Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

EMDEN

betekenis & definitie

stad in het land Nedersaksen in de republiek West-Duitsland, gelegen op ruim 2 km afstand van de Dollart aan de mond van het Dortmund-Eemskanaal en het Eems-Jadekanaal en door haar havencomplex met de Eems verbonden. Zij telt (1949) ca 37 000 inw. en heeft spoorwegverbindingen met Norden-Jever, Aurich, Leer-Münster en Greetsiel.

De binnenstad („Altstadt”) door talrijke grachten doorsneden, vertoonde, voor zij in Wereldoorlog II practisch geheel verwoest werd, een sterk Nederlands karakter. Het voornaamste bouwwerk was het stadhuis, door de uit Antwerpen afkomstige Laurens van Steenwinkel gebouwd (1574-’76), die zich geïnspireerd had op het stadhuis van Antwerpen. Dit was duidelijk te zien aan de middenrisaliet met topgevel en aan de bekronende, in dit geval houten, loggia. Een houten toren volgens model van Maarten Ariënsz. van Delft was op de kap geplaatst. Slechts gespaard bleven het oude meubilair, de inhoud van het tuighuis en de zeer fraaie, geschilderde ramen, waarschijnlijk door Nederlanders gemaakt. Behalve belangwekkende woonhuisgevels, die duidelijk Nederlands waren, trof men in de binnenstad ook twee kerken aan, die een Nederlands karakter droegen, nl. de Grote Kerk, begonnen in de 15de eeuw, en de Nieuwe Kerk uit 1648, die in onderdelen overeenstemde met de Amsterdamse Noorderkerk. Van de Grote Kerk bleef gespaard het portaal met een 16de eeuws opschrift, dat herinnerde aan de gastvrijheid van Emden tegenover de Nederlanders. Op de plek van de Grote Kerk is thans een klein bedehuis verrezen, dat 23 Oct. 1949 werd ingezegend. De Nieuwe Kerk is tot op de toren na herbouwd. De haven, die geheel gespaard is gebleven, bestaat uit 4 delen: de buitenhaven, de nieuwe binnenhaven, die vooral voor het overladen van goederen uit zee- en kanaalschepen dient, de oude binnenhaven, in gebruik bij de vissersvloot en de locale scheepvaart, en de industriehaven, waarin ook het Dortmund-Eemskanaal uitmondt. In het havenverkeer overweegt thans de export van kolen en hout en de import van graan, in geringere mate heeft import van Zweeds ijzererts plaats; de totale havenomzet bedroeg in 1937 5 600 000 ton, in 1948 3 600 000 ton. De haringvisserij is weder geheel op gang. De industrie omvat o.m. een drietal scheepswerven, een brikettenfabriek, een hoogovenbedrijf met gieterij, verschillende voedingsmiddelenbedrijven (visconservenfabrieken, suikerwerken, branderijen) enz. Voorts bezit Emden als middelpunt van de graanhandel een korenbeurs.Geschiedenis

Emden, oudtijds Amethae,Emetha of Emede(n), d.i. monding van de „ee” of „water” (vgl. het Groningse dorp Westeremden, dat ca 945 voorkomt als Emedun, later als Amuthon, Emetha en Emede), wordt in 1253 genoemd in verband met muntrecht en een tol op de Eems. Op Eemstol en stapel was tot de tijd van de Franse Revolutie de welvaart gebaseerd. In 1396 werd de stad de basishaven van de zeeroof bedrijvende Vitaliebroeders of Likedelers onder Klaas Stortebeker. Niet lang daarna kwam zij onder de heerschappij van Hamburg; in 1453 werd zij bij het graafschap Oost-Friesland gevoegd (z Cirksena en Oost-Friesland). In 1494 werd het stapelrecht door keizer Maximiliaan I bevestigd. De Hervorming kreeg er spoedig vaste voet, vooral sinds Johannes à Lasco zich er in 1543 vestigde. In 1554 en volgende jaren vonden talloze Nederlanders, die om der geloofswille uit Engeland en Noorden Zuid-Nederland vluchtten, er dank zij de tolerantie van de gravin-weduwe Anna een toevlucht. De Walen stichtten er naast de Nederlandse Gereformeerden een eigen gemeente (eerst in 1897 met de Duitse „Reformierte Gemeinde” verenigd). Zo was Emden geruime tijd het centrum van de niet-Katholieke activiteit in West-Europa: tussen 1556 en ca 1572 was het bijv. vrijwel de enige plaats waar Protestantse bijbels konden worden gedrukt (z Biestkensbijbel). Belangrijk is ook de in 1571 te Emden gehouden Gereformeerde Synode (z hieronder). De tweede helft van de 16de eeuw vormde wel de grootste bloeiperiode voor Emden, vooral sinds in 1563 de Engelsen hun stapel van Antwerpen daarheen hadden verlegd. Langzamerhand verminderde echter de welvaart, mede doordat de Eems haar bedding westelijk had verlegd en de dode rivierarm waaraan Emden nu lag, begon dicht te slