Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 07-02-2022

ERFRECHT

betekenis & definitie

De geschiedenis van het erf-recht houdt nauw verband met die van het eigendomsrecht. Waar het vermogen niet behoort aan individuele personen maar aan de stam, het geslacht of de familie, is voor een erfrecht geen plaats.

Valt een der leden van het geslacht weg, dan wast zijn aandeel in het gemeenschappelijke vermogen eenvoudig aan (accresseert van Lat. adcrescere, aangroeien) aan dat van de anderen; het vermogen blijft toebehoren aan de familie. Bij de Romeinen, die ook deze toestand schijnen gekend te hebben (zie Paulus, Dig. 28.2.11), is hij echter al vroeg verdwenen en heeft de eigendom zich in sterk indivi-dualistische zin ontwikkeld. De wet der XII Tafelen (450 v. Chr.) kent niet slechts reeds een erfrecht, maar ook een testamentair erfrecht: de erflater, die geen sui heredes (aan zijn vaderlijke macht onderworpen agnatische afstammelingen) had, kon bij testament ten gunste van anderen {extraneï) over zijn vermogen beschikken. Deed hij dit niet, dan erfden de agnaten en, bij ontbreken van dezen, de overige leden van dezelfde stam {gens), de gentiles. Niet bloedverwantschap, maar het agnatische familieverband vormde de grondslag van het intestaat-erfrecht (successio legitima).

Het latere Romeinse intestaat-erfrecht, door de praetor ontwikkeld en gehandhaafd, was niet meer opgebouwd op het agnatisch familieverband, maar op de natuurlijke bloedverwantschap (zie Bonorum Possessio en Cognatio). Ook is bij de Romeinen reeds vroeg het testament in zwang gekomen; het was in de Keizertijd algemeen. Beschikking bij testament was bij hen zo gewoon, dat men de testamentaire erfopvolging als regel ging beschouwen en het erfrecht bij versterf als een aanvullende regeling, gebaseerd op de vermoedelijke wil des erflaters, een opvatting die tot in de 19de eeuw door het natuurrecht verkondigd werd.Veel langer en sterker dan bij de Romeinen heeft de familie-eigendom nagewerkt bij de Germaanse volken en wel vooral ten aanzien van onroerend goed. Het eigendomsrecht der familie (de sibbe of sippe) verdween het eerst ten aanzien van roerend goed en week voor de gezinseigendom. In de gezinsof huisgemeenschap was de leiding wel bij de huisvader, maar, wat de eigendom betreft, waren de kinderen reeds bij zijn leven zijn medegerechtigden, zodat hij zonder hun medewerking over de gemeenschappelijke goederen niet kon beschikken. Stierf hij, dan bleven de goederen eigendom van het gezin, onder beheer van de oudste zoon (dus geen vererving), totdat de kinderen het vermogen onder elkaar verdeelden, wat gewoonlijk gebeurde, als zij zelf nieuwe gezinnen gingen vormen. Waren er geen kinderen, dan verviel het vermogen weer aan de sibbe. Daar echter deze opgehouden had als geheel subject te zijn van de eigendom van roerend goed en die goederen dus alleen konden toevallen aan leden der sibbe, moest er een regeling zijn, aanwijzende welke leden van de sibbe de goederen zouden verkrijgen.

In dit stadium der rechtsontwikkeling werd dus een erfrecht noodzakelijk. En zo vinden wij dan ook reeds in de lex Salica (ca 500) regels voor de vererving van roerend goed. Ook ten aanzien van onroerend goed deed een verslapping van de familieband zich gelden. De gezinseigendom verving later ook hier de sibbe-eigendom. Eerst onder koning Chilperik (561-584) is bij de Franken een erfrecht voor onroerend goed ingevoerd. Mettertijd is het recht van het gezinshoofd versterkt en dat van de overige gezinsleden verzwakt.

