Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

EXEGESE

betekenis & definitie

(Grieks: ἐξήγησις, exêgêsis) is een onderdeel der vertolking, welke documenten, vooral die uit de Oudheid, nodig hebben om in onze tijd hun taak te vervullen. Zij moet de lezer brengen in het gezelschap van de auteur. Zij moet ontdekken wat deze in zijn dagen vóór zich vond als hulp of hindernis, waarop hij reageerde.

De „exegeet” is dus primair een luisteraar en opmerker, die over een grote mate van zeer speciale kennis moet beschikken. Zijn blik is gericht op het verleden.1. Zijn tweelingbroeder is de „uitlegger”. Hij is primair een spreker, die onze geest en taal dienstbaar maakt aan hetgeen de auteur beoogde met zijn woord. Hij is als ’t ware diens privé-secretaris, die de „boodschap” van de auteur weergeeft, zó als deze zelf thans die zou hebben moeten uitdrukken om geheel verstaan te worden. De uitlegger doet dus in zekere zin het omgekeerde van wat de exegeet doet: zijn taak is het de auteur te brengen in óns gezelschap. Zijn blik is gericht op het heden.

Ongelukkigerwijze wordt exegese vaak in de zin van uitlegging gebezigd en omgekeerd, een verwarring, waaraan lectuur van Duitse werken niet onschuldig is. De theorie der exegese is hier echter niet aan de orde (z hermeneutiek).

2. Enkele opmerkingen over de arbeid van de exegeet zijn hier wèl op haar plaats, daar het gangbare termen geldt.

Men dient allereerst de taal nauwkeurig te kennen: grammatisch-Filologische exegese. — In de tweede plaats moet men het milieu van schrijver en lezers, zowel het geestelijke als het stoffelijke, zorgvuldig onderzoeken en al wat tot beter begrip dient, aanvoeren en gebruiken. Dit noemt men de historisch-critische exegese. — In de derde plaats behoort men doorgedrongen te zijn in de stijl en de gedachtengang der schrijvers. Voegt men dit alles bij elkander, dan verkrijgt men datgene, wat doorgaans een grammatisch-historische toelichting genoemd wordt. Al deze voorbereidende werkzaamheden dienen echter slechts tot de taak van het begrijpen van de zaak zelf, die door de gedachtenwereld van de schrijver heenschijnt (Daarbij gaat het niet om psychologische exegese! Voor zover men daarvan terecht kan spreken, zou zij verschillen tussen de „psyche” van de schrijver en de onze moeten elimineren. Evenmin gaat het daarbij om godsdienst-historische exegese. Voor zover die term inhoud heeft, doelt hij op het in rekening brengen van het voordeel, maar vaker van de belemmering, die de aanwezigheid van, óf aan ons, óf aan de schrijver, óf aan beiden vreemde, doch aan de lezers bekende, woorden en voorstellingen hebben opgeleverd. Zowel deze psychologische als de zgn. godsdiensthistorische exegese zijn slechts onderdelen van de grammatisch-historische arbeid).

Het eigenlijk doel van alle exegetische arbeid is de verstehende Exegese, die men, wanneer het om Bijbel en godsdienstopenbaring gaat, theologische uitlegging moet noemen. Zo min als men met Plato bijv. klaar is, wanneer de grammatisch-historische exegese haar taak heeft verricht, zo min ook hier! Bij Plato zal men immers „das filosofische Erlebnis” zelf moeten kennen en bovendien als filosoof zózeer tot zijn geestelijk type moeten behoren, dat men de zaak, die hij voor ogen had en waarvan zijn onderhavige gedachtengangen slechts een deel aanroeren, zélf „ziet”. Die „zaak” is immers alleen toegankelijk voor de congeniale exegeet, d.w.z. — in de Bijbel — voor hem, die evenals de schrijvers in die bepaalde verhouding staat tot God, waarbij deze „zaak” zelf zichtbaar wordt en men daarover denkt in de vormen van het Bijbelse denken. Van pneumatische (d.w.z. aan leiding des H. Geestes toe te schrijven) exegese moet men niet gaan spreken, want de eis van congenialiteit geldt, mutatis mutandis, ook voor de interpretatie van documenten van andere godsdiensten. Congenialiteit kan in dat geval echter voor ons onbereikbaar zijn.

In de Oudheid zocht vooral de Alexandrijnse school naar een verborgen zin, die men terecht of ten onrechte in een uitspraak vervat meende. Aan zulk een verklaring gaf men de naam allegorische uitlegging. De zgn. practische uitlegging bemoeit zich alleen met een toepassing van het geschrevene op een beperkt terrein des levens. Wordt enig geschrift doorlopend verklaard, dan geeft men aan die verklaring de naam commentaar. Een verzameling ophelderingen, die enkel op de moeilijkste plaatsen betrekking hebben, noemt men scholiën.

Verder heeft men nog de omschrijving van de inhoud, paraphrase geheten, benevens de nauwkeurige overbrenging der volzinnen of de vertaling. Een opsomming van de regels en hulpmiddelen, die men, om een zo groot mogelijke objectiviteit te bereiken, bij de Schriftverklaring gebruiken moet, draagt vaak de naam hermeneutiek, doch deze heeft een taak, die veel dieper gaat en meer omvat.

PROF. DR J. DE ZWAAN

Lit.: E. Fascher, Vom Verstehen des N.T. (Giessen 1930); L. H. K. Bleeker, Hermeneutiek van het O.T. („Theologia”) (Haarlem 1948); J. de Zwaan. Hermeneutiek van het N.T. (zelfde reeks, 1950).