Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

GAL

betekenis & definitie

(1) is een vloeistof, die door de lever wordt afgescheiden, normaliter in de galblaas wordt verzameld en ingedikt en via de galgang wordt uitgestort in de twaalfvingerige darm. De gal heeft een grote betekenis voor de spijsvertering; tevens dient zij voor de uitscheiding van bepaalde afvalstoffen naar de darm.

Per dag vormt de lever van een volwassen mens naar schatting 400 tot 1000 cm3 gal of meer. Deze levergal is een zwak alkalisch, oranje-geel, bitter vocht met ca 3 pct vaste stoffen. De voornaamste bestanddelen zijn 1. Galzure zouten,
2. Bilirubine,
3. Cholesterol,
4. Mucine,
5. Anorganische zouten (NaCl en NaHCO2).

De galzure zouten zijn natriumverbindingen van tauro- en glycocholzuur. Cholzuur (C23H903 COOH) wordt gemaakt door de levercellen. Het is een sterol. Zijn structuur is verwant aan die van cholesterol.

Galzure zouten zijn hydrotrope stoffen, d.w.z. zij bevorderen de oplosbaarheid van o.a. vetzuren en cholesterol in water. Bovendien verlagen zij in sterke mate de oppervlaktespanning van water, zodat zij een emulgerende invloed hebben op het vet in de darm. Hierdoor ontstaan er kleine vetbolletjes in de darminhoud, die effectief door het vetsplitsend ferment (lipase) van de alvleesklier kunnen worden aangegrepen. Deze lipase wordt door de galzure zouten tevens geactiveerd.

Als het vet is gesplitst in vetzuren en glycerine, verbinden de galzure zouten zich met de vetzuren tot een oplosbare verbinding, die door de darmwand kan worden opgenomen. Na de resorptie komen de galzuren weer vrij; zij bereiken via de poortader de lever en prikkelen deze tot afscheiding van gal.

Zijn de galwegen afgesloten of is er een galfistel, waardoor de gal afstroomt naar buiten in plaats van naar de darm, dan ontstaat er een ernstige stoornis in de vertering en resorptie der vetten en van de in vet oplosbare vitamines (A, D, K,). De ontlasting bevat dan veel vet en vetzure zepen, merendeels kalkzepen; op den duur verliest het lichaam daardoor veel kalk.



Bilirubine
(C33H36,O6N4) is een afbraakproduct van de bloedkleurstof (haemoglobine). Het ontstaat uit de haemgroep door opening van de ringstructuur en afsplitsing van het ijzer. In de darm wordt bilirubine door bacteriën gereduceerd tot het kleurloze urobilinogeen (stercobilinogeen); dit wordt gedeeltelijk door oxydasen uit het darmslijmvlies omgezet tot urobiline (stercobiline), dat de ontlasting bruin kleurt. Een ander deel van het uribilinogeen wordt in de darm geresorbeerd; langs de poortader komt het in de lever, die er, naar men aanneemt, weer bilirubine van maakt, welke opnieuw in de gal wordt uitgescheiden.

De physiologische betekenis van deze „enterohepatische kringloop” is niet geheel duidelijk. Van belang is evenwel, dat er slechts een lichte stoornis van de lever nodig is om te maken, dat deze het geresorbeerde urobilinogeen niet meer geheel kan verwerken; urobilinogeen bereikt dan via het bloed de nieren en wordt uitgescheiden in de urine. Zo kan het onderzoek van de urine op dit galkleurstofderivaat dienen om geringe leverfunctiestoornissen op te sporen. Urobilinogeen komt echter ook in de urine als de lever normaal, maar het aanbod van uribilinogeen bijzonder groot is; dit is het geval bij verhoogde bloedafbraak (z anaemie, haemolytische icterus).

Bilirubine geeft aan de gal een oranje-gele kleur. Een andere galkleurstof is biliverdine (C33H3106N4); deze is groen. Bij de mens overweegt bilirubine sterk; biliverdine zou in verse gal van de mens voornamelijk worden aangetroffen als de galwegen ontstoken zijn. Bij het konijn is biliverdine de belangrijkste galkleurstof.

De afscheiding van de gal door de lever gaat ononderbroken voort, maar zij wisselt in sterkte; ’s nachts is zij minimaal, vroeg in de middag maximaal. Vleesvoeding doet de galproductie toenemen. In de galblaas wordt de gal ingedikt door waterresorptie en bewaard tot zij voor de spijsvertering nodig is. De galblaasgal is veel donkerder dan de levergal; zij is mahoniebruin en bevat tot 20 à 25 pct vaste stof.

Middelen, die de galproductie door de lever verhogen, heten choleretica (bijv. galzure zouten); stoffen, die lediging van de galblaas bevorderen noemt men cholekinetica (.z cholagoga).



Witte gal
is de kleurloze, slijmige vloeistof, die een enkele keer in galblaas en galgangen wordt aangetroffen, als deze langdurig en volledig waren afgesloten. De kenmerkende galbestanddelen (galkleurstof, galzure zouten, cholesterol) ontbreken hier; zij zijn vervangen door waterig slijm, afgescheiden door klieren in de wand der galwegen. „Witte” gal in de galwegen (en niet alleen in de galblaas) bewijst, dat de uitscheidingsfunctie van de lever lange tijd volledig onmogelijk was, ergo, dat de lever ernstig beschadigd is.

Werkelijk wit, als melk, is zeer zelden de inhoud van een ontstoken en meestal door een steen afgesloten galblaas. Dan spreekt men van kalkmelkgal. De witte kleur berust op calciumcarbonaat.

DR H. J. VIERSMA

(2, geneesmiddel). De door indampen op het waterbad verkregen ingedikte inhoud van de galblaas van runderen vindt als geneesmiddel (Latijnse naam Fel Tauri inspissatum) toepassing. De gal bevat, voor zij wordt ingedampt, 8-10 pct vaste, niet vluchtige bestanddelen; hiervan maken deel uit de typische galbestanddelen als de galzuren (glycochol- en taurocholzuur), aan kalium of natrium gebonden, galkleurstoffen (bilirubine, biliverdine) en verder mucine, lecithine, cholesterine, choline, zepen, vetten, ureum, zouten, als natriumchloride, calcium-, magnesium- en ferrofosfaat.

(3) is de CGS eenheid van versnelling = 1 cm / SEC2. OF 1 CM SEC-2.