Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 28-12-2022

FRIESLAND

betekenis & definitie

(zie de kaart), naar de oppervlakte (342985 ha) de 4de, naar de bevolking (1 Jan. 1949: 464 540) de 8ste provincie van Nederland, omvat behalve het gebied op het vasteland, ook de eilanden Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog.

Bodemgesteldheid

Het hoogst is de provincie in het uiterste O. langs de grenzen van Drente (gem. 10 a 11 m + A.P.; Boschberg bij Appelsga 20 m + A.P.) en daalt van daar snel naar alle zijden. Het midden van de provincie is het laagst: een gebied ongeveer omsloten door de lijn Oldemarkt - Joure - Veenwouden - Stiens - Sneek Makkum - Workum ligt beneden A.P., waarin Gaasterland (5 m + A.P.; in enkele toppen nog hoger: Roode Klif 11½ m) en enkele andere zandgebieden hogere eilanden vormen. Ten N. en W. van deze lage centrale zone is de bodem weer gelijk of hoger dan A.P., terwijl in de nieuwe polders (Het Bildt en de Wadpolders) weer hoogten van + 2 m worden bereikt.

In het O. bestaat de bodem van de provincie uit grondmorene (keileem) of uit de fluvioglaciale sandr, die de glaciale keileem in meer of minder sterke mate bedekt. In het uiterste O. is deze sandr, die zich geheel bij het Drents plateau aansluit het hoogst (draagt bij Appelsga zandverstuivingen) en wordt naar de randen geleidelijk lager. De westrand wordt door enige brede, ondiepe en met veen gevulde smeltwaterdalen verdeeld in een aantal laagten (a, b, c) en ruggen (A B, C, enz.), achtereenvolgens van Z. naar N.:

a. laagte van het Vledderdiep en Steenwijker A (Drente). A. Rug met de dorpen Appelsga, Noordwolde, Finkega, Steggerda, Peperga, Blesdijke en Oldemarkt (Ov.);
b. laagte van de Linde. B. Rug met de dorpen Oosterwolde, Makkinga, Oldeberkoop, Oldeholtpade, Wolvega en Sonnega;
c. laagte van de Tjonger.
C. De ten N. hiervan gelegen brede rug die o.m. Joure, Heerenveen, Oudeschoot, Gorredijk, Duurswoude (met in de omgeving het grootste heidegebied van Friesland), Donkerbroek en Haule draagt, strekt zich ver naar het W. uit tot de zanden van Joure en Nijehaske, van St Nicolaasga en Tjerkgaast en vindt zijn voortzetting in het zand- en keileemgebied van Gaasterland, Koudum enz.; door het veen van Gorredijk wordt dit gebied min of meer in een westelijke en een oostelijke helft verdeeld, d. laagte van Boom en Koningsdiep.
D. Rug met de dorpen Siegerswoude, Ureterp, Beetsterzwaag en Boornbergum.

Ten N. van het Koningsdiep zijn de ruggen veel korter en minder duidelijk ontwikkeld en vormen zij meer een aaneengesloten zandgebied (begrensd door de lijn Beets - Hardegarijp — Oenkerk - Rinsumageest - Kollum), waar in een laagte het Bergumermeer ligt, maar waarbuiten nog verschillende voortzettingen als zandeilanden te midden van veen en klei gelegen zijn en evenals de ruggen enigszins in N.O.-Z.W. richting verlopen. In het uiterste N. (Veenwouden e.o.) dringt een veentong, met talrijke poelen en plassen, diep in dit zandgebied door.

Evenals in Drente vormden zich op de laagste en hydrografisch ongunstigste delen van de sandr hoogveenmoerassen, waarvan de meeste met de hoogvenen op Drente’s westgrens samenhangen, zoals bijv. het Fochteloërveen, het Hauler-, Surhuister- en het Bakkeveen. De venen van Gorredijk en Wilhelminaoord (Noordwolde) vormden meer zelfstandige complexen. Al deze Friese hoogvenen zijn thans nagenoeg geheel vergraven en in weiland omgezet. De brede smeltwaterdalen vulden zich met moerasveen, dat met het laagveen aan de randen van het zandgebied (zie beneden) samenhangt en eertijds de groengronden van de op de ruggen gelegen dorpen vormde.

De sandr watert naar het W. af door de Linde, de Tjonger (of Kuinder), de Boorne (met Koningsdiep), de Zuidelijke Wijde Ee (met Oude Drait) en de Noordelijke Wijde Ee (met Lits) en naar het N. door de Lauwers, welke riviertjes bijna alle in het veengebied op de Drents-Friese grens ontspringen, maar nu gekanaliseerd zijn en in boezemwateren zijn veranderd.

Gaasterland vertoont evenals de afzonderlijke hoogten van Warns, Koudum en het Roode Klif het karakter van een glaciaal landschap, waarin dikke lagen keileem, die onder het ijs een drumlinachtig karakter kregen, de N.O.-Z.W., of soms ook N.W.-Z.O. gerichte heuvels vormen. Waar deze keileemheuvels aan de voormalige Zuiderzeekust door de golfslag werden aangetast, vormden zich de bekende steile „kliffen”, nl. het Roode Klif (rood naar de kleur van de keileem), thans door een beschoeiing tegen verdere afslag beschermd, het Mirnser- en het Mirdumer Klif.

Het zandgebied in het midden en Z. van Friesland wordt vooral naar het W. begrensd door een meer of minder brede strook laagveen, het gespaarde deel van het jong holocene veenmoeras, dat zich verder westwaarts onder de zeeklei voortzet. Ten Z. van de rug Tjerkgaast-Oudeschoot (C) vormt dit laagveen een aaneengesloten gebied.

Het op het laagveen gelegen kleigebied langs de kust van Stavoren tot de Groningse grens wordt door de voormalige Middelzee in een oostelijke en westelijke helft verdeeld. Deze zeearm, waarvan het noordelijk deel beschouwd wordt als de verwijde mond van de Boorne (die vroeger tussen Ameland en Terschelling in zee mondde: Borndiep) strekte zich westwaarts uit tot ongeveer 21/2 km ten O. van Bolsward en had oorspronkelijk door twee armen — waartussen het eiland van Pingjum — verbinding met het Vlie. Behalve een aantal kreken en geulen, die vóór de bedijking het land in allerlei richtingen doorsneden en waarvan nog armelijke resten als kleine dorpsvaarten over zijn, bevatte dit kleigebied aan de rand een aantal meren, die later om hun kleibodem zijn drooggemaakt, zoals het Makkumer-, Parregaster-, Workumer-, Warregaster- en Sensmeer. Ook de dichtgeslibde en ingepolderde Middelzee, de in het noordelijk deel er van gelegen en in de 16de eeuw ingepolderde Bildtlanden, alsmede de ingepolderde aanwassen aan de kust (Wadpolders en Workumer Nieuwland) behoren physisch-geografisch bij dit kleigebied.

Het grensgebied tussen klei en laagveen vormt wel het waterrijkste deel van Friesland en bevat een menigte, door brede vaarten, „sloten”, met elkaar verbonden poelen en plassen, waarin een groepering in 3 rijen is waar te nemen, in verband met de N.O.-Z.W. verlopende ruggen: nl.

a. de langgerekte waterplas de Morra (een morenemeer ?) - Fluesen - Heeger Meer, de Oudegaster Brekken en een aantal kleinere poelen in de omgeving daarvan, de Zwarte en de Witte Brekken, het Sneeker Meer (met Goingarijpster en Akmarijpster Poelen), de Terkaplester en Terhornster Poelen, het Pikmeer, de Kromme Ee, de Wijde Ee en de Smalle Eesterzanding;

b. Slotermeer, Koevorde en Langweerder Wielen;

c. de rij Sondeler Leyen, Brandemeer, Brekken en Tjeukemeer, zich voortzettende in de plassen bij Heerenveen (Haskerwijd). Enigszins afgezonderd in een laagte in het glaciale deel ligt het ondiepe Bergumermeer met ten Z. daarvan de Leyen, een uitgeveende plas. Ook het N.W.-deel van het laagveengebied (gem. Tietjerksteradeel) is rijk aan poelen en plassen, o.m. bij Rijperkerk en Roodkerk.

Een deel van de genoemde meren en plassen dankt zijn ontstaan aan de vervening. Terwijl het zuidelijk en noordelijk deel van het laagveen nagenoeg ongerept bleef, is echter in het gehele midden, eerst door de uitvening (sedert de 18de eeuw) en daarna door de herinpoldering tot veenpolders, van de oorspronkelijke toestand weinig meer over. Het op de rand van het kleigebied gelegen en een kleibodem bevattende Stavorensche Meer en het Haanmeer zijn drooggemaakt. Voor de overige meren met hun zandbodem loonde dit deze kosten echter niet.

Kanalen

Van het grote aantal natuurlijke en kunstmatige waterlopen, waarover Friesland beschikt, zijn er enkele tot grote scheepvaartwegen uitgebouwd. Tot de voornaamste behoort de vaarweg van Groningen-Lemmer met een bevaarbaarheid voor schepen van 1000 t (en verruimingsmogelijkheid tot 2000 t). Aansluitende op het Groningse Van Starkenborghkanaal volgen het op het Hoendiep aansluitende Kolonels- of Caspar Robles Diep, Bergumermeer, Wijde Ee, Meersloot, Graft, Pikmeer. Tot Grouw van Stroobos-Grouw is het kanaal vrijwel gereed.

Voorbij Grouw geldt nog hoofdzakelijk de oude vaarweg: Rak van Ongemak, Nieuwe Wetering, Sneeker Meer (verbinding met Sneek door de Houke Sloot) en verder via Oudhof, Langweerder Wielen, Scharster Rijn, Tjeukemeer, Lemster Rijn naar Lemmer; of langs Nieuweweg, Jiltesloot, Heeger Meer, Fluesen en Morra naar Stavoren. De tak Grouw - Sneeker Meer - Lemmer wordt voor de vaart met schepen van 1000 t geschikt gemaakt; de belangrijkste veranderingen hierbij zijn: a. het graven van een nieuw kanaaltracee van Pikmeer naar Oudeschouw, de verruiming van het kanaal Oudhof Koevordermeer, het baggeren van een vaargeul door de tot dusverre onbevaarbare Koevorde, terwijl verder de nieuwe vaarweg het Stroomkanaal en de Groote Brekken zal volgen. Bij Fonejacht splitst zich van deze vaarweg Stroobos Lemmer een kanaal voor schepen van 1000 t. naar Leeuwarden en Harlingen, het zgn. Harinxmakanaal, af, dat tot Leeuwarden gereed is, zuidwaarts om Leeuwarden wordt heen geleid en bij Ritsumazijl aansluit op de Harlingertrekvaart, met een omlegging om Harlingen heen in de buitenhaven aldaar.

Tegen het einde van 1950 zullen deze kanalen voor het verkeer kunnen worden opengesteld. Andere belangrijke kanalen in Friesland zijn: het vaarwater van Sneek naar Lemmer (over Ijlst, Woudsend en Sloten), Dokkumer Ee en Dokkumer Diep, die Leeuwarden met de Lauwerszee verbinden, de (reeds genoemde) Harlingertrekvaart, de Zwette (Leeuwarden Sneek), de Wijmerts (Bolsward-Ijlst), de Trekvaart van Workum naar Bolsward en verder als Pijphorn naar Leeuwarden, de Trekvaart van Sneek naar Franeker, de Heerensloot en het Deel van Akkrum naar Heerenveen. In het O. werd de vervening aanleiding tot het graven van enkele kanalen: nl. van de Wijde Ee uit de Drachtster en de Ureterpster Compagnonsvaart, door de Haulerwijk en de Veenhuizer Kolonievaart met de Drentsche Hoofdvaart verbonden; van de Boom uit de Nieuwe Vaart en haar verlengde, de Opsterlandsche Compagnonsvaart, met de Drentsche Hoofdvaart verbonden door de Witte Wijk; van de Tjonger uit de Schoterlandsche Compagnonsvaart.

