Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

EUCHARISTIE

betekenis & definitie

(letterlijk: dankzegging), benaming waaronder de R.K. Kerk verstaat het sacrificie en het sacrament des altaars, waarbij Jezus zijn eigen lichaam en bloed, onder de gedaanten van brood en wijn werkelijk tegenwoordig, aan de Vader opdraagt en aan de gelovigen als offerspijs uitreikt.

De instelling van deze ritus wordt uitdrukkelijk verhaald door de Synoptische Evangeliën (Matth. 26; Marc. 14; Luc. 22) en door S. Paulus (I Cor. 11). S. Jan, hst. 6, handelt uitvoerig over de belofte van het Brood, dat het Lichaam van Christus is, en de Drank, die zijn Bloed is, en die men eten en drinken moet om het eeuwig leven te bekomen. De woorden „Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed” beduiden niet alleen dat hier een teken voorhanden is van Jezus’ lichaam en bloed, maar dat zijn lichaam en bloed werkelijk onder het teken aanwezig zijn.Het volstaat natuurlijk niet ze materieel te nuttigen, men dient ze ook geestelijk, dit is met geloof te ontvangen. Het offerkarakter van de ritus blijkt uit de woorden: „mijn lichaam dat overgeleverd wordt, mijn bloed dat vergoten wordt, tot vergiffenis der zonden” en uit de verwijzing naar het (nieuwe) verbond met God, dat evenals het oude door een bloedig offer bezegeld wordt. Vgl. Ex. 24 : 7-8.

Voor de Protestantse opvatting z Avondmaal en Dis des Heren.

Stellig staan wij hier voor hetgeen de liturgie mysterium fidei, d.i. geloofsgeheim noemt. Hoe de wezensverandering (transsubstantiatie) plaats grijpt kan niemand verklaren, doch de apostelen konden in geest van geloof de woorden van Christus aannemen, waardoor Hij op wonderbare wijze het brood in zijn lichaam verandert en de wijn in zijn bloed. Zij geloofden immers in de scheppingskracht van God en van de Godszoon. Zij hadden Jezus talloze wonderen zien verrichten, doden doen verrijzen, water in wijn veranderen. Ook zonder alles te begrijpen, aanvaarden zij met Petrus (Joh. 6 : 68) dat Hij de woorden van het eeuwig leven spreekt. Ook Paulus beroept zich op de overgeleverde leer, waar hij de „Maaltijd des Heren” beschrijft: daarin viert de Christengemeente de gedachtenis van de passie van Christus en nuttigt zij zijn lichaam. Hoe kan Paulus anders zeggen: „Wie het Lichaam niet naar waarde beoordeelt, eet en drinkt zich een oordeel” (I Cor. ii : 23-29) ? Zo hebben de gelovigen, bij het zegenen van de kelk en het breken des broods, deelgenootschap niet alleen aan de geest of de genade van Jezus, maar aan zijn lichaam en bloed, en de Tafel des Heren staat tegenover de offertafels van de duivelen (I Cor. 10 : 14-22). Deze woorden laten aan duidelijkheid niets te wensen over en de oude Christelijke overlevering heeft ze ook steeds in realistische zin verstaan. De menselijke natuur van Christus is zó waarachtig met de Godszoon verbonden en zó innig met goddelijk leven doordrongen, dat wie ze onder sacramentele gedaante nuttigt, zelf met onsterfelijk leven doordrongen wordt.

