ons verlangen versterken om in staat te zijn te ontvangen wat God van plan is ons te geven (aldus St Augustinus, epistola ad Probam, P. L. XXXIII, col. 500). Evenmin heeft het tot doel, God te vermurwen en van inzicht te doen veranderen, Hij is immers onveranderlijk; God heeft echter van eeuwigheid besloten zo en zo te handelen, op grond van ons gebed, dat Hij van eeuwigheid af voorzien heeft.

Voor de noodzakelijkheid van het gebed baseert men zich op de positieve wil van God, zoals deze uitgesproken ligt in de H. Schrift (Math. VII, 7-8; XXVI, 41 ;Eph. VI, 18; I Thess.,V, 17) en bekrachtigd is door de Kerk, en in haar traditie, heel bijzonder in haar strijd tegen het pelagianisme.

Over de eigenschappen van een goed gebed, spreekt zeer duidelijk de Regel van St Benedictus: het gebed weze veelvuldig, kort (tenzij het door goddelijke ingeving verlengd worde), zuiver (dit is: verricht door een ziel die onthecht is aan al het aardse), eerbiedig, nederig, en geschiede met vermorzeling des harten; voor het mondgebed voegt de Patriarch van het westerse monnikendom er nog deze gulden stelregel aan toe: onze innerlijke gesteltenis moet in harmonie zijn met ons gesproken woord (Reg. XVIII en XIX).

Het Christelijk gebed wordt in de eerste plaats gericht tot God, zoals Hij door Christus werd geopenbaard, d.w.z. tot de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; secundair, aldus de Katholieke opvatting, tot de heiligen, die reeds in Gods glorie zijn, om hun voorspraak te verkrijgen bij God. De liturgische gebeden gaan in de regel op naar de Vader door Onze Heer Jezus Christus, om uit te drukken dat alle bovennatuurlijke gaven tot de mensen komen door de ene, algemene Verlosser, de Middelaar tussen God en mens. De langere gebeden worden gewoonlijk besloten door een doxologie of verheerlijking van de H. Drieëenheid.

Zowel in de kerken der Reformatie als in de Katholieke Kerk is er, dank zij de Liturgische Beweging, een reactie ontstaan tegen de traditionele definitie van het gebed als een „verheffing van de geest tot God”. Deze gaat van een verminkte opvatting van de mens uit, alsof het lichaam slechts de graftombe is, waarin de ziel gevangen zit. De mens is echter een geheel van lichaam en ziel en bijgevolg moet ook zijn lichaam normaal in zijn gebed betrokken worden: wij bidden ook met de taal van ons gebaar en onze houding. Hiermede grijpt de Liturgische Beweging terug naar de opvatting van de nog ongedeelde Kerk der eerste Christentijden.

Te verwachten is, dat de uitwendige vormen van het gebed zich min of meer in de loop der eeuwen gewijzigd hebben. Naar de beschrijving van St Paulus (I Tim., II, 8) bidden de Christenen met opgeheven handen. Clemens van Alexandrië zegt: „Wij heffen het hoofd en de handen ten hemel en bewegen de voeten bij de laatste toejuiching van het gebed (Stromata, 7). De beste houding bij het gebed, volgens Origenes, is dat wij het doen met uitgestrekte handen en opgeheven ogen.

In de eerste eeuwen stond men gewoonlijk tijdens het gebed, vooral op de Zondag en in de Paastijd (Tertullianus, De oratione, 23); in de boetetijden werd er geknield en ook op de weekdagen. In een vroege periode nam men de gewoonte aan zich te keren naar het Oosten en daarom zijn ook de meeste kerken naar het Oosten gericht (georiënteerd). Volgens een voorschrift van St Paulus (I Cor., XI, 13) baden de vrouwen met gesluierd hoofd, de mannen daarentegen blootshoofds.

DOM DR A. VERHEUL O.S.B.

Lit.: F. Cabrol, Le Livre de la Prière antique (Paris 1910), geeft een bloemlezing van de Oudchristelijke gebeden. Uitvoerige studiën: R. Guardini, De Geest der Liturgie (Turnhout 1944); F.

Heiler, Das Gebet (München 1918); T. Ohm, O. S. B., Die Gebetsgebarden der Völker und das Christentum (Leiden 1948); F.

Ménégoz, Le Problème de la Prière. Principes d’une révision de la méthode théologique (Paris 1932).