Uit de gezinseigendom ontstond de individuele eigendom. Maar nog heel lang vinden wij in de Germaanse landen overblijfselen van de gezinsen ook van de oorspronkelijke sibbe-eigendom. Hij werkte na in het recht van „het'vrije deel”, d.w.z. het recht van de vader, die kinderen naliet, om over slechts een deel van zijn vermogen te beschikken, een regeling, die bij de receptie van het Romeinse recht in de Noordelijke Nederlanden verdrongen is door Romeinse regels

nopens het wettelijk erfdeel. In Noord-Frankrijk bleef de oude gewoonterechtelijke regeling van de réserve gelden, krachtens welke de erflater niet bij testament om niet mocht beschikken over */s {les quatre quints) van de hem aangeërfde onroerende familiegoederen (les propres). Daarnaast wonnen geleidelijk ook in deze streken de Romeins-rechtehjke voorschriften omtrent het wettelijk erfdeel terrein. Hij heeft eveneens lang nagewerkt, in verschillende streken, in het verbod om over onroeiend goed — vooral over het erfgoed {les propres) — te beschikken zonder medewerking of toestemming der verwanten (zgn. Beispruchsrecht en het naastingsrecht der verwanten).

Het verslappen van de familieband heeft op de duur ook de weg gebaand voor het testamentaire erfrecht. In de tijd van Tacitus was, zoals deze in zijn Germania (caput 20) vermeldt, het testament bij de Germanen geheel onbekend, een algemeen verschijnsel trouwens bij primitieve volken. Ook de lex Salica kent nog niet het testament, wel de schenking ter zake des doods. Het testament heeft in de landen van Germaans recht eerst omstreeks de 12 de eeuw ingang gevonden onder invloed van de Kerk en van het Romeinse recht. Hoe sterk echter ook dan de vroegere familie-eigendom nog nawerkt, blijkt hieruit, dat dit testament niet diende om een erfgenaam te benoemen, maar enkel om over bepaalde vermogensbestanddelen te beschikken, gewoonlijk ten behoeve van de Kerk of voor andere pieuze doeleinden {ad pias causas). Het testament was in de landen van Germaans recht, in tegenstelling met wat bij de Romeinen gold (bij hen was een testament zonder erfstelling onbestaanbaar), in de middeleeuwen enkel een legatentestament.

Tal van rechtspreuken bewijzen, hoe diep geworteld bij de Germaanse bevolking de gedachte was, dat de familie recht heeft op de nalatenschap, bijv.: „De erfgenaam wordt geboren, niet gekozen”; „Wer will wohl und selig sterben, lass sein Gut dem rechten Erben’’; „Solus Deus heredes facere potest” (d.i. alleen God kan erfgenamen maken); „Institution d’héritier n’a lieu”. Deze regel geldt zelfs nu nog in het Franse recht. Volgens art. 1002 van de Code Civil zijn alle testamentaire beschikkingen, welke naam de erflater daaraan ook gegeven heeft, legaten, al kan de legataris een légataire universel zijn, wiens positie practisch niet verschilt van die van een erfgenaam. Ook in Engeland is het testament nog altijd alleen een legatentestament. In het Oudnederlandse recht is na de receptie van het Romeinse recht benoeming van een erfgenaam (erfstelling) bij testament mogelijk geworden, hoewel hier nimmer de Romeinse regel gerecipieerd is, dat het testament een erfstelling {institutio heredis) moet bevatten. Tot op de huidige dag kan een testament in Nederland legatentestament zijn.

De regeling van het erfrecht in het Nederlandse B.W. is overigens grotendeels overgenomen uit de Code Civil. Maar ook in de meeste andere landen in Europa berust het erfrecht op gelijke grondslagen. In Engeland echter wijkt het op verschillende punten belangrijk af van dat in andere landen.

De bevoegdheid bij testament over zijn goederen te beschikken is een uitvloeisel van de individuele eigendom. Doch in de beperkingen van de testeervrijheid door het wettelijk erfdeel en in het erfrecht bij versterf doet ook thans nog het feit zich gelden dat de mens deel uitmaakt van een familie-verband. In overeenstemming met het losser worden van deze band die naar het moderne bewustzijn zich niet veel verder uitstrekt dan het gezin, werd door verschillende erfwetten in de 19de en 20ste eeuw de kring der erfgenamen bij versterf enger getrokken dan oudtijds, terwijl de langstlevende echtgenoot een betere positie kreeg. Het Nederlandse erfrecht is door de wijzigingswet van 1923 in deze geest veranderd. Het erfrecht bij versterf werd toen beperkt tot en met bloedverwanten in de zesde graad (vóórdien twaalfde graad).