Waterlozing

Friesland is voor het grootste deel polderland met kunstmatige waterlozing. De polders van Friesland kunnen worden verdeeld in zeepolders, droogmakerijen, veenpolders en binnenpolders. De eerste zijn de successievelijk ingepolderde aanwassen langs de zee, zoals Het Oude en Het Nieuwe Bildt, de Westelijke en Oostelijke Bildtpollen, het Nieuwe Monnikenbildt, de Noorderleegster Pollen, de Holwerder Westelijke en Oostelijke Polders, de Ternaarder, de Anjumer en Lioessenser Polder in het N., het Workumer Nieuwland in het W., en de Wielpolder in het Z. De meerpolders zijn drooggemaakte meren, zoals het Workumer en het Parregaster Meer e.a. (zie boven); de veenpolders zijn uitgeveende en daarna drooggemaakte gebieden, die vooral in het centrale deel van Friesland een grote oppervlakte beslaan: de Veenpolder van het 4de en 5de Veendistrict (Aengwirden; de oudste, aangelegd 1826), de Veenpolder van het 6de en 7de Veendistrict, de Deelen, de polder van Delfstrahuizen, de Groote St Johannisgaster Veenpolder, de Groote Veenpolder in Opsterland en de Smallingerland, de Hasker, de Heidenschapster, de Trijegaster Veenpolder, de Groote Veenpolder in Weststellingwerf, de Veenpolder van Echten, de Veenpolder onder Ter Idzert en Oldeholtwolde en de Groote Noordwolder Veenpolder.

De binnenpolders (en waterschappen) omvatten de door dijken beschutte lagere delen.

Hoewel onderling nog dikwijls door grote stukken boezemland (totaal 4 000 ha) gescheiden, neemt het oppervlak van deze binnenpolders nog steeds toe. Zij lozen hun overtollig water op één boezem, nl. ,,Frieslands Boezem”, gevormd door de talrijke meren, poelen en kanalen, die met een oppervlakte van 24 000 ha bijna het gehele alluviale deel van Friesland omvat en waarop ook het hogere O. van de provincie en delen van Groningen en Drente afwateren. Bij hoge waterstanden in de winter lopen ook de boezemlanden — buitenlanden geheten — onder en vervullen dan de dienst van hulpboezems.

De lozing van Frieslands Boezem geschiedt op geheel natuurlijke wijze op Waddenzee en IJselmeer, en vindt plaats door 11 sluizen, nl. de Friesche Sluis bij Zoutkamp, de Dokkumer Nieuwe Zijlen, de Roptazijl en de sluizen te Harlingen, Makkum, Workum, Hindeloopen, Molkwerum, Stavoren, Tacozijl en de Lemmer, waarvan de beide eerste wel de voornaamste zijn, doordat de ebben het laagst aflopen (1.40 —N.A.P.) en aldaar in het N.O. van Friesland bij eb grote hoeveelheden water kunnen worden geloosd. De betekenis van deze N.O.-sluizen wordt nog vergroot door de overheersende Z.W.-winden, die het water naar het N. opstuwen om welke redenen men dan ook door de aanleg van een aantal vaarten van het Bergumer Meer uit de afstroming van het water naar het N.O. heeft bevorderd, nl.: Kuikhornstervaart - Nieuwe Zwemmer - Dokkumerdiep Nieuwe Zijlen en Kolonelsdiep - Lauwers - Friesche Sluis. De aan het IJselmeer gelegen sluizen hebben haar betekenis voor de afwatering vrijwel geheel verloren. Om een al te grote opstuwing van het boezemwater in het N.O. te voorkomen is de keersluis te Terhorne aangelegd.

Te Tacozijl is sedert 1920 een gemaal in werking dat bestaat uit 8 pompen, die elk 500 m3 water per minuut kunnen uitslaan. Door de afsluiting van de Zuiderzee is het thans ook mogelijk bij lage waterstanden van de boezem (zoet) water daaruit binnen te laten. Oostdongeradeel en Westdongeradeel (gedeeltelijk) en enige bedijkingen langs Lauwerszee en Wadden lozen direct op zee. Het Z. van Friesland vormt een afzonderlijk poldergebied met de Linde als boezem.

Nederzetting

In de voorhistorische en vroeghistorische tijd leefde de bevolking op terpen, om zich tegen de watervloeden te beschermen (z Friezen). Landbouw en veeteelt waren toen hoofdmiddelen van bestaan. In de Karolingische tijd zijn de Friese lakens reeds zeer bekend. Toen de vloeden nog hoger werden, is men van binnen uit waterkeringen gaan aanleggen, die, hoe zwak aanvankelijk ook, toch min of meer de om de terpen gelegen bouwlanden beschermden.

Lorié neemt in Westergo een drietal „eilanden” (Tzum, Lutkewierum en de rug van Wijnaldum) aan, van waaruit de herovering van het land een aanvang nam en die begon met het onderling verbinden der eilanden, terwijl later de dijken steeds verder zeewaarts werden verschoven. Het langst onbedijkt bleef de Middelzee, doch reeds in de 12de eeuw begon deze dicht te slibben in het deel ten O. van Bolsward. Ca 1230 wordt reeds gesproken van het aldaar gelegen dorp Nijland. In de 13de eeuw schijnt de opslibbing reeds tot Leeuwarden te zijn voortgeschreden, en de dorpen zowel aan de oost- als aan de westzijde hadden in deze dichtgeslibde zeearm hun — lange tijd gemeenschappelijk gebruikte (meenscharen) — „nieuwlanden” (Boxumer-, Weidumer-, Deersumer-, Wirdumer Nieuwland enz.), die steeds dichter aan elkaar sloten, zodat om de grens te bewaren tussen Oostergo en Westergo een kade („zwette”) moest worden aangelegd, waarlangs tussen 1505 en 1529 de vaart van Sneek naar Leeuwarden (eveneens Zwette genaamd) werd gegraven.

De aanleg van de Boxumerdijk (voor 1270) en de Schradijk duiden de voortgang van de inpolderingen aan (de verbindingsarmen met het Vlie waren waarschijnlijk eveneens reeds vroeger dichtgeslibd). De overblijvende inham werd van 1505-1508 verkleind door de inpoldering van Het Oude Bildt, terwijl ook later nog door successievelijke inpoldering der opwassen het kleigebied van Friesland zich weer verder zeewaarts heeft uitgebreid (zie boven).

Terwijl in deze later bedijkte gebieden uiteraard geen terpen voorkomen, vormden in het oudere gebied de terpdorpen aanvankelijk gesloten nederzettingen, met bouw-, wei- en hooilanden. Bij de toenemende bedijking werden echter de boerderijen de een na de ander verplaatst in de nabijheid van de landerijen, zodat het Friese kleigebied thans overdekt is door een aantal te midden van hun landerijen gelegen verspreide hoeven (z dorp) en talrijke kleinere (Westergo) en grotere (Oostergo) terpdorpen, die vnl. uit de kerk, de school en de woningen van landarbeiders en neringdoenden bestaan en waarvan de kleinere door de kronkelende hoofdwegen worden gemeden. Ook verschillende Friese steden — zoals Leeuwarden en Franeker — zijn door samenvoeging van terpbuurten ontstaan. Het laagveengebied heeft meest weg- of dijkdorpen of kleinere buurten (-huizen).

De eveneens later ontstane nederzettingen op de heuvelruggen (bijv. Jubbega) en op de grenzen van het zand met klei of veen (bijv. Rinsumageest, Garijp) zijn wegdorpen met opstrekkende landerijen, terwijl het uiterste O. in zijn nederzettingsvormen (bouwland geconcentreerd in essen of verspreid in kampen) overeenkomst vertoont met de oude nederzettingsvormen van Drente en Overijsel (bijv. Oosterwolde en Eestrum).

Weg- en kanaalveenkoloniën met geconcentreerde bewoning langs weg of kanaal en met landinwaarts opstrekkende landerijen worden in de vroegere hoogveengebieden aangetroffen (bijv. Haulerwijk, Surhuisterveen, Rottevalle, Gorredijk, Drachten).

Bevolking

Deze bedraagt (1 Jan. 1949) 464 540 zielen en is grotendeels Protestant: (1947) Ned. Herv. 39,7 pct, Gereformeerd 24,4 pct (het talrijkst in Oostdongeradeel, Ferwerderadeel, Kollumerland en Achtkarspelen), R.K. 7,3 pct (vnl. in het Z.W. van de provincie), onkerkelijken 23,4 pct (het sterkst in de gemeenten Heerenveen, Utingeradeel, Opsterland, Leeuwarden, Harlingen en Het Bilt), andere kerkgenootschappen 5,2 pct. Onder de laatste zijn de Doopsgezinden bijzonder talrijk.

De provincie omvat 44 gemeenten, nl. 4 eilanden, 11 „steden” en 29 plattelandsgemeenten (merendeels voormalige grietenijen), die enige grote en kleine dorpjes bevatten, bijv. Wonseradeel 29, Wijmbritseradeel 28, terwijl omgekeerd Heerenveen, reeds in 1930 een woonkern met 6373 inw., in 3 gemeenten (Haskerland, Schoterland en Aengwirden) lag. 1 Mei 1934 is echter een afzonderlijke gemeente Heerenveen gevormd door samenvoeging van Aengwirden met Schoterland en een deel van Haskerland, terwijl Haskerland met een deel van Schoterland werd uitgebreid. De plattelandsgemeenten hebben meest een grote oppervlakte (de grootste Weststellingwerf met 22 819 ha en (1949) 19 949 inw., de kleinste Rauwerderhem met 3435 ha en 2807 inw.). De 11 steden — Leeuwarden, Sneek, Bolsward, Franeker, Harlingen, Stavoren, Workum, Hindeloopen, Ijlst, Sloten en Dokkum — zijn meestal in een zeer klein gebied samengedrongen.

De kleinste oppervlakte heeft Dokkum nl. 211 ha (met 1949: 5789 inw.), de grootste Leeuwarden nl. 6360 ha (door vergroting met het zuidelijk deel van Leeuwarderadeel). De volkrijkste plaatsen zijn Leeuwarden (1949) 78 439 inw., Sneek 19 184 inw., Harlingen 11 021 inw., Franeker 9108 inw., Bolsward 7538 inw., Drachten ca 10 000 inw. en Heerenveen ca 10 000.

Bestaansmiddelen

Friesland is in hoofdzaak een veeteeltprovincie. Het grasland neemt (1948) 80,9 pct van de oppervlakte cultuurgrond in beslag, bouwland 18,1 pct, tuingrond 1 pct. De bossen hebben geringe uitgestrektheid en zijn vnl. gelegen in het hoge O. van de provincie (Beetsterzwaag, Appelscha, Bakkeveen, Oranjewoud), in Gaasterland (vooral beuken en eikenhakhout) en op verschillende der Z.W. - N.O. verlopende ruggen; een groot gedeelte van het houtbestand wordt in laatstgenoemd gebied door perceelscheidingen gevormd. In het O. van de provincie ligt nog enige woeste grond, vnl. heide.

Naar de agrarische bestaansmiddelen kan Friesland in 5 delen worden verdeeld. In de kleiweidestreek (het kleigebied ten Z. van de spoorlijn Leeuwarden - Harlingen, inch de gemeente Leeuwarderadeel) is veeteelt hoofdzaak (1945: 91,2 pct grasland, 8,2 pct bouwland). Nog groter is het percentage grasland in de veenweidestreek, die het veengebied en het lage kleigebied in het midden van de provincie omvat, nl. 94,8 pct. Bouwland neemt slechts 5 pct van de oppervlakte cultuurgrond in beslag.

