Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

FAMILIA

betekenis & definitie

kan in het oude Rome, naar men op grond van een veronderstelde etymologische verwantschap met famulus knecht, slaaf, wel aanneemt, oorspronkelijk allen omvat hebben die aan de macht van de pater familias onderworpen waren, dus zowel de vrije kinderen (liberi in patria potestate), als de vrouw (uxor in manu), als de slaven. Later splitst zich de betekenis en kan familia o.m. betekenen: 1. de gezamenlijke slaven, 2. het vermogen (ook: familia pecuniaque); 3. de vrije personen die aan de patria potestas onderworpen waren en 4. de gehele agnatische familie.

In de middeleeuwse maatschappij bestond de familia, vooral die van grote wereldlijke of geestelijke heren, uit onvrijen van zeer verschillende hoedanigheid: hoge en lage onvrijen, leken en geestelijken. De hoogste trede in de familia dier grote heren werd ingenomen door de riddermatige ministerialen (z dienstman). Hoewel de begrippen echte en familia elkander wel eens dicht naderen, heeft toch het eerste in de regel een meer beperkte inhoud, aangezien daar in wezen het behoren onder één hof op de voorgrond staat.

Lit.: J. C. van Oven, Leerboek v. Rom. Recht, 2de dr. (1946), blz. 436 en 521; (in andere zin): M. Wlassak, Studiën zum altröm. Erbund Vermächtnisrecht, Sitzungs Ber. Akad. in Wien, dl 215 (1933); Roger Henrion, Des Origines du mot familia, in: L’Antiq. classique, dl X (1941) en XI (1942) (materiaal en lit.opgave).