Verschillende schrijvers hebben de invoering bepleit van een Staatserf recht. Zij wensen de Staat niet alleen bij het ontbreken van andere erfgenamen, maar ook naast andere erfgenamen een deel der nalatenschap toe te kennen. Tegen het Staatserfrecht wordt aangevoerd, dat het in strijd is met de volksovertuiging. Men kan echter volhouden, dat thans reeds een Staatserfrecht in de vorm der successiebelasting bestaat en dat slechts in de vorm waarin de Staat het hem toekomende vordert met Staatserfrecht verschil bestaat, zodat de strijd tussen de vooren tegenstanders van Staatserfrecht niet veel meer is dan een woordenstrijd.

Een bezwaar, dat sommigen tegen de geldende regeling van het erfrecht hebben, raakt de gelijkgerechtigdheid van de erfgenamen, die de erflater even na verwant zijn. Zij vrezen hiervan een te grote versnippering van het grondbezit en bepleiten daarom de bevoorrechting ten aanzien van de opvolging in onroerend goed van één erfgenaam boven de overigen. Hierdoor zou de verdeling der landerijen achterwege blijven en dus het voortbestaan van groot-grondbezit gewaarborgd worden. Daarom heeft men in verschillende Duitse Staten het zgn. Anerbenrecht ingevoerd (o.a. Pruisen 1874), krachtens hetwelk de boerderij {das Bauerngut) onverdeeld komt aan een der erfgenamen.

Het Reichserbhofgesetz van 29 Sept. 1933 strekte deze maatregel tot het gehele Duitse Rijk uit. Het Franse recht kent overeenkomstige regelingen voor kleinere landelijke eigendommen.

Lit.: J. C. van Oven, Leerboek v. Rom. Privaatrecht 2de dr. (1946), blz. 518 w.; S. J. Fockema Andreae, Oud-Nederl.

Burgerlijk Recht, dl II (1906); A. S. de BIécourt, Kort Begrip v.h, Oud Vaderlandsch Burgerl. Recht, 5de dr. (1939), blz. 466 v.; M. W. F. Treub, Staatserfrecht (in Vragen des Tijds, 1891, blz. 207 vlgg., ook opgenomen in Treub’s Bundel Sociale Vragen, blz. 204 vlgg.); E.

M. Meyers, Staatserfrecht en Successiebelasting (in Weekbl. voor Privaatrecht Notarisambt en Registratie, XV, 1919, no 2569-2571); A. van Gijn, Staatserfrecht (in de Economist 1919, blz. i vlgg.); E. V. Sanders, De verdeeling der nalatenschappen met betrekking tot onroerende goederen in verband met de Belgische wet van 16 Mei 1900 en het Duitsche Anerbenrecht, diss. Amsterdam (1905).

Erfopvolging is de opvolging in de plaats van een overledene, waardoor het vermogen van deze op zijn erfgenamen overgaat. De nalatenschap of erfenis {hereditas) is het gehele vermogen van de overledene, het geheel van al zijn rechten en verplichtingen, voor zover deze krachtens erfrecht op anderen, zijn erfgenamen of erven kunnen overgaan. De erfopvolging heeft plaats op het ogenblik van het overlijden van de erflater. Zij heeft alleen door de dood plaats; geen levende kan thans op gelijke wijze in al zijn rechtsbetrekkingen door anderen worden opgevolgd, alsof hij niet meer bestond. Bij een verklaring van vermoedelijk overlijden {z afwezigheid) treden dan ook de vermoedelijke erfgenamen slechts voorlopig in het bezit der goederen; de gevolgen, aan het vermoeden vastge-knoopt, houden op, zodra de zekerheid omtrent het bestaan of niet bestaan van de vermoedelijk overleden verklaarde daaraan een einde maakt.