Ook in de Wouden is (evenals op de eilanden) de oppervlakte grasland groot (80,1 pct). De grootste oppervlakten bouwland hebben de gemeenten Weststellingwerf (14,6 pct), Ooststellingwerf (35,2 pct) en Opsterland (21,2 pct). Zelfs in de kleibouwstreek (ten N. van de lijn Stroobos - Dokkum - Stiens - Deinum - Harlingen) overweegt de oppervlakte grasland (54,3 pct) over het bouwland (42,6 pct). Onder de in dit laatstgenoemde gebied geteelde landbouwgewassen overwegen de consumptieaardappelen met (1941) 38,4 pct van de oppervlakte bouwland; zij worden hoofdzakelijk als pootaardappelen verhandeld (1946/’47: 161 millioen kg).

De granen (tarwe en haver) nemen 28,2 pct van de oppervlakte bouwland in beslag, suikerbieten 6,9 pct. In de veenweides treek wordt een weinig graan (vnl. haver), op de eilanden wat rogge en haver verbouwd. In de Wouden nemen consumptieaardappelen 36 pct van de oppervlakte bouwland in beslag, haver 14 pct, rogge ca 34 pct. In de landbouwstreek van het kleiweidegebied overweegt de teelt van consumptieaardappelen (36 pct van de oppervlakte bouwland), daarna volgen suikerbieten en tarwe.

De tuingrond is voor een groot deel geconcentreerd rond Berlikum en in Het Bildt. Van de tuinbouwveilingen hebben die te Berlikum (1946: 2 millioen gulden), Leeuwarden (1,6 millioen gulden), Minnertsga (0,8 millioen gulden, vnl. aardappelen), Harlingen (0,7 millioen gulden) en Sneek (0,7 millioen gulden) de grootste omzetten. Menaldum, Beetgumermolen, Minnertsga e.a. hebben speciale aardappel veilingen. De totale omzet der tuinbouwveilingen beliep in 1946 meer dan 8 millioen gulden.

De Friese veestapel staat zeer hoog. De bemoeiingen van het „Friesche Rundveestamboek” hebben er toe medegewerkt, dat het Friese fokvee een belangrijk uitvoerartikel is geworden. Ook voor de boterproductie was de veredeling van het Friese vee van betekenis. De gemiddelde hoeveelheid melk per koe per jaar bedraagt in het laagveengebied 4160 kg, op het zandgebied 3658 kg, op de klei 4080 kg; echter zijn op de klei ten gevolge van de betere gras- en hooisoorten het vetgehalte en de boteropbrengst het grootst.

De grootte van de veeteeltbedrijven loopt sterk uiteen. Op de klei bedraagt het aantal koeien per bedrijf gemiddeld 16, op het laagveen 20, in de veenpolders 10,5 en in de zandbedrijven 5,5. Een grote rem in de ontwikkeling van de Friese agrarische bedrijven vormen echter het sterke pachtwezen en het absenteïsme der grondbezitters. Het rundvee wordt vnl. verhandeld op de weekmarkten te Leeuwarden en Sneek; paarden te Leeuwarden, schapen te Leeuwarden en Sneek, varkens behalve in de genoemde plaatsen ook op de markten te Drachten en Wolvega.

De voornaamste industrie van Friesland, nl. de zuivelindustrie, is ten nauwste met het veeteeltbedrijf verbonden. Zo goed als alle boter en kaas worden in de fabrieken bereid. In 1948 telde Friesland 98 (meest grote — de grootste te Leeuwarden, Bolsward en St Nicolaasga) zuivelfabrieken, waarvan 78 coöperatief georganiseerd, die zeer gelijkmatig over de provincie verspreid liggen; een aantal bedrijven houdt zich bezig met de vervaardiging van melkpoeder en gecondenseerde melk. De jaarlijks verwerkte hoeveelheid melk bedraagt meer dan 700 millioen kg.

Ter wille van de export is een groot aantal fabrieken aangesloten bij de Friesche Coöperatieve Zuivel-exportvereeniging. Door een 30-tal fabrieken is in 1913 de condensfabriek „Friesland” opgericht (voor de productie van gecondenseerde melk), waaraan 70 fabrieken een deel van haar melk leveren. In Bolsward is de Rijkszuivelschool gevestigd. Uit oogpunt van werkgelegenheid is de overige industrie thans echter veel belangrijker dan de zuivelindustrie.

In de omgeving van Harlingen en langs de Harlingertrekvaart ligt een aantal steenfabrieken, eveneens te Makkum (alwaar bovendien een plateelfabriek). Harlingen en Leeuwarden bezitten enige scheepsbouw. Verder zijn nog te noemen de houtbedrijven te Joure (meubelmakerijen), Ijlst (zuivelbenodigdheden), Grouw (kisten), Lemmer, Noordwolde (rietmeubelen), de olieslagerijen te Akkrum; de schaatsen- (en andere metaalwaren) fabrieken te Ijlst en Heerenveen, de metaalwaren- en machinefabrieken te Leeuwarden, Sneek, Franeker, Gorredijk, Dokkum, Surhuisterveen, Heerenveen, Drachten, de papier- en cartonnage-industrie te Leeuwarden en Joure, de touwslagerij te Sneek, de tabaksfabriek te Joure, de drijfriemenfabriek te Drachten, de exportslagerijen te Akkrum en Wolvega en de confectiefabrieken te Zwaagwesteinde, Heerenveen en Haulerwijk.

De oppervlakte onvergraven hoogveen is nog slechts gering en de turfproductie heeft nog slechts plaatselijke betekenis (Fochtelo en omstreken). Hier en daar wordt enig laagveen vergraven o.a. bij Delfstrahuizen, Haskerdijken en Beets.

Verschillende plaatsen langs de kust van het IJselmeer en de Wadden hebben nog zeevisserij. Voor de Wadvisserij is Harlingen het belangrijkst (aanvoer 1939 795 332 kg vis) ; de visaanvoeren uit het IJselmeer beliepen in Stavoren 329 897 kg, in Makkum 234807 kg, in Lemmer 268219 kg, in Hindeloopen 142 994 kg. Belangrijk is ook de palingvisserij op de meren. Workum en Gaastmeer zijn de hoofdcentra.

Verkeer

Vrij veel vervoer binnen de provincie vindt nog te water plaats en er is dan ook een druk scheepvaartverkeer. Het interprovinciale verkeer wordt ten zeerste vergemakkelijkt door de nieuwe kanalen, waardoor o.a. Leeuwarden en Sneek voor schepen van 1000 ton bereikbaar worden. In 1948 telde Friesland 1226 binnenschepen met een totale tonnage van 81 495 ton, w.o. nog vele zeilschepen.

Vooral in de gemeenten Leeuwarden, Sneek, Harlingen, Heerenveen, Tietjerksteradeel en Wymbritseradeel horen vele binnenschepen thuis. Van betekenis is ook de beurtvaart, waarvan het vervoer vooral op Leeuwarden, Harlingen en Sneek gericht is. Aan spoorwegen (zie de kaart) bezit Friesland de lijnen Groningen - Leeuwarden Harlingen, Leeuwarden - Stavoren en Leeuwarden - Meppel. Daarnaast bestaat een groot aantal autobusdiensten, die in de vorm van streeknetten zijn georganiseerd.

De handel vindt nog voor een groot deel plaats op de weekmarkten, vooral die te Leeuwarden en Sneek. Leeuwarden is de voornaamste handelsplaats (zetel van de Kamer van Koophandel voor Friesland) en tevens het administratieve centrum. Leeuwarden en Sneek zijn de voornaamste winkelcentra. Dokkum en Bolsward zijn de zetel van talrijke grossierderijen.

Friesland is een ideaal land voor de watersport, waarvoor Sneek, Grouw en Eernewoude de middelpunten zijn. De bossen op de hogere zandgronden (Beetsterzwaag, Oranjewoud, Appelsga en Rijs) zijn meer ontspanningsoorden van locale betekenis. Op de Waddeneilanden is het vreemdelingenverkeer van grote betekenis.

Bestuur

Aan het hoofd van de provincie staat de Commissaris der Koningin, bijgestaan door de Gedeputeerde Staten (6 leden) en de Provinciale Staten. Voor de rechtspraak ressorteert de Provincie onder het Hof te Leeuwarden, bezit een arrondissementsrechtbank te Leeuwarden en kantongerechten te Leeuwarden, Heerenveen en Beetsterzwaag.

PROF. DR H. J. KEUNING

Lit.: B. K. v. d. Berg, Het laagveengebied van Friesl., diss. (1933) , T. v. d. Zee, De Friesche boerencoöperaties, diss. (1933); A.

Vondeling, Eat oer it tal biwenners, de migraesje en de befolkingstichten yn fryslan (1942); G. J. Otten, Gedenkboek samengesteld ter gelegenh v. h. honderdj. bestaan der Kamer v. Kooph. en Fabr. voor Friesl. 1847-1947 (Leeuwarden 1947); Een beknopt sociaal-econ. overzicht v.

Friesl. (Leeuwarden 1947). Rapport Econ.-technol. Instituut voor Friesl., nr 55.

Friese taal en letterkunde

TAAL

Het Fries behoort tot de Westgermaanse talen en vertoont in die groep een nauwe verwantschap met het Engels; sommige overeenkomsten met andere Noordzee-dialecten hebben geleid tot het Ingwaeonen-probleem, dat tot nu toe nog niet op een bevredigende wijze is opgelost. Voor het Fries tot 1500 bezigt men algemeen de term Oudfries, voor dat na 1800 die van Nieuwfries; over de bepaling van begin- en eindgrens van het Middelfries heerst verschil van mening. Thans onderscheidt men Westerlauwersfries in Nederland, Oostfries in Duitsland en Noordfries in het Duits-Deense grensgebied.

Het Westerlauwersfries wordt gesproken in de provincie Friesland en in het uiterste W. van de provincie Groningen. Het valt uiteen in drie grote dialectgroepen: het Kleifries, het Woudfries en het Zuidhoeks; enige kleinere dialecten: het Hindelopers, het Oost- en het West-Schellings en het Schiermonnikoogs; een aantal mengdialecten: in de steden (Stadsfries) Bolsward, Dokkum, Franeker, Harlingen, Leeuwarden, Sneek en Stavoren, op Het Ameland en in Het Bildt; en een Saxofries randdialect in het grootste deel der Stellingwerven, waar Nieuw Appelsga een Friese enclave vormt. Niet Fries zijn Midsland op Terschelling, Vlieland en een klein gebied rondom Kollum.

Het Oostfries bestond oorspronkelijk uit twee grote dialectgroepen: het Emserfries en het Weserfries, maar is thans beperkt tot het Sagelterlands in Oldenburg.

Het Noordfries wordt verdeeld in twee dialectgroepen: het Vastelandsfries, gesproken in de kuststrook tussen Tonder en Husum en op de halligen Gröde, Hooge, Langenes en Oland; èn het Eilandsfries, waaronder samengevat worden de dialecten van Amrum, Föhr, Sylt en Helgoland, het laatste op het ogenblik gesproken aan de vaste wal (z hierna Friese beweging).

LETTERKUNDE TOT 1600

Het bericht in de Vita Liudgeri over de beroemde zanger Bernlef en dat in de Lex Frisionum (802) over de bescherming van de harpspeler bewijzen het bestaan ener Friese epische dichtkunst in de vroege middeleeuwen, van welk bestaan in de Beowulf, het Finnsburgfragment, de Kudrun en de Widsith alsmede in de IJslandse saga’s de weerklank is te horen. De epen zelf echter gingen voor ons teloor. Op religieus gebied is slechts een fragment ener psalmvertaling bewaard gebleven, de tien geboden (in verschillende redacties) en, uit veel later tijd, de Bageler Sermoenen. Toch kan men de zin voor literaire schoonheid bij de Friese middeleeuwers ook nog constateren bij de codificatie der oude wetten; en dan nog niet zozeer in de hier en daar als verdwaald staande rijmstukken als wel in de formulering der wetten zelf, die door het gedragen rhythme, de alliteratie, de rijkdom aan sterk beeldende adjectieven een breed-epische klank krijgt. Het verlorengaan der politieke vrijheid in 1498 betekende voor het Fries het einde als rechtstaal.