Reeds in de eerste eeuwen vinden we treffende getuigenissen van dit geloof. De Doceten, zegt S. Ignatius, leerling van de apostelen, „onthouden zich van de Eucharistie en het gebed, omdat zij niet belijden dat de Eucharistie het vlees is van onze verlosser Jezus Christus, dat geleden heeft voor onze zonden en dat de Vader in zijn goedheid heeft opgewekt uit de dood” (Smyrn. VII, I). De H. Justinus schrijft in zijn eerste Apologie, C. 66 : „Wij nuttigen dat voedsel niet als gewone spijs of drank; maar zoals Jezus Christus, onze zaligmaker, door het Woord Gods vlees geworden is, en vlees en bloed heeft aangenomen met het oog op onze verlossing, op dezelfde wijze is ook het door het gebed van Zijn woorden gezegende voedsel, waarmee ons vlees en ons bloed door omvorming gevoed worden, het vlees en het bloed van die vleesgeworden Jezus: zo werd het ons geleerd.” Over die „teerspijs van onsterfelijkheid” zijn vooral de Griekse Vaders opgetogen. S. Augustinus legt wel bijzondere nadruk op de symbolische betekenis en uitwerking van de Eucharistie in het mystiek Lichaam van Christus, dat de Kerk is, doch dit symbolisme veronderstelt bij hem blijkbaar de wezenlijke tegenwoordigheid.

S. Thomas brengt al de gegevens van de Traditie tot een harmonisch geheel te zamen, en hij beschrijft de Eucharistie als het middelpunt en de bron van alle sacramenten. Het Concilie van Trente bekrachtigt deze leer aldus (Sess. 13, cap. 2 en 3): „Onze Verlosser, vooraleer uit deze wereld naar de Vader terug te keren, heeft het sacrament ingesteld, waarin Hij de schatten van zijn goddelijke liefde voor de mensen als het ware uitgestort heeft, herinnerend aan zijn wonderdaden. Hij heeft ons voorgeschreven, dat wij bij het ontvangen daarvan zijn gedachtenis zouden vieren, en zijn dood zouden verkondigen, totdat Hijzelf zal komen om de wereld te oordelen. Hij heeft gewild dat dit sacrament zou ontvangen worden als een geestelijke spijs voor de zielen, waardoor ze gevoed en gesterkt worden, levend van het leven van Hem die gezegd heeft: Die Mij eet zal leven door Mij, en als een tegengift waardoor wij bevrijd worden van dagelijkse zonden en bewaard voor doodzonden. Bovendien heeft Hij gewild dat het een onderpand zou zijn van onze toekomstige glorie en ons eeuwig geluk, en derhalve het zinnebeeld van dat éne lichaam, waarvan Hij het Hoofd is . . . Dit nu heeft de allerheiligste Eucharistie met de overige sacramenten gemeen: een zinnebeeld te zijn van een heilige zaak en de zichtbare vorm van een onzichtbare genade. Doch in haar is deze enige verhevenheid te vinden, dat de overige sacramenten eerst dan een heiligende kracht bezitten, wanneer men ze gebruikt, terwijl in de Eucharistie de Bewerker zelf van de heiligheid vóór het gebruik aanwezig is.”

Wanneer men nu van het „heilig Sacrament des Altaars” spreekt, kan men rechtstreeks de uitwendige gedaanten bedoelen van het brood en de wijn, waarover de consecratiewoorden zijn uitgesproken; ofwel ook het lichaam en het bloed des Heren, waarnaar het uitwendig teken verwijst, en die wij op het oog hebben, wanneer wij spreken over „de aanbidding van het allerheiligste Sacrament”; ofwel ten slotte de uitwerking van de Eucharistie in de zielen, met name de eenwording in één lichaam van al degenen die hetzelfde wonderbare Brood tot voedsel nemen, en de beoefening van de bovennatuurlijke liefde die daaraan beantwoordt. Aldus schenkt de H. Eucharistie de genade op de bijzondere wijze van voedsel, en heeft zij een vergoddelijkende en vergeestelijkende kracht, die ten slotte ook ons lichaam in heerlijkheid zal doen verrijzen.