Bijna alle oude en alle nieuwere wetgevingen er-kennen, evenals de Nederlandse, tweeërlei erfopvolging: de wettelijke, ab intestato, bij versterf en de testamentaire, uit kracht ener uiterste wilsbeschikking testament). De eerste geldt, voor zover de erflater niet bij testament over zijn nalatenschap heeft beschikt. De beide soorten erfopvolging werken volgens het NEDERLANDSE recht nagenoeg gelijk; door beide gaan de rechten en verplichtingen van de erflater, voor zover die niet met zijn persoon eindigen, op de erfgenamen over. De vermogensrechten van de overledene, de erflater of de cujus, en volgens de heersende leer ook zijn schulden gaan volgens Nederlands recht onmiddellijk bij zijn dood op de erfgenamen over, zonder dat daartoe een daad van aanvaarding (aditio) nodig is, zoals in het algemeen in het Romeinse recht vereist was (artt. 880 en 1002 B.W.). Men drukt dit wel uit door de Oudfranse rechtspreuk „Le mort saisit le vif” en spreekt van het beginsel van de saisine. Intussen zijn er niet weinig rechten en rechtsbetrekkingen, die zo nauw verbonden zijn aan de persoon van de rechthebbende, dat zij deze niet kunnen overleven.

Dit geldt van bijna alle familierechten (maritale macht, ouderlijke macht, voogdij) en ook van bijna alle publieke rechten (behalve bijv., in erfelijke monarchieën, het recht op de troon (z troonopvolging). Daarentegen gaan vermogensrechten en vermogensrechtelijke verplichtingen in de regel op de erfgenaam over. Maar ook hierop bestaan uitzonderingen. Vruchtgebruik*, recht van gebruik en van bewoning gaan door de dood van de rechthebbende te niet (art. 854, 865 B.W.). Veel meer dan in het zakenrecht komt het voor in het verbintenissenrecht, dat rechtsbetrekkingen door de dood een einde nemen, hetgeen hieruit te verklaren is, dat zodanige rechtsbetrekkingen dikwijls gevestigd zijn met het oog op een bepaalde persoon. Vandaar ook, dateendienstbetrekking eindigt door de dood van de arbeider (art. 1639 j), aanneming van werk door de dood van de aannemer (art. 1648 B.W.),maatschapdoor de dood van een der vennoten (art. 1683 B.W.).

Erfgenaam is hij, op wie de nalatenschap van een overledene, hetzij geheel, hetzij voor een evenredig gedeelte (bijv. de helft of een derde), overgaat, in tegenstelling met de legataris of de door een last bevoordeelde (4: legaat) aan wie bij testament een voordeel wordt toegezegd, dat in iets anders dan het geheel of een evenredig deel van het vermogen bestaat. Elke erfgenaam verkrijgt derhalve een evenredig deel der nalatenschap, een erfdeel-, welke bepaalde goederen dit omvat wordt eerst bij de verdeling der nalatenschap tussen de erfgenamen uitgemaakt. Eerst dan wordt een eind gemaakt aan de toestand van onverdeeldheid gedurende welke de boedel nog onverdeeld of ongescheiden is (z boedel, boedelscheiding). Volgens Nederlands recht moet men, om erfgenaam te kunnen zijn, op het ogenblik van des erflaters overlijden bestaan (artt. 883, 946 B.W.). Hij, die beweert erfgenaam te zijn, moet dus dat feit van overleven bewijzen; komen meer personen bij hetzelfde ongeval of op dezelfde dag om het leven, zonder dat men kan weten, wie het eerst is gestorven, dan kan er geen sprake zijn van erfgenaamschap onder die personen, zolang het feit van overleving van de een op de ander niet is aangetoond (artt. 878, 941 B.W.). Men kan erfgenaam zijn krachtens de wet (bij versterf, ab intestato) of doordat men in een geldig testament* als zodanig is aangewezen (erfstelling).

Men is het in beide gevallen, zonder dat men kennis behoeft te dragen van de dood des erflaters of van de erfstelling en zonder dat er enige formaliteit tot verkrijging dier kwaliteit nodig is. Maar men behoeft geen erfgenaam te zijn tegen zijn wil, het staat een ieder voor zich vrij, de erfenis te verwerpen, dat is, uitdrukkelijk door het afleggen van een verklaring ter griffie der rechtbank, te verklaren, dat men geen erfgenaam wil zijn; het gevolg daarvan is, dat men beschouwd wordt nooit erfgenaam geweest te zijn (art. 1103 B.W.). Niemand is in het algemeen onbevoegd of onbekwaam als erfgenaam op te treden, zoals vroeger bijv. de vreemdeling, ook in Nederland, was, maar men kan wel betrekkelijk onbevoegd zijn, onwaardig om de nalatenschap van een bepaalde erflater te aanvaarden.