De voornaamste bronnen zijn:

1. Voor Westerlauwers Friesland:
a. de apographa en collaties van de Codex Unia, van de hand van Franciscus Junius;
b. het Jus Municipale Frisionum (oorspronkelijk 1464);
c. een incunabeldruk van de Friese wetten (ca 1485) door Hidde fen Cammingha;
d. de Codex Roorda (in of na 1480);
e. de Codex Aysma;
f. de Apographa van de hand van S. A. Gabbema ;
g. de Codex Furmerius;
h. de Codex Parisiensis.



2.
Voor Oosterlauwers Friesland:
a. de Rüstringer rechtsbronnen (2 redacties);
b. de Brokmerbrief (2 redacties);
c. de rechtsbronnen van Emsigo (3 redacties);
d. de rechtsbronnen van Hunsigo (2 redacties);
e. de rechtsbronnen van Fivelingo.

Verder zijn voor Westerlauwers Friesland, al weer in hoofdzaak uit filologisch oogpunt, nog van belang: een groot aantal oorkonden (ca 1325 - ca 1575), enige brieven, enkele kroniekjes en de verzameling Rijmspreuken van Reyner Bogerman (1540).

NA 1600

A. Westerlauwers Friesland

Sedert de aanvang dezer eeuw begint de overlevering van literatuur in engere zin met enige bruiloftsgedichten, zoals Woutir ende Tialle (1609) en Ansck in Houck (1639) van J. fen Hichtum en een paar gedichtjes van J. J. Starter, die ook als Fries toneelschrijver — zij het vrij schamel — de rij opent. Gysbert Japicx (1603-1666) echter is een veelzijdig renaissancedichter.

Eerst in 1755 benadert J. Althuysen enigszins zijn peil in de voortzetting van Japicx’ psalmberijming; een andere epigoon van Japicx is D. Lenige aan het eind der 18de eeuw. Tijdgenoten van deze zijn de toneelschrijverpredikant F.

H. van der Ploeg (1736-1790) en de eerste goede prozaïst E. Meinderts.

Eerst de 19de eeuw zou mede onder invloed van cultuurstromingen van buiten en politieke veranderingen binnenslands (z hierna Friese beweging) kwantitatief zowel als kwalitatief een tijd van bloei voor de Friese letteren worden. De door de beweging der Romantiek sterk beïnvloede Franeker hoogleraar E. Wassenbergh (17421826) had door zijn colleges en geschriften over Gijsbert Japicx als een katalysator ten aanzien van de studie der Friese filologie gewerkt: de Wassenbergh-school ontstond. In de sfeer van deze school werd ook getrokken de taalkundige J.

H. Halbertsma (1789-1869), die in samenwerking met zijn broeders E. en T. H. Halbertsma de Friezen in de Rimen ind Teltsjes (1871) een volksboek bij uitnemendheid schonk; met H.

S. Sytstra zijn de gebroeders Halbertsma de beste vertegenwoordigers der Friese romantiek; deze stroming werd wel is waar korte tijd onderbroken door een van rationalisme met aan het hoofd de moralistisch-didactische schrijvers („folksskriuwers”) W. Dykstra, T. G. van der Meulen en H.

G. van der Veen, de laatste een meester in het epigram, maar herleefde in de poëzie van P. J. Troelstra (Rispinge 1909) en de bijdragen van het door hem geredigeerde tijdschrift For Hûs en Hiem. Een ander facet van deze tweede Romantiek is de opkomst van de Christelijke schrijvers onder leiding van L. Wagenaar als reactie op de anti-orthodoxe tendenz van het werk der rationalisten en als voorbode van hetgeen later in ’t Kristlik (Frysk) Selskip (1908) een duidelijker gestalte zou aannemen.

Een plotseling einde aan dit tijdvak brengt 1890, het jaar waarin Troelstra zijn werk als redacteur neerlegt om zich volledig te wijden aan zijn maatschappelijke idealen.

In de volgende periode tot 1914 treden naast de toneelschrijver R. W. Canne drie — ook onderling — onafhankelijke talenten op: S. Kloosterman, O.

Postma en R. Brolsma. Sedert 1915 vormt zich de kring der Jongfriezen, waarvan D. Kalma de leider werd.

Zijn werk als criticus, (literair-) historicus en als vertaler is van grote betekenis. Meer dan bij hem werd in de geschriften der andere Jongfriezen (orgaan: Frisia) de synthese gelegd tussen al te persoonlijke en volkstaal, waardoor enerzijds de vooruitgang ten opzichte van de ipde-eeuwse „folksskriuwerij” bleef, anderzijds de Friese letteren de lasten van een kastedialect bespaard werden; zo het werk van E. B Folkertsma en R. P.

Sybesma. Laatstgenoemde die met J. H. Brouwer het zuiver-literaire tijdschrift De Holder (1926-1929) redigeerde, en D.

H. Kiestra waren vrijwel de enigen onder deze jongeren, die goed verhalend proza geleverd hebben; de kracht der vernieuwing richtte zich hoofdzakelijk op de poëzie. F. Schurer, met E.

B. Folkertsma in de kring van ’t Kristlik Frysk Selskip thuishorend en evenals Brouwer en Kiestra niet direct voortgekomen uit, maar ook niet los te denken van „1915”, zou niet alleen de dichter van het moderne Friese lied worden, maar tevens een begaafd berijmer der Psalmen, welke arbeid met die van G. A. Wumkes als vertaler van de Bijbel (1943) het Fries weer betekenis heeft gegeven als kerktaal.

Wumkes had daarvoor al aangetoond, dat het Fries zich ook voor cultuurhistorisch werk uitstekend leende; hetzelfde deden D. Kalma en J. Piebenga in hun literair-historische, J. M. van der Goot in zijn cultuurcritische arbeid.

Het manco van ,,1915” bleef, dat het op het terrein der romankunst niet de stoot tot vernieuwing kon geven, mede door de omstandigheid dat Friese auteurs van professie noodgedwongen het Nederlands als medium nemen. De romans van S. Kloosterman, R. Brolsma en uit later tijd die van U. van Houten en Y.

Poortinga, hoe goed overigens ook,

beperken zich nog alle tot de traditionele sfeer. N. Haisma gaf echter in zijn proza reeds een décorverandering, A. Wadman paste bovendien een voor de Friese romanliteratuur nieuw thema toe in Fioele en Faem (1948).

Het aantrekkelijkst blijft vooralsnog de poëzie, welke door de laatste generaties soms opgestoten wordt tot een Westeuropees niveau. De balladendichter D. A. Tamminga is in alle opzichten de centrale figuur tussen oude en jonge garde; van de laatste noemen wij G.

Visser, G. Gezelle Meerburg, J. Dijkstra en A. Wadman, de redacteur-criticus van De Tsjeme; dit tijdschrift, waarin ook F.

Sierksma zo nu en dan zijn stem laat horen, bindt op het ogenblik alle vooraanstaande Friese auteurs samen.

B. Oost-Friesland

Hier stierf de taal uit, eer zij andere literatuur dan de juridische had voortgebracht. Enige schamele resten der taal zijn ons bewaard gebleven in een bruiloftsgedicht (1632) van Imel Agena van Upgant en in het uit het laatst der 17de eeuw daterende Memoriale Linguae frisicae (uitgeg. 1911) van J. Cadovius Müller, dat o.a. een fragment van het oude danslied Bukske di Remmer (uitgeg. 1937) bevat. Van het kortgeleden uitgestorven Wangeroogse en het nog taai levende Sagelterlandse dialect zijn slechts voor filologische doeleinden vervaardigde teksten bekend.

C. Noord-Friesland

De grote dialectverschillen binnen het Noordfries hebben het ontstaan ener bloeiende volksliteratuur verhinderd. Sylt heeft aan deze literatuur nog de aanzienlijkste bijdrage geleverd. Uitgezonderd de Hansen’s kent zij nauwelijks hoogtepunten, want ook het Noordfries moest zijn grotere talenten (Th. Storm) afstaan aan literaturen met meer verspreidingsmogelijkheid.

Lit.: Algemeen: M. K. Scholten, Cat. Friesche taal-en letterkunde (Leeuwarden 1941).

Taalkunde: K. von Richthofen, Altfri. Wörterb. (Göttingen 1840); F. Holthausen, Altfri. Wörterb. (Heidelberg 1925); E.

Epkema, Woordenb. op... Gijsbert Japicx (Leeuwarden 1824); W. Dykstra, Fri. Woordenboek (Leeuwarden 1900-1911); N.

Outzen, Gloss. der... Nordfri. Mundart (Kobenhavn 1837); Lyts Frysk Wirdboek (Boalsert 19442) , J. Winkler, Friesche naamlijst (Leeuwarden 1898); Nom. geogr.

Neerl. (Amsterdam 1884 e.v.); J. J. Raima, Fryske plaknammen (Ljouwert 1949 e.v.); Th. Siebs, Gesch. d. fri.

Sprache (Strassburg 19012); Idem, Zur Gesch. d. englisch-fri. Sprache (Halle 1889); J. Huizinga, Hoe verloren de Gron. Ommelanden hun oorspr.

Fri. karakter? (Driem. BI. 1914); G. Gosses, G. Karsten, K.

Heeroma, Een Fri. substraat in N.-Holland? (Amsterdam 1942); P. Jörgensen, Über die Herkunft d. Nordfriesen (Vidensk. Selsk.

Hist. Filol. Medd. XXX, 5; Kobenhavn 1946); W.

Steller, Abrissd. altfri. Grammatik (Halle 1928); P. Sipma, Phonology and Grammar of modem West-Frisian (Oxford 1913); Idem, Ta it Frysk, 3 dln (Ljouwert 1948-1949); K. Fokkema, Beknopte Friesche spraakk. (Gron. 1948); M. de Haan Hettema en R.

Posthumus, Onze reis naar Sagelterland (Franeker 1836); L. C. Peters, Nordfriesland (Husum 1929).

Letterkunde: J. Piebenga, Koarte skiednis fen de Fryske Skriftekennisse (Dokkum 1939); D. Raima, De Fryske Skriftekennissefen 1897-1925, 2 dln (Dokkum 1928, 1931); Idem, De Fryske Skriftekennisse fen 1876-1897 (Dokkum 1939); Idem, Haedsaken Fryske Skriftekennisse (Dokkum 1948); G. A.

Wumkes, Bodders yn de Fryske striid (Boalsert 1926); Idem, Paden fen Fryslan, 4 dln (Boalsert i932-43); J. J. Hof, Fjirtich jier taelstriid, 4 dln (Dokkum 1940-’42); G. A.

Wumkes, Nei sawntich jier (Boalsert 1949); J. Huizinga, Jong-Fri. Lyriek (De Gids, 1922); G. Gosses, in: Grit.

Bulletin (Jan. 1938); Th. de Vries, Fryskestilistyk (Boalsert 1937); J. H. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, 3 dln (Groningen 1882); F. Buitenrust Hettema, Bloemlezing uit de Oud-, Middel- en Nieuw-Friesche geschr. (Leiden 1887); P.

J. Troelstra en O. H. Sytstra, It jonge Fryslan (It Hearrenfean 1881); D.

Raima, De Nije Moarn (Dokkum 1922); A. Wadman, Frieslands dichters (Leiden 1949); J. H. Brouwer en D.

A. Tamminga, De Reinboge, 2 dln (Grins 1949-1950); Oudfri. Taal- en Rechtsbronnen, red. P.

Sipma (’s-Gravenhage 1927 vg); FrieschSaksische Bibliotheek, red. M. N. Rapteyn (Assen 1936 vg.); Utjeften Fryske Akademy (Assen 1938 vg.); De Fryske Bibleteek (Snits 1920 vg.); J.