De Eucharistie is ook het Sacrificie, het offer, van de Nieuwe Wet, zoals reeds blijkt uit de instellingswoorden. Tegenover de tegenspraak van de Reformatie leert het Concilie van Trente hierover (Sess. 22, cap. I); „Onze God en Heer Jezus Christus heeft éénmaal zichzelf op het altaar van het kruis door de dood aan God de Vader opgedragen, om aldaar een eeuwige verlossing te bewerken. Niettemin, opdat de dood zijn priesterschap niet zou uitdoven, heeft Hij in het laatste avondmaal, in de nacht toen Hij overgeleverd werd, aan de Kerk, zijn geliefde Bruid, een zichtbaar sacrificie, zoals de menselijke natuur dat vereist, willen nalaten, waardoor het bloedig, op het kruis te voltrekken sacrificie zou worden tegenwoordig gesteld, de gedachtenis daaraan tot aan het einde van de wereld zou voortduren, en zijn heilbrengende kracht zou worden toegepast tot vergiffenis van de zonden, die wij dagelijks bedrijven. Daarom heeft Hij verklaard tot priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech te zijn aangesteld, toen Hij zijn lichaam en bloed onder de gedaante van brood en wijn aan God de Vader opdroeg, en onder de zinnebeelden van diezelfde dingen aan zijn apostelen, die Hij toen als priesters van het Nieuw Verbond aanstelde, te nuttigen gaf; en door deze woorden: „Doet dit tot mijn gedachtenis”, heeft Hij hun en hun opvolgers in het priesterschap bevolen ze op te dragen. Zo heeft de Katholieke Kerk het altijd begrepen en voorgehouden.” Dit is het offer en de zuivere offergave, die, volgens de profetie van Malachias (I : 10-11) van de opgang van de zon tot haar ondergang aan God wordt opgedragen.

Misoffer en Kruisoffer zijn dus innig met elkaar verbonden. De Mis is een voorstelling en een gedachtenis van het offer van Calvarië en zij past de vruchten daarvan op de verlosten toe: aldus is zij een betrekkelijk, geen zelfstandig sacrificie. „Eén en dezelfde immers, zo leert hetzelfde Concilie (Sess. 22, cap. 2), is de offergave; Dezelfde is het die zich nu offert door de bediening van de priesters en die zich toen op het kruis opdroeg: enkel de wijze van offeren is verschillend.” Op het altaar is er geen bloedvergieten meer: de scheiding tussen lichaam en bloed heeft op sacramentele wijze plaats. Dit wil echter niet zeggen op louter symbolische wijze: het offer van Christus’ lichaam en bloed is er werkelijk en waarachtig aanwezig, doch onder de gedaanten van brood en wijn. Zo is de H. Mis geen nieuw sacrificie, dat aan Jezus’ zoendood zou worden toegevoegd: zij is hetzelfde sacrificie, dat op onbloedige wijze, mede in naam van de Kerk, op onze altaren wordt vernieuwd (z H. Mis).

Dit offer, dat plaats grijpt op het ogenblik van de consecratie, wordt nadien voleindigd door de H. Communie, waarbij de gelovigen Jezus’ lichaam en bloed onder sacramentele gedaanten tot zich nemen en aldus aan het offer van het Nieuw Verbond deelachtig worden. Zij worden door God zelf tot het nuttigen van de offerspijzen uitgenodigd. Het bovenaardse Brood, dat het verheerlijkt Lichaam van Jezus is, neemt al de deelgenoten in zich op, en zo worden zij van Christelijk genadeleven doordrongen en in Christus ook met elkaar tot één lichaam verbonden (I Cor. 10 : 17).

PROF. DR MAG. G. PHILIPS

Lit.: M. de la Taille, Mysterium Fidei (Paris 1923); Idem, Esquisse du mystère de la foi (Paris 1924); Al. Janssens, De H. Eucharistie (Brussel 1929); A. van Hove, De H. Eucharistie (Kath. Kerk, no 11) (Utrecht 1939); W. Goossens, Les Origines de l’Eucharistie (Paris 1931); J. Goppens, art. Eucharistie, Dict. Bible, Suppl. II, 1146; A. Vonier, Het sacrament van het kruisoffer (Utrecht 1948).