Bovendien heeft de wetgever om bepaalde rede-nen de bevoegdheid, voordeel uit een uiterste wil te trekken, voor sommige personen beperkt of opgeheven. Zo zijn zij betrekkelijk onbekwaam, wier bevoordeling de wetgever niet heeft toegelaten, om te beletten, dat zij, misbruik makende van hun betrekking tot de erflater, op zijn beschikking invloed zouden uitoefenen. Om die reden zijn onbekwaam, bijv. de voogd (uitgezonderd bloedverwanten in de opgaande lijn) tegenover zijn pupil, zolang de voogdij rekening niet is afgelegd en gesloten (art. 951 B.W.); de onderwijzers ten opzichte van met hen samenwonende minderjarigen (art. 952 B.W.); de geneesheren en geestelijken ten opzichte van patiënten, door hen in de laatste ziekte behandeld of bezocht, althans wanneer het testament in dit tijdvak is gemaakt (art. 953 B.W.). De beschikkingen ten voordele van onbekwamen zijn aantastbaar, ook al zijn zij besproken aan zgn. tussenpersonen, dat zijn personen, door wier tussenkomst de onbekwame middellijk of zijdelings zou verkrijgen, wat hem rechtstreeks niet mocht worden toegezegd (art. 958 B.W.).

Het Nederlandse B.W. roept tot de erfopvol-ging bij versterf de wettige en de natuurlijke bloedverwanten en de langstlevende echtgenoot (art. 879 B.W.). Bloedverwanten, die de overledene verder dan in de zesde graad bestaan, erven niet (art. 908 B.W.). Bij gebreke van bloedverwanten in de zesde graad en van een overlevende echtgenoot vervallen de goederen aan de Staat, die verplicht is de schulden der nalatenschap te voldoen, voor zover de waarde der goederen toereikend is (art. 879 B.W.).

De wet maakt ten aanzien der erfopvolging geen onderscheid van kunne of eerstgeboorte; evenmin onderscheidt zij, wat de nalatenschap betreft, naar de verschillende aard of de herkomst der goederen, zoals oudere rechten, ook in Nederland, deden; zij vraagt niet, hoe de erflater de goederen heeft verkregen en of zij aan hem van vadersof van moederszijde zijn toegekomen, maar geeft aan de erfgenamen, ieder voor zijn aandeel, gelijkelijk recht op al wat tot de nalatenschap behoort.

In de eerste plaats roept de wet tot de nalaten-schap de kinderen van de erflater. Zij erven voor gelijke delen bij hoofden. Is een kind voor-overleden met achterlating van wettige afstamme-lingen, dan erven dezen bij plaatsvervulling*. In dit geval heeft geen verdeling plaats bij hoofden, maar bij staken: de nakomelingen van het voor-overleden kind, samen vormend een staak, tellen voor een hoofd (art. 899 B.W.). Bij de wet van 1923 is bepaald, dat, wanneer de overledene een echtgenoot nalaat, deze voor de toepassing der bepalingen nopens de erfopvolging bij versterf met een wettig kind gelijkgesteld wordt. Laat de overledene geen afstammelingen na, dan ontvangt dus de langstlevende echtgenoot de gehele erfenis.