H. Brouwer, J. Haantjes en P. Sipma, Gijsbert Japicx Wirken (Boalsert 1936); J.

Haantjes, Gysbert Japicx, diss. Utrecht (Amsterdam 1929); C.Rramer, Fortaelkinst fen Gysbert Japix üt it Fransk (Leeuwarden 1936); D. Raima, Gysbert Japicx, diss. (Groningen 1938); J. Haantjes en G.

G. Rloeke, Drei fri. Hochzeitsgedichte aus dem 17. Jahrhundert (Hamburg 1929); Th.

Siebs (Ost- und Nord-) Friesische Literatur (in: Merker-Stammler: Reallexikon der deutschen Literaturgeschichte I, Berlin 1925/26).

Periodieken: Iduna (1843-1869); For hûs en hiem (18881895) 5 Forjit my net (1871-1915); Yn us eigen tael (1909-1942); Fryslan (1916-1936); Frisia (1917-1936); It Heitelan (1919 vg.); Tsjügenis (1920-1922); De Holder (1926-1929); De Tsjeme (1946 vg.); Jahrbuch Nordfri. Verein; Jahrbuch Nordfri. Instit.

Friese beweging

De Friese beweging is voortgekomen uit het besef, dat de Friezen, als nationale minderheid wonende in de Nederlandse, de Duitse en de Deense staat, door die staten niet dezelfde kansen geboden worden als de grotere naties, waarmede zij samenleven. Het spreekt vanzelf, dat vooral het verliezen van de politieke vrijheid aan een beweging als de Friese de grote stoot geeft.

a. In Nederland

Zo hadden de Friezen, wier gebied in de loop der eeuwen aanzienlijk was geslonken (z Friesland, taal en letterkunde), hun in 1498 verloren gegane politieke vrijheden in de Nederlanden wel is waar grotendeels herwonnen, maar de in 1579 als Unie van Utrecht aangegane verbintenis met de Dietse gewesten verloor in 1796, mede door gewelddadige invloed uit het naar Franse staatsvormen strevende Holland, geheel haar federatief karakter, welke toestand door de vorming van de Nederlandse eenheidsstaat in 1813 geconsolideerd werd. Tegen de centralistische staatspolitiek in deze eenheidsstaat hebben de Friezen zich in de persoon van mr Daem Fockema lang, maar tevergeefs verzet. Pas in de 20ste eeuw zouden de Friezen opnieuw hun stem laten horen tegen de niet met hun belangen overeenkomende staatsvorm.

Taaier bleek vooreerst de strijd op cultureel terrein. De golven der Romantiek, die in zo vele andere gebieden de volken en daaronder vooral de minoriteiten hadden wakker geschud, lieten ook de Friezen niet onberoerd. In dat licht moet men de te Franeker onder prof. E.

Wassenbergh bedreven taalstudie zien, welke zou leiden tot de grote Gysbert Japicx-herdenking te Bolsward (1823). Deze hangt weer nauw samen met de geboorte van het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde (1827). Toen men in dit milieu echter de actuele taalproblemen maar liever uit de weg ging, verenigden de jongeren zich in It Selskip for Fryske tael- en skriftekennisse (1844) met T. R.

Dykstra als organisatorische, H. S. Sytstra als ideologische leider; de laatste voelde diep de verwantschap met Oost- en Noordfriesland. Zij stelden de toekomst van taal en volk primair en maakten front tegen de steeds toenemende hegemonie van het Hollands.

Zij eisten, als mr Beucker Andreae reeds vóór hen, een op de tweetaligheid ingericht onderwijs en wilden, dat de eigen taal de haar toekomende positie in kerkelijk en staatkundig leven zou hernemen; want ook in de kerk was het Fries teruggedrongen tot op enkele Doopsgezinde gemeenten, waar leken de dienst deden. Na de dood der beide voormannen in 1862 moesten hun enigszins romantisch gekleurde Grootfriese idealen voorlopig plaats maken voor een meer provincialistische instelling, zoals die bij W. Dykstra en de zijnen naar voren kwam. Hoewel Dykstra’s visie op de toekomst van zijn volk pessimistisch was, hebben hij en zijn navolgers toch door eenvoudig werk (toneel, voordracht, zang) het streven van It Selskip bij de Friezen bekend weten te maken, zodoende een auditorium kwekend voor de verkondiging van radicaler principes in later jaren.

Door de ongodsdienstige want sterk moralistisch-rationalistische inslag hunner geschriften hadden zij echter het Calvinistische volksdeel schuw gemaakt voor de beginselen van It Selskip ’44, om welke reden dit zich groepeerde in het door S. Huismans en G. A. Wumkes opgerichte Christlik Selskip (1908).

Hun voorbeeld werd gevolgd in Katholieke kring, waar It Roomsk Frysk Boun ontstond (1917) met prof. Titus Brandsma als de meest opvallende figuur. Maar vooral tegen het provincialisme in It „Aid” Selskip rezen steeds meer bezwaren en het was D. Kalma,.die in 1915, mede onder invloed van Wereldoorlog I, de stoot gaf tot de oprichting van De Jongfryske Mienskip, welke organisatie, aansluitend bij de idealen van H.

S. Sytstra c.s., zich stelde op een nationaal en tevens Grootfries standpunt, dat door de gehele Friese beweging overgenomen en niet meer verlaten zou worden. Daarnaast streefde De Mienskip ook in het artistieke en het maatschappelijke nieuwe idealen na. Met het in 1924 door de jongeren geradicaliseerde Kristlik Frysk Selskip, waaraan zij in 1919 een belangrijke figuur als E.

B. Folkertsma hadden moeten afstaan, hebben de Jongfriezen lang de kern der beweging gevormd. Onder de leuze „Fryslan en de Wrald” eisten zij de volkomen gelijkberechtiging van het Fries naast de rijkstaal in Friesland. De mede door hun toedoen georganiseerde Grootfriese congressen droegen wel is waar eerst meer het stempel van een academische leergang, maar ontwikkelden zich in de laatste tijd tot Fries-nationale betogingen.

In de laatste jaren vindt de Friese jeugd haar nationale propaedeuse vooral in „It Boun fan de Frysk-nasjonale Jongerein” (1936), terwijl de studenten zich aaneensloten in „De Federaesje fen Fryske Studinte-Forienings” (1930).

Van de in 1940 ontstane overkoepeling der op cultureel gebied werkende organisaties, nl. „It Trijemanskip fen de Fryske Biweging”, is na de oorlog gebleven „De Ried fan de Fryske biweging”, terwijl bovendien een door overheidssubsidies gesteunde Fryske Cultuerried is ingesteld (1945).

Een der belangrijkste facetten van de Friesnationale strijd is het streven naar tweetalig onderwijs. De buiten de schooluren gegeven cursussen worden sedert 1928 georganiseerd door de Algemiene Fryske Underrjucht-Kommisje. In hetzelfde jaar werd van hogerhand een verbindingsorgaan tussen officium en beweging gecreëerd in „De Prov. Underwys-Ried fan Fryslan”.

Door de activiteit van deze Ried is het thans zo ver, dat er vijf professoraten in het Fries vervuld worden, terwijl aan nagenoeg alle middelbare scholen in Friesland — zij het facultatief — Fries gegeven wordt. Niettemin bleef wegens de zeer onbevredigende regeling bij de wet (1937) de tweetalige lagere school tot nu toe een vrome wens van de Friese beweging. In 1950 werd echter reeds een begin van volledige omschakeling tot tweetalig lager onderwijs gemaakt door de instelling van een tiental proefscholen, naar Welsh’ model.

Voor de wederinvoering van het Fries in de kerken is door de Bijbelvertaling van dr Wumkes (1943) en de psalmberijming door F. Schurer de grondslag gelegd. Een hinderpaal is gelegen in de omstandigheid dat te veel Friese geestelijken elders de dienst vervullen, terwijl in verreweg de meeste Friese gemeenten het Evangelie door niet-Friezen bediend wordt.

Sedert door de centraliserende staatspolitiek eerst de Friese universiteit (1811), daarna ook het Athenaeum (1843), beide te Franeker, is teloorgegaan, heeft Friesland geen instelling voor hoger onderwijs meer gehad. Via de onder invloed der Friese beweging gestichte Fryske Akademy (1938) bezitten de Friezen pas sedert 1947 een „Skoalle foar Talen en Skiednis”; tot dusverre bleef de Academie echter hoofdzakelijk een wetenschappelijk instituut met secties op bijna alle terreinen der Friese scientia, deels door de overheid, deels door de vele leden in binnen- en buitenland gesteund.

De sedert dertiger jaren aanwezige politieke tendenties der Friese beweging hebben ten slotte in 1948 geleid tot de oprichting van „It Striidboun Fryslan Frij” (voorzitter E B. Folkertsma), dat voor Friesland een zekere mate van autonomie opeist. De Fryske Foriening foar in Federael Europa” brengt de belangen der Friezen op de internationale minoriteitencongressen.

b. In Duitsland en Denemarken

Hoewel het besef een eigen taal te hebben bij de Sagelterlander Oostfriezen diep geworteld zit, kan er toch van een nationale beweging niet gesproken worden. Wel is dit het geval bij de tot de Noordfriezen behorende Helgolanders, die wegens de oorlogsomstandigheden nu voor de tweede maal in deze eeuw naar de vaste wal gebannen zijp, maar in hechte verbondenheid bij de regeringsinstanties uitdrukking geven aan hun verlangen om naar het,,heilige” eiland terug te keren. Hun orgaan Helgoland is deels in de eigen taal gesteld.

De Noordfriezen, lange tijd nog enigszins vrij in de keuze van een bondgenoot in de gedurige strijd tussen Sleeswijk, Denemarken en Holstein, werden staatkundig ten slotte verdeeld over de laatste twee machten (1435); dit veranderde pas na de Duits-Deense oorlog van 1864, toen hun gebied voor verreweg het grootste deel aan Pruisen kwam. Toch kon de in de 19de eeuw steeds groter wordende belangstelling voor eigen taal en geschiedenis door de activiteit van de ,,Nordfriesische Verein für Heimatkunde und Heimatliebe” (1903) in het straf Duits-gehouden onderwijs doordringen. Het plebisciet van 1920 in Sleeswijk-Holstein verdeelde de Friezen in een pro-Duitse groep (onder R. Muusz) en een pro-Deense (onder J.

Oldsen), welke laatste zich als ,,Friesisch-Schleswiger Verein” afscheidde van de ,,Nord-friesischer Verein” en te Genève naar erkenning der Friese minderheid in het Duitse rijk streefde; tijdens het Derde Rijk verboden, zet zij op het ogenblik in de SSW (,,Südschleswiger Wahlerverband”) haar actie voort. De SSW, met G. Boyser en A. Johannsen, wil een uitzonderingsstatus voor Zuid-Sleeswijk, waarbij het de oorspronkelijke bewoners in aantal vele malen overtreffende getal Oostduitse vluchtelingen tot verhoudingen teruggebracht zal worden, die met het oog op het voortbestaan van de Friese en de Deense minoriteit verantwoord zijn.

Ondanks de verklaringen van officiële zijde in Scandinavië en de toezeggingen van de regering van Sleeswijk-Holstein te Kiel duurt de oude toestand nog steeds voort. De belangstelling in Denemarken blijkt uit de oprichting van een „Dansk-Frisisk Selskab” onder voorzitterschap van J. Hatting. Van de Nordfr.