Een bijzondere regeling geldt echter bij tweede of verder huwelijk. In dit geval mag, indien er kinderen of nakomelingen uit het vroeger huwelijk aanwezig zijn, de nieuwe echtgenoot niet meer erven dan het minste gedeelte, hetwelk één dier kinderen, of bij vooroverlijden deszelfs gezamenlijke nakomelingen, bij plaatsvervulling, genieten en zonder dat in enig geval het erfdeel het vierde deel van de goederen des erflaters mag te boven gaan. Is de tweede of verdere echtgenoot ook bij testament bevoordeeld, dan mag het gezamenlijk bedrag van hetgeen bij versterf en bij uiterste wil wordt verkregen het evengenoemde maximum niet overschrijden. Bestaat de beschikking bij testament geheel of gedeeltelijk in een vruchtgebruik, dan moet voor de berekening van hetgeen de echtgenoot nog bij versterf kan beuren de waarde van het vruchtgebruik worden geschat. Ook bevoordelingen bij huwelijkse voorwaarden of bij schenking onder de levenden tellen mede voor de berekening van het bedrag, dat voor verkrijging bij versterf beschikbaar is (art. 899a, 949, 237 vlgg. B.W.).

Vóór 1923 erfde de echtgenoot alleen dan bij versterf, wanneer de erflater geen bloedverwanten tot in de twaalfde graad naliet. Heeft de erflater noch afstammelingen noch echtgenoot nagelaten, dan erven gezamenlijk zijn in leven zijnde ouders, broeders en zusters en wel ieder voor een gelijk deel, met dien verstande echter dat ieder der ouders nooit minder ontvangt dan een vierde gedeelte (artt. 901, 902 B.W.). Laat de erflater dus bijv. twee ouders en één broeder na, dan ontvangt ieder */s; laat hij twee ouders na en drie broeders of zusters, dan ontvangt elk der ouders 1/t en elk der broeders of zusters V,. Voor de berekening van het ouderlijk erfdeel maakt het geen verschil of de broeders en zusters al dan niet uit verschillende huwelijken gesproten zijn; maar voor de verdeling tussen de broeders en zusters onderling is dit wel van belang. Zij krijgen ieder een gelijk aandeel, wanneer zij allen van hetzelfde bed zijn, dus als zij allen volle broeders en zusters zijn of allen halve broeders en zusters van dezelfde kant. Zijn er echter broeders en zusters uit verschillende bedden, dan wordt, hetgeen zij allen te zamen erven, gesplitst in twee gelijke delen; de halve van vaderszijde delen in de ene helft, die van moederszijde in de andere helft; de volle in beide (art. 904 B.W.). Is een der broeders of zusters vóór de erflater overleden, dan geldt omtrent plaatsvervulling hetzelfde als boven bij het erven van kinderen is vermeld (art. 891 B.W.).

Indien de overledene noch nakomelingen of echtgenoot, noch ouders, broeders of zusters of wettige afstammelingen van deze laatsten achterlaat, dan wordt de nalatenschap gekloofd in twee delen en komt de ene helft aan de bloedverwanten van vaderszijde en de andere aan die van moederszijde. Beide liniën staan dan geheel op zichzelf en de erfopvolging in de ene is van die in de andere geheel onafhankelijk. Zijn er in één der beide liniën geen erfgenamen aanwezig, dan komt de gehele nalatenschap aan de andere linie (art. go8 B.W.).

In het vorenstaande is voorondersteld, dat de erflater alleen wettige verwanten heeft nagelaten. Laat hij natuurlijke erkende kinderen na, dan krijgen ook dezen een deel, evenals omgekeerd de ouders soms optreden als erfgenamen hunner erkende natuurlijke kinderen. Het recht dezer kinderen is echter, ingeval er ook wettige afstammelingen zijn, zeer beperkt.

De vrijheid van de erflater bij testament over zijn nalatenschap te beschikken wordt beperkt door het wettelijk erfdeel of legitieme portie, waardoor wordt aangeduid, niet, zoals men allicht zou menen, het deel, dat de erfgenamen bij versterf (ab intestato) bekomen volgens de bepalingen der wet, maar een bepaald deel daarvan, dat onafhankelijk van de wil des erflaters aan sommige erfgenamen is verzekerd. Zij, aan wie een wettelijk erfdeel is toegekend, de legitimarissen, kunnen niet geheel onterfd worden. Hun wettelijk erfdeel moet hun geheel en onverkort worden nagelaten: zomin door schenkingen bij het leven van de erflater, als door zijn uiterste wilsbeschikkingen mag daarop inbreuk worden gemaakt. De erflater kan de legitimarissen zelfs niet in het genot en beheer daarvan of in hun recht van vrije beschikking beperken of daaromtrent enige bepaling maken, omdat niet hij, maar de wet dat erfdeel geeft. Het wettelijk erfdeel is, volgens het Nederlandse recht (artt. 960-976 B.W.) slechts toegekend aan de erfgenamen in de rechte linie, zowel in de nederdalende lijn (kinderen, kleinkinderen), als in de opgaande lijn (ouders, grootouders). Voor wettige kinderen is dat erfdeel, zo er maar één is, de helft van hetgeen het bij versterf — dus als er in het geheel geen testament bestond — zou hebben genoten; zo er twee zijn, tweederde; zo er meer zijn, drievierde.