Verein, die in 1927 de anti-Frissnationale Bohinstedter Richtlinien als grondslag koos, scheidden zich spoedig na Wereldoorlog II bijna alle prominente figuren af om zich te verenigen in het ,,Nordfriesisches Institut”, dat in wetenschappelijk en ideëel opzicht aansluiting bij Westerlauwers Friesland en het Scandinavische Noorden zoekt. Op het laatstgehouden minderhedencongres (Versailles 1949) hadden Westerlauwers en Noordfriezen een gemeenschappelijke vertegenwoordiging.

Er rest ons nog te vermelden de magnetische werkzaamheid van het „Frisian Information Bureau” in Grand Rapids, onder leiding van prof. B. Fridsma, dat niet alleen als „centrum van Fries leven in de V.S. een belangrijke taak vervult, maar door het onderhouden van een levendig contact met de Friezen in Europa zich er tevens op kan beroemen ten aanzien van het nieuws uit het stamland steeds up to date te zijn.

PROF. DR J. BROUWER

Bibl.: Over a.: D. Kalma, Skiednis fen Fryslan (Dokkum 19442); Rapporten Fryske biweging 1940-1945 (Ljouwert 19452); P. Wybenga, Decentralisatie (Franeker 1948); K. Fokkema, Over de groei van het Friese taalbesef (Groningen 1949); Idem, De waardering van het Fries (Groningen 1948); Tinkboek Selskip ’44 (1949); Jubileum utjefte Roomsk Frysk Boun 1917-1947 (Snits 1948); Prov.

Onderwijsraad-AFUK-Fryske Akademy 1949 (Leeuwarden 1949); Jierforslaggen Ried fan de Fryske Biweging (Ljouwert); Jierforslaggen Fryske Gultuerried (Ljouwert); Striidboun Fryslan frij Uit de statuten (Leeuwarden 1949); Over de minoriteitencongressen: Frysk en Frij V, 47,48; P. Post, Bilinguisme in Nederland (1948). Organen: Frysk en Frij (Selskip 44 en R.F.B.); De Stimfen Fryslan (K.F.S.); De Stiennen Man (B.F.N. J.); De Pompebledden (A.F.U.K.); It Beaken, Frysk Jierboek (Fryske Akademy); Wy seis (S.F.F.); ook: De Tsjeme en It Heitelan.

Over b.: J. Botke, Sealterlan (Boalsert 1934); L. C. Peters, Nordfriesland (Husum 1927); J.

J. van Weringh, Noardfryske politiek hjoed de dei (Frysk en Frij, V, 47, 48). Organen: Helgoland (Hallunner Maots); Jahrbuch des Nordfriesischen Instituts; Det braendende sporgsmal (SSW); Frisian News Items (F.I.B.). Zie verder :M. K.

Scholten, Cat. Fr. taal- en letterkunde (Leeuwarden 1941) en aanv. s.v. Friesche Beweging.

Beeldende kunst

Uit de terpen is een schat van kunstzinnige voorwerpen te voorschijn gekomen uit de periode 300 v. Chr. - 1000 n. Chr., waaronder ook gebakken plastiekjes. De middeleeuwse kerken vormen met die van Groningen en Noord-Drente één groep, gekenmerkt o.a. door de zadeldaktoren.

De Vroegromaanse tufsteenperiode is in Nederland het talrijkst in Friesland vertegenwoordigd met o.a. de kerken te Rinsumageest (met de enige krypt in Friesland), Jorwerd, Grouw, Stiens, Jelsum, Genum, Hantum, Hogebeintum, Oudega (Sm.), Oldeberkoop en Bozum. Geheel in baksteen gebouwde Romaanse kerken vinden wij o.a. te Aalsum, Wijns en Westergeest. Romaans-gothische invloed vinden we te Eestrum, Wirdum, Janum, Bergum en Hantumhuizen; Gothische kerken te Augustinusga, Ferwerd, Bolsward (Martinikerk met gesneden koorbanken), Kollum, Franeker en Workum. In het O. van Friesland zijn de klokken vaak opgehangen in houten klokkestoelen (Katlijk, Wijnjeterp).

De Heringa-State te Marssum en het Martenahuis te Franeker geven een beeld van een adellijke woning van ca 1500; de Crackstate te Heerenveen en Schatzenburg te Dronrijp vertegenwoordigen het 17de- en i8de-eeuwse type. De kanselarij te Leeuwarden (1566-1571) is in vroege Renaissancestijl ; voorbeelden van de late Renaissance zijn de stadhuizen van Franeker en Bolsward (met gesneden portiek in de raadzaal door Jac. Gijsbert) en de waterpoort te Sneek. In de 18de eeuw ontstonden veel raadhuizen met fraaie raadzalen (Leeuwarden, Sneek, Dokkum).

Te Oosterend bevindt zich een prachtig gesneden oksaal in Renaissance-stijl van Hein Hagar (1554).

In Friesland worden merkwaardig vroege stukken beeldhouwwerk aangetroffen (kerkmuseum te Janum, het tympaan van Kimswerd, retabelstukken van Cornwerd). Ca 1530 komt beeldhouwwerk op grafzerken in of bij Franeker tot bloei met de meester ,,B. G.” en later Vincent Lucas, wiens werkwijze tot in het eerste kwart van de 17de eeuw stand houdt. Ca 1565 wordt invloed van Vredeman de Vries merkbaar.

Van de middeleeuwse schilderkunst zijn alleen enige muurschilderingen over, zoals de Christusfiguur in het koor te Bozum (ca 1300), de heiligenfiguren op de pilaren in de Martinikerk te Franeker (15de eeuw) en de 16de-eeuwse schilderingen uit de Galileeërkerk te Leeuwarden (thans in het Fries Museum). In de 16de eeuw wordt de portretkunst beheerst door Adriaen van Gronenburg, aan wie een 40-tal portretten wordt toegeschreven.

De overgang van „agrarisch”naar „geïmporteerd” portret is het werk van de zgn. Fries-Groningse meester, gevormd door een groep van 25 portretten (1595-1623). De portretkunst der 17de eeuw is beïnvloed door een op het einde van de 16de eeuw naar Friesland gekomen portrettist, wiens hoofdwerken, de portretten van Joh. Tjaerda van Starkenborgh en Gaets van Grovestins in het Fries Museum hangen.

Wijbrandt de Geest (1592-gest. na 1660) wordt, na reizen in Frankrijk en Italië, de voornaamste portretschilder van het hof te Leeuwarden; hij werkt in de realistische trant der Utrechts-Haagse hofschilders. In dezelfde trant schilderen Matthijs Harings, Harmen Willems, Nicolaas Wieringa; en De Dorve is als opvolger van de Geest te beschouwen.

Meer als graveur is de schilder Pieter Feddes van Harlingen bekend; Margaretha de Heer schildert bloemen en vogels, Lambert Jacobsz het bijbels tafereel, Petrus Schotanus het stilleven, Mancadan het Italiaanse landschap, Wigerus Vitringa schepen op zee. Het Friese hof deed in de tweede helft van de 17de eeuw Hollandse schilders naar Leeuwarden komen, zoals Jurriaen Jacobs, Richard Brakenburg, François Carré en Emanuel Murant.

Op het einde van de 17de eeuw is de schilderkunst in verval. In de 18de eeuw komen als portrettisten naar voren: Bernardus en Matthijs Accama, Rienck Keyert, Rienk Jelgerhuis, Ploegsma, Willem Bartel van der Kooi en zijn leerlingen.

Het Friese portret kenmerkt zich door weinig variatie in de houding en weinig speelsheid; de gelaatsuitdrukking is vaak stuurs.

De Friese zilversmeedkunst, reeds op hoog peil in de Merovingische tijd, beleefde in de 17de eeuw een bloeiperiode. Het meest bekend zijn uit die tijd de Leeuwarder zilversmeden Hans Christiaansz, Rintie Jansz (maker van de Poptaschaal), Pieter Faber, Mensma en de Bolswarder meester Claes Baerdt. In de 18de eeuw begint Joh. van der Lely met de toepassing van ornamenten in Daniel Marot-stijl, welke veel navolging vindt en op de duur verwatert. Als volkskunst bleef vooral bekend die van Hindelopen (zie aldaar).

Lit.: P. C. J. A.

Boe les, Friesland tot de elfde eeuw (2de dr., 1950); P. Glazema, Gewijde plaatsen in Friesland (1948); G. J. Veenstra, Een bijdr. tot de gesch. van de Friesche kerkenbouw (1940) ; Idem, De oude stadhuizen in Fr. (1940) ; G.

J. A. Bouma, Boerderijenboek. De nieuwe Friese boerderij (1949); J.

Belonje, De Renaissance grafsteenen in Fr. (1942); D. P. R. A.

Bouvy, Middeleeuwse beeldhouwkunst in de N. Nederl. (1947) ; A. Wassenbergh, L’Art du portrait en Frise au 16me siècle (Leyde 1934); Idem, De portretkunst in Fr. in de 17de eeuw. Jaarb. v. h.

Gentr. Bureau v. d. Genealogie 11(1948); N. Ottema, Friesche majolica (De Vrije Fries 1920) ; Idem, Gesch. v. h.

Goud- en zilversmidsbedrijf in Fr. (De Vrije Fries 1927); Idem, Het kunstambacht en de volkskunst in Fr. (1942) ; A. Wassenbergh, J. J. M.

Vegter en G. J. A. Bouma, Fryske folkskinst (1945).

Geschiedenis



a. De oudste tijd

De tegenwoordige provincie Friesland omvat slechts een deel van het oude Friezenland en werd dan ook later onderscheiden als „Friesland bewesten Lauwers” of „beoosten Vlie”. Eeuwen v. Chr. werd het bewoond door ons onbekende stammen, waarvan enkele overblijfsels in de terpen worden gevonden, welke overblijfsels tot het neolithicum behoren. In de iste eeuw van onze jaartelling zaten Friezen (Frisii; ook Frisiavones worden vermeld) rechts van de Rijn, rondom grote, door Romeinse vloten bevaren meren en langs de zeekust, wellicht tot aan de Eems.

Drusus heeft met hen een verbond gesloten (12 v. Chr.) en Germanicus, die Varus’ nederlaag wilde wreken, trok langs de kust naar de Wezer; daarbij stonden ook Friezen in zijn dienst. Zij waren aan de Romeinen een schatting van ossenhuiden verschuldigd; toen Olennius, een Romeins veldheer, deze zeer verzwaarde, kwamen de Friezen in verzet (28 n. Chr.), wat voorlopig ongestraft bleef.

Eerst in 47 n. Chr. heeft Corbulo zonder veel moeite hen weer onderworpen, maar toen de Chauchen weerstand boden, trok hij ook uit Friesland terug tot achter de Rijn: de Friezen behoorden voortaan niet tot het Romeinse Rijk. In de 5de eeuw is vooral in het O. een sterk Saksisch element binnengedrongen. Betrouwbare berichten over de Friezen komen dan eerst weer op het einde van de 7de eeuw.

De stam, althans de naam, blijkt zich dan sterk te hebben uitgebreid. Fresia heet dan het kustland tussen Zwin en Wezer. In het W. van dit gebied heerste in 678 een koning Aldgils. Hier ook predikte Willibrord het Christendom (690) en ongeveer terzelfder tijd is er sprake van een „Friese” koning Radbod (Redbad), die tegen de Franken strijdt: hij wordt ca 689 bij Dorestad door de hofmeier Pippijn de Middelste verslagen en in 695 kan Willibrord als „aartsbisschop der Friezen” zich in Trajectum vestigen (z Utrecht). Na Pippijn’s dood (714) moesten echter de Frankische heerschappij en het Christendom weer wijken uit deze streken.

Doch voor kort: als Redbad in 719 sterft, dringt Karel Martel weer het Friese land binnen en kan ook Willibrord terugkeren; in 734 worden de Friezen zelfs bij de Boom verslagen. Zij stonden toen onder hertog Bubo, van wie niets verder bekend is. Zeer waarschijnlijk had de Frankische heerschappij haar grenzen langs IJsel en Lauwers en is ook tot zover het Christendom in de 8ste eeuw doorgedrongen; meer naar het O. pas na de onderwerping der Saksen. In 754 werd echter een prediker nog bij Dokkum vermoord (z Bonifacius).