Bij plaatsvervulling komen ook hier de kinderen van een voor-overleden kind op. Voor natuurlijke, erkende kinderen is het de helft van hun erfdeel bij versterf; de verhouding is hier onafhankelijk van hun aantal en van het bestaan van wettige kinderen. In de opgaande linie is de verhouding ook altijd dezelfde en bedraagt het wettelijk erfdeel de helft van hetgeen de bloedverwant bij versterf zou toekomen. Broeders en zusters en andere bloedverwanten in de zijlinie hebben geen wettelijk erfdeel. De hoegrootheid van het wettelijk erfdeel wordt aldus berekend: men telt de waarde van de activa der nalatenschap te zamen met de waarde van de giften onder de levenden, vermindert dat bedrag met de schulden en neemt van het overblijvende het evenredige deel, waarop de legitimaris recht heeft. In Duitsland en Zwitserland heeft ook de echtgenoot recht op een wettelijk erfdeel.

In Nederland werd in 1923 aan de echtgenoot wel een erfrecht bij versterf, maar geen wettelijk erfdeel toegekend. In Engeland bestaat het wettelijk erfdeel niet.

Doet bij het openvallen ener nalatenschap zich niemand op, die daarop aanspraak maakt, of verwerpen de bekende erfgenamen de erfenis, dan wordt de nalatenschap als onbeheerd beschouwd. De Rechtbank benoemt dan, als dit haar verzocht wordt, een curator, die de nalatenschap beheert en vereffent en de erfgenamen tracht op te sporen. Heeft zich na 3 jaren sinds het openvallen der nalatenschap nog niemand opgedaan, dan doet hij slotrekening aan de Staat, die bij het ontbreken van erfgenamen de goederen verkrijgt (artt. 1172II76 B.W.).

PROF. MR H. R. HOETINK

Lït.: E. M. Meyers, Erfrecht, 4de dr. (1941); J. G. KlaassenJ. Eggens, Huwelijksgoederenen Erfrecht, 6de dr. (1938); J.

Ph. Suyling, Erfrecht (1931).

De erfopvolging wordt in BELGIË geregeld door titel één van boek drie van het B.W. Zoals in Nederland roept de wet tot de erfopvolging bij versterf: de wettige bloedverwanten, het erkend natuurlijk kind en de langstlevende echtgenoot.

Bloedverwanten boven de vierde graad erven niet, tenzij zij bij plaatsvervulling tot de nalatenschap zijn geroepen (wet van n Oct. 1919, art. 47). Er bestaan vier orden van wettige erfgenamen: In de eerste orde erven de kinderen of hun afstammelingen. Zij erven bij gelijke delen en bij hoofden, wanneer zij allen uit eigen hoofde geroepen zijn; zij erven bij staken, wanneer zij allen of wanneer enkelen hunner bij plaatsvervulling komen. In de tweede orde erven de bevoorrechte zijverwanten, dit zijn de broeders en zusters of hun afstammelingen samen met de bevoorrechte ascendenten, dit zijn de vader en de moeder. Ieder bevoorrechte ascendent heeft recht op een vierde van de nalatenschap, het overige komt toe aan de bevoorrechte zijverwanten, die dus naar gelang van de omstandigheden de helft of drievierde van de nalatenschap zullen nemen. In de derde orde erven de gewone ascendenten.