Wij weten verder alleen van handel (in laken) der Friezen in de tijd van Karel de Grote. In de tijd na Karel de Grote zijn er vage berichten over een hertogdom Friesland, dat vrijwel geheel Nederland kan hebben omvat. Het vormde het uiterste N.W. van het deel, dat aan Lotharius werd toebedeeld en bij de latere Karolingische delingen bij Oost-Francië werd gevoegd. Veel heeft het te lijden gehad van de plunderingen der Noormannen, maar deze tochten schijnen zich vnl. op het meer welvarende centrum te hebben gericht (Dorestad en omgeving) en in die streken vestigden zich ook de Noorse vorsten (z Rorik en Godfried), die „Friese” graven onder zich hebben gehad.

Zo heetten ook de eerste graven uit het Hollandse Huis (z Dirk I-VII), maar die regeerden zeker niet in het tegenwoordige Friesland (z Holland). Van die landen horen wij weer in de 11de eeuw, na de Noormannentijd; het is dan een zeer welvarende streek, getuige het aantal munten uit die tijd, geslagen in Stavoren, Bolsward, Leeuwarden en Dokkum op naam van Bruno en Egbert, graven van Brunswijk. Hoe dezen hier macht kregen, weten wij niet, alleen dat zij er regeerden; als laatsten: Egbert I van 1057-1068 en Egbert II van 10681090. Van de tweede weten wij, dat hij voortdurend in opstand was tegen de Duitse koning, die Egberts graafschappen tussen Lauwers en Vlie telkens aan de bisschop van Utrecht overdroeg, in 1089 Ooster- en Westergo definitief, zoals al Stavoren van 1081 af.

Toen in 1101 Egberts zwager Hendrik van Nordheim deze streken van keizer Hendrik IV ontving, werd hij door de Friezen gedood. Waarschijnlijk zijn zijn rechten na de dood van zijn dochter Gertrudis van Rineck in 1151 overgegaan op haar enig overlevende dochter Sophia, gemalin van Dirk VI van Holland, en is dit de grond voor de aanspraken der Hollandse graven op de Middelfriese graafschappen. Maar ook de bisschop van Utrecht regeerde hier slechts in naam, het gebied had feitelijk geen vorst. Het welvarende land (de vele Cisterciënser- en Praemonstratenserkloosters verwierven zich door de ontginning grote verdiensten) werd van vele zijden begeerd en de 12de eeuw is een periode van voortdurende strijd om Westerlauwers Friesland tussen de omhoogstrevende Hollandse graven, die de Westfriezen (toen nog één met de Friezen) trachtten te onderwerpen, en de Utrechtse bisschoppen, die hun gebied steeds meer zagen inkrimpen.

In 1165 besliste Frederik Barbarossa, dat een vertegenwoordiger van beide machten in Oostergo, Westergo en Stavoren zou rechtspreken, maar ook dit gaf geen vrede; in 1179 en 1194 trachtten graaf Floris III en bisschop Boudewijn vergeefs er enig gezag te krijgen.

Ca 1200 wist Willem, broer van de graaf van Holland, er zich te nestelen en zijn macht westelijk tot op Texel uit te breiden, maar toen hij tegen Ada de strijd aanbond om Holland zelf, verloor hij zijn gezag over de Friezen, die nu voor de vorm de bisschop erkenden, maar deze geen macht gaven. Voorlopig had Friesland geen regering en eindeloze kleine twisten waren daarvan het gevolg, terwijl het land overigens geen rol speelt. De Friezen ten W. van de Lauwers hebben waarschijnlijk eerst sinds het begin van de 14de eeuw tot het landvredeverbond behoord, dat bij de „Upstalboom” (onzeker wat dit betekent) bij Aurich zijn middelpunt had. Uit deze tijd dateren de gefingeerde „privileges” van Karel de Grote en Willem II, waarbij de Friezen hun bijzondere vrijheid kregen.

Een feit is slechts, dat men hier een bevolking van zelfstandige boeren („vrije mannen”) kende, onder wie enkele wat uitstaken, die men adelingen noemde, en niet die rangschikking in feodale standen zoals elders. In het gefeodaliseerde Europa namen de Friese landen, zonder feodaliteit en zonder landsheren, een uitzonderingspositie in. Ook de handelsplaatsen verschillen er van die in andere streken: zij worden veel later ommuurd en met stadsrechten begiftigd. Alleen Stavoren kreeg stadsrecht even na de Hollandse steden (1292) van Floris V, die altijd nog enige macht daar trachtte te krijgen.

Ook de bestuursorganisatie was hier anders, eigenlijk omdat zij ontbrak. Schouten waren er wel, „grietmannen” genaamd, maar hun mederechters werden niet aangesteld door een hogere macht, doch gekozen door de vrije boeren, onder wie langzamerhand de plicht bij toerbeurten rondging. De grietmannen hadden slechts geringe macht, vnl. als vrederechters. In ernstige gevallen ' kwamen de,,wijsten” bijeen en maakten, daarin gesteund door de abten der rijke kloosters, keuren, die dan door de gewone vrijen werden bezworen en gezamenlijk uitgevoerd.

Maar in het algemeen kon men spreken van een niet zeer schadelijke anarchie.



b. Geleidelijke consolidatie van de landen ten O. en ten W. van Lauwers en Eems

In de loop van de 14de eeuw ging het verband van de „Upstalboom” te niet. Drie grote landschappen tekenden zich af, die zich geleidelijk consolideerden: Oost-Friesland tussen Wezer en Eems, waar onder de vele hoofdelingen eerst het geslacht der Tom Brock’s, daarna dat der Cirksena’s een dominerende positie innamen en de laatsten in 1464 de grafelijke waardigheid verwierven — het land tussen Eems en Lauwers, waarover de stad Groningen haar heerschappij meer en meer uitbreidde —Friesland tussen Lauwers en Vlie, waar de Hollandse graven (de bisschop van Utrecht betekende toen al heel weinig meer) actiever werden in hun nog altijd gekoesterde begeerte om ook aan de overzijde van de Zuiderzee te heersen. West-Friesland was sinds 1289 geheel onderworpen, in 1300 liet graaf Willem III zich ook in het eigenlijke Friesland gelden. Met Stavoren stond hij op goede voet, maar tussen deze stad en het achterland rezen moeilijkheden, die eindigden met een vrede (1328), waarbij de grafelijke instellingen in de stad door beide partijen erkend werden.

Zijn zoon Willem IV was hiermee niet tevreden en deed een onstuimige poging om zijn macht uit te breiden (1345). Nauwelijks was zijn leger ontscheept of het werd bij Warns verslagen en de graaf sneuvelde. De daaropvolgende strijd in Holland (z Hoeken en Kabeljauwen) bevrijdde Friesland jarenlang van deze expansiezucht van het W. uit. De Friezen maakten daarentegen de Zuiderzee onveilig, waaraan in 1348 een einde kwam door een 20-jarig bestand, dat na afloop telkens verlengd werd.

Eerst in 1396 kon Albrecht met een flink leger er heen trekken, ook omdat de Hollandse steden veel last hadden van de kapers (Vitaliebroeders), maar hij' werd spoedig gedwongen tot de terugtocht; meer succes had zijn zoon Willem (VI), die in 1398 Stavoren veroverde en Albrecht als heer in Wester- en Oostergo liet huldigen. Maar reeds in 1399 moest Willem alweer er heen om tegenstanders van de Hollandse macht bij Dokkum te verslaan; Stavoren werd vervolgens toch door deze laatste belegerd en in 1401 moest vrede gesloten worden, waarbij alleen deze stad in handen van de Hollanders bleef.

In deze strijd verschijnen de namen der Schieringers en Vetkopers, beurtelings vrienden en vijanden van Holland, maar oorspronkelijk groeperingen van onderlinge veten uitvechtende „hoofdelingen”, d.w.z. hoofden van kleine machtsgroeperingen. In 1414 veroverden de Vetkopers het laatste Hollandse bolwerk, Stavoren. Maar deze Vetkopers waren tegelijk de partij van de stad Groningen, die haar best deed, alle Friese streken economisch aan zich te onderwerpen (z stapelrecht). Dit scheen te lukken, toen in 1422 geheel Friesland van de Zuiderzee tot over de Eems een vredesverbond sloot, waartoe ook Groningen hoorde.

Het vredesverbond hielp echter weinig, de partijstrijd, nu ook zeer duidelijk een economische, duurde tussen Lauwers en Zuiderzee nog de gehele 15de eeuw. De Hollandse graven hebben getracht hiervan te profiteren. Jan van Beieren heeft tussen 1418 en 1425 een grote mate van gezag in Friesland uitgeoefend, dat echter weer teloor is gegaan. De Bourgondische landsheren Philips de Goede en Karel de Stoute hebben geen gelegenheid gehad aan hun herhaalde pogingen om de heerschappij in Friesland te verwerven kracht bij te zetten.

Ten einde raad wendden zich de Schieringers toch tot Holland, toen Groningen (de Vetkopers) het grootste deel van de tegenwoordige provincie Friesland had onderworpen, tot zelfs de steden toe (1492). In Holland regeerde toen Maximiliaan voor Philips de Schone en deze zond Albrecht van Saksen, zijn veldheer (1495), die eerst succes had, toen weer teruggedrongen werd (de Schieringers waren benauwd voor zijn succes en wendden zich tot Groningen), maar ten slotte toch weer won, dank zij zijn goed georganiseerd leger. Toen (1498) beleende Maximiliaan Albrecht met Friesland, om op die wijze de hem nog schuldige geldsommen af te betalen, en met krachtige hand wist de hertog zich in korte tijd te doen erkennen als „gubernator in Friesland wegens het Duitse Rijk”, en hij wist die macht te handhaven tot zijn dood (1500), in samenwerking met Edzard van Oost-Friesland en tegen de stad Groningen. Zijn zoons, eerst Hendrik, toen George van Saksen, volgden hem op en regelden verder het bestuur (Philips de Schone was toch niet in staat het pand weer te lossen).

Eerst stond George sterk: er heerste rust en orde in Friesland, de positie der grietmannen werd geregeld en een hoger gerechtshof ingesteld. Maar Groningen bleef vijandig en George wilde ook over de Ommelanden regeren. Daarover kwam hij in strijd met Edzard, met wie de stad zich verbond. George moest hoge lasten heffen voor die strijd en zijn heerschappij wekte ontevredenheid, zodat Friese edelen gingen uitzien naar een andere hulp.

Zij vonden die bij dezelfde, waarbij ook Groningen zich aansloot; Karel van Gelre (Jancko Douwama en Galama waren de onderhandelaars) en diens benden verdreven George in 1514-1515 tot op het bezit van Leeuwarden, Franeker en Harlingen. Ook hier kon hij zich door geldgebrek niet handhaven en dus verkocht hij zijn rechten voor een kleine som aan Karels vijand en zijn eigen heer: Karel V (Mei 1515). Maar eerst won Karel van Gelre en zijn stadhouder kon zich in Sneek vestigen; in 1516 keerde de kans en slaagde Floris van Egmond, stadhouder namens Karel V, er in heel Friesland te veroveren, doch hij werd in 1517 weer verjaagd. Daarop volgden 5 jaren van verwoede strijd tussen Geldersen en Hollanders in heel het gewest, waarbij bovendien allerlei kleine veten werden uitgevochten.

Ondertussen maakten Friese kapers (z Grote Pier) de Zuiderzee onveilig en drongen in Holland zelf binnen. Maar juist deze strijd wekte de behoefte aan rust en dus aan een krachtige beschermer, terwijl Karel van Gelre niets opleverde dan verzoeken om geld en herhaalde plunderingen.