Zij erven per linie. De naastbestaande ascendent in elke linie neemt het deel, dat aan deze linie toekomt. Indien er slechts opgaande bloedverwanten in een van de linies bestaan, gaat de helft van de nalatenschap naar de gewone zijverwanten van de andere linie, zodat er geen aanwas in het voordeel van de ascendenten plaats heeft. Nochtans indien in een linie de vader of de moeder overblijft en in de andere linie enkel gewone zijverwanten bestaan, verkrijgt de bevoorrechte ascendent, benevens een helft in volle eigendom, nog het vruchtgebruik van een derde van de andere helft, d.i. een zesde in vruchtgebruik. In de vierde orde erven de gewone zijverwanten. Zij erven per linie.

In elke linie sluit degene, die in de naaste graad bestaat, de meer verwijderde uit; zij die van dezelfde graad zijn, erven bij hoofde. Indien er geen erfbare bloedverwanten in een van de linies bestaan, erven de zijverwanten van de andere linie de hele nalatenschap.

Het aandeel van het erkend natuurlijk kind is vastgesteld door de artt. 757-760 B.W. Dat aandeel verschilt naar gelang de hoedanigheid van de wettige erfgenamen die zijn vader of moeder achtergelaten heeft en waarmede het in samenloop tot de erfenis komt. In samenloop met wettige afstammelingen heeft het recht op een derde van hetgeen het zou ontvangen hebben, indien het wettig geweest ware; in samenloop met opgaande bloedverwanten of met zusters of broeders van zijn ouders verkrijgt het de helft van de nalatenschap; heeft deze ouder slechts gewone zijverwanten achtergelaten, dan wordt drievierde van de nalatenschap aan het natuurlijk kind toegekend; is de ouder zonder bloedverwanten in de erfbare graad gestorven, dan heeft het natuurlijk kind recht op heel de nalatenschap. In geval van vooroverlijden van het natuurlijk kind zijn zijn wettige afstammelingen bij plaatsvervulling gerechtigd om de hem toegekende rechten op te vorderen.

Het erfrecht van de langstlevende echtgenoot is geregeld door de wet van 20 Nov. 1896. Volgens deze wet verkrijgt de langstlevende echtgenoot: 1. een recht op de volle eigendom van de nalatenschap, indien er geen wettige erfgenamen of geen natuurlijke kinderen zijn; 2. een recht van vruchtgebruik, dat in principe op de helft van de nalatenschap gevestigd is, indien andere erfgenamen tot de erfenis komen; 3. een recht op onderhoud, indien de langstlevende echtgenoot geen kinderen heeft die daarin kunnen voorzien, werkelijk te kort komt om te leven en hij dat onderhoud binnen het jaar van het openvallen van de nalatenschap aanvraagt.

Bij ontstentenis van wettige en onregelmatige erfgenamen behoort de nalatenschap aan de Staat. Men zegt dan, dat de nalatenschap erfloos is. Het beheer van de Registratie en Domeinen oefent het recht van de Staat uit. Indien geen erfgerechtigde zelfs niet de Staat de nalatenschap opeist, dan noemt men haar een ledige of onbeheerde nalatenschap, waarover de belanghebbenden een curator kunnen doen benoemen door de rechtbank.

Het wettelijk erfdeel in de zin van het Nederlandse legitieme portie, wordt doorgaans in het Belgisch recht het voorbehouden gedeelte genoemd. Reservataire erfgenamen zijn de wettige afstammelingen, het erkend natuurlijk kind en de opgaande bloedverwanten die tot de erfenis geroepen zijn. Het voorbehouden gedeelte der kinderen verschilt naar gelang van hun getal en wel juist zoals in het Nederlands recht. Tussen echtgenoten komt echter het aantal kinderen niet in aanmerking. De echtgenoot, die een of meer kinderen uit het huwelijk gesproten nalaat, kan aan zijn mede-echtgenoot hetzij de helft der goederen in vruchtgebruik, hetzij een vierde in volle eigendom en een vierde in vruchtgebruik geven of legateren. Zijn er kinderen uit een vorig huwelijk, dan is het beschikbare gedeelte tussen echtgenoten slechts een kindsgedeelte met maximum van een vierde.

Het voorbehouden gedeelte van het natuurlijk kind is evenredig aan zijn verminderd aandeel. De ascendent, die tot de nalatenschap komt, heeft recht op een vierde der nalatenschap, PROF. DR A. KLUYSKENS