Ook Douwama richtte zich tot de keizer en Schenck van Toutenburg (sedert 1521 stadhouder voor Karel V) wist diens belangen krachtig te verdedigen. Sneek werd keizerlijk, de Geldersen werden steeds verder verdreven en in 1523 viel hun laatste vesting, Sloten. Daarop volgden definitieve onderhandelingen, die in Dec. 1524 eindigden met de algemene erkenning van Karel V als landsheer, die niet veel macht kreeg.



c. Friesland een deel der Nederlanden sinds 1524

Niet gemakkelijk heeft Friesland zich onderworpen aan het gezag, dat weldra over alle Nederlanden zich uitstrekte: de 4 jaren, die op de erkenning van Karel V volgden, zijn jaren van voortdurend, dan weer stil, dan weer openlijk verzet, dat echter nooit tot oproer overging. En langzamerhand overwonnen het centraal gezag en zijn vertegenwoordigers. De stadhouder was er een meestal gewillig werktuig van de Brusselse regering, die met de Raad, uit rechtsgeleerden en edelen samengesteld, de belangen van de landsheer verdedigde. Deze Raad (tot grote ergernis der Friezen deels bestaande uit vreemdelingen) was ook het hoogste gerechtshof en de grietmannen, die nu geheel ambtenaren waren geworden, behielden slechts een ondergeschikte rechterlijke macht en waren in hoofdzaak de bewaarders van rust en orde en de verdedigers van de regalia.

Op de blokhuizen in de steden woonden keizerlijke gouverneurs en oefenden van daar een grote macht uit. In deze tijd vormden zich ook pas de staten van Friesland, doordat ook hier de vertegenwoordigers der onderdanen moesten worden opgeroepen om hun toestemming te geven voor nieuwe belastingen, want ook hier eiste Karel V geld, en veel geld, wat ontevredenheid wekte. Sinds 1506 werd die vergadering uit geestelijken, enkele edelen en de „volmachten” der boeren (eigenerfden) soms, na 1524 vaak, bijeengeroepen. Men vergadert nog in gouwen, waartoe ook de steden behoren.

Sinds 1539 kozen ook alleen deze belastingplichtigen de pastoors.

Deze periode is ook een tijd van welvaart, o.a. blijkend uit de inpolderingen: de Middelzee was al sinds de 13de eeuw ingedijkt, nu volgde het laatste restje: Het Bilt (1515). De Hervorming vond al vroeg veel aanhang in Friesland, ja zelfs reeds vóór Luther predikte Jelle Smit (Gellius Faber) er in „Protestantse” trant, al bekende hij zich eerst in 1536 als hervormingsgezind. Zo predikten ook verscheidene andere pastoors na 1520, terwijl ook het Anabaptisme (wederdoperij) er een geduchte aanhang kreeg (z Menno Simons, en Philipsz, Dirk en Obbe) en in 1536 waren er doperse woelingen, speciaal in Oldeklooster. De vervolging was er niet streng, behalve tegen deze laatste gezindheid gedurende het stadhouderschap van Schenck van Toutenburg.

De gezindheid van de overige Hervormden was er meer Zwingliaans dan Luthers, maar later vond het Calvinisme er een sterke aanhang (z Gellius Snecanus). In 1566 werden er vele predikaties in het geheim gehouden en vond het Verbond der Edelen er vele ondertekenaars onder de adel, die er op de hand der Hervorming was; 8 Sept. 1566 werd te Leeuwarden de eerste openbare preek gehouden; daarna werden zonder veel tumult de beelden uit de kerken genomen. Maar door het krachtig optreden van Aremberg werd er reeds in begin 1567 een einde gemaakt aan deze eerste overwinning. Ook hier moesten zeer velen vluchten en werden vele vonnissen uitgesproken.

In 1572 keerden velen der ballingen terug, zich aansluitend bij Willem van den Bergh, die in Gelderland en Overijsel enige steden wist te bemachtigen. In de zomer van dit jaar werden de meeste steden door de Geuzen bezet en de Hervormde prediking daar Weer ingevoerd: Sneek, Bolsward, Dokkum, Franeker enz., maar in Leeuwarden handhaafden zich de aanhangers van het wettig gezag. Reeds spoedig kwam de omkeer en nog voor het einde van het jaar wist Caspar de Robles, heer van Billy, de stadhouder namens Alva, met zijn troepen de Geuzen te verjagen. Hij herstelde de orde en opnieuw namen velen de wijk.

Zijn bestuur was gematigd en door vele maatregelen trachtte hij de toestanden in het gewest te verbeteren. Maar de Protestantsen bleven er in stilte groot in aantal en de ballingen loerden op een gelegenheid tot terugkomst. Daarbij voegde zich de ontevredenheid over de ook hier niet betaalde garnizoenen. Deze begonnen na de Pacificatie van Gent met muiterij, waarbij in het najaar van 1576 De Robles door zijn soldaten gevangen genomen werd.

De Staten-Generaal zonden nu de graaf van Rennenberg, die zij kort daarna tot hun stadhouder ook over Friesland aanstelden. Nu zonden de Staten van Friesland ook hun afgevaardigden naar Brussel om zich bij de Staten-Generaal, de vrienden van de prins te voegen, en vele Katholieke bestuurders moesten het veld ruimen. Friesland sloot zich dan ook als een der eerste bij de Unie van Utrecht aan. Toen Rennenberg tot gehoorzaamheid aan de koning terugkeerde (1580), bleef Friesland aan de zijde van de prins.

Thans werden de Katholieken verjaagd en hun godsdienst verboden. Willem Lodewijk, de streng Calvinistische zoon van Jan van Nassau, werd namens de partij van Oranje stadhouder en Friesland was voortaan een bolwerk van de Hervormd-staatse partij tegenover de Spaanse landvoogd Parma. De Calvinisten zijn er in het algemeen bijzonder machtig, zoals bleek gedurende het Twaalfjarig Bestand, toen de Friese staten zich uitdrukkelijk aan de kant der Contraremonstranten stelden. De Doopsgezinden, die er groot in aantal bleven, hadden er dan ook meer van vervolgingsmaatregelen te duchten dan in Holland.

Het was ook om dit strenge Calvinisme te bevorderen, dat de hogeschool te Franeker werd opgericht, maar ook om tegenover Groningen apart te blijven, zoals Friesland steeds een eigen stadhouder had, die niet eens altijd ook in Groningen en Drente het bewind voerde, totdat in 1747 Willem IV ook in alle andere gewesten benoemd werd. Friesland heeft nooit een stadhouderloos tijdperk gekend en in 1651 op de Grote Vergadering het beginsel bepleit, dat de Unie van Utrecht een stadhouderlijk bestuur verlangde. Wel tekende ook dit gewest de Acte van Harmonie. Stadhouders van Friesland waren achtereenvolgens: Willem Lodewijk (1584-1620), Ernst Casimir (1620-1632), Hendrik Casimir (1632-1640), Willem Frederik (1640-1664), Hendrik Casimir II (1664-1696), Johan Willem Friso (1696-1711), Willem IV (1711-1751, eerst onder voogdij van zijn moeder) en Willem V (1751—1795).

Het stadhouderschap was sinds 1675 erfelijk. Het bestuur van Friesland berustte gedurende deze tijd bij de stadhouder en de Staten. Deze hadden hier een geheel andere samenstelling dan elders. Reeds onder Karel V hadden zij vrijwel de latere vorm, alleen met dit belangrijke verschil, dat door de overwinning der Hervormden in 1578 de geestelijkheid geheel uit de vergadering verdween, terwijl sinds 1581 niet meer de edelen persoonlijk opkwamen.

De Staten bestonden nu uit 4 „kwartieren”, die van Westergo, Oostergo en van Zevenwolden en dat van de 11 steden.

De laatste waren elk vertegenwoordigd door 2 magistraatspersonen, de vergaderingen van de 3 andere kwartieren werden gevormd door telkens 2 vertegenwoordigers (1 edelman, 1 eigenerfde) uit elk der resp. 9, 11 en 10 grietenijen, waarin elke go verdeeld was. Deze vertegenwoordigers (volmachten) werden door de grondbezitters gekozen (het kiesrecht was aan de grond gebonden, zodat vaak enkele families feitelijk alles te zeggen hadden, want de kiezers maakten ook de voordracht op voor de grietman). Elk kwartier vergaderde apart en nam besluiten bij meerderheid, daarna vergaderden de 4 kwartieren bijeen. De landszaken werden voorbereid door het college van het „Mindergetal”, 2 uit elk kwartier, en het dagelijks bestuur berustte bij Gedeputeerde Staten (al vóór de opstand), die ook het polderbestuur leidden.

Voor de rechtspraak had Friesland sinds 1504 een Hof of Raad, oorspronkelijk te Franeker, later te Leeuwarden gevestigd; tot 1578 had dit ook de leiding in het bestuur, sindsdien alleen rechterlijke macht. De grietman had slechts civiele zaken in eerste instantie (minder belangrijke berechtten de dorpsrechters) te behandelen en was aanklager, het Hof had appèl voor civiele zaken en voorts alle criminele zaken (dus ook de steden hadden geen halsrecht). Het bestaat uit 12 leden en een voorzitter. Het spreekt recht volgens de „landscostumen” in 1542 beschreven en in 1602 herzien tot de „statuten, ordonnantiën en costumen van Vriesland”, die het laatst in 1722 werden herzien.

De geschiedenis van Friesland in de 17de en 18de eeuw is rustig geweest, slechts zelden verstoord door ongeregeldheden. Ernstig waren deze in 1747 (pachtersoproeren), toen men de afschaffing der belastingverpachting eiste en zich in het algemeen richtte tegen de oligarchie, die in dit gewest tot schandelijke misbruiken (z correspondentie, contracten van) aanleiding gaf. Daartegen richtte zich nog feller de beweging der Patriotten, onder leiding van Van Beyma. In 1795 behoorde Friesland tot de zeer conservatieve delen van Nederland, aangezien het vreesde zijn zelfstandigheid te verliezen.

Onder druk van buiten konden in Febr. 1796 de meer revolutionnairgezinde clubs het bestuur „zuiveren” van aristocraten en daarmee het gewest voegen bij de meerderheid. Bij de grondwet van 1798 werd het verdeeld over twee departementen, maar in 1801 weer als geheel hersteld. Daarna valt de geschiedenis geheel met die van Nederland samen. Vermelding verdient alleen, dat ook nu het regionalisme in Friesland krachtiger is dan elders.

DR A. G. JONGKEES

DR H. A. ENNO VAN GELDER

MR S. J. FOCKEMA ANDREAE

Lit.: U. Emmius, Rerum Frisicarum historia, Accedunt de Frisia et Frisiorum republica libri aliquot (Leiden 1616); P. Winsemius, Chronique van Vrieslant (Franeker 1622); C. Schotanus, Beschrijvinge ende chronijck... van Vrieslandt (1655); Gabbema, Historie van Friesland (1190-1573) (Gouda 1703); Van Heussen, Oudheden en gestichten van Vriesland (1723); W.

Eekhoff, Beknopte geschiedenis van Friesland (1851); Ph. van Blom, Gesch. van Oud-Friesland (1900); J. S. Theissen, Centraal gezag en Friesche Vrijheid (1907); P. C.

J. A. Boeles, Friesland tot de 11de eeuw (1927); I. H.

Gosses, Friesische Geschichte (in: C. Borchling en R. Muus, Die Friesen, 1931. Afz. uitgave in Friese vert.: Fryskeskiednis, 1932); Idem, De Friesche hoofdeling (1933.

Evenals het voorgaande herdrukt in Idem, Verspreide geschriften, 1946); D. Kalma, Skiednisfen Fryslan (1936); H. G. W. van der Wielen, Friesland door de eeuwen heen I (1937); Algem. gesch. der Nederlanden I (1949), hfdst. 5 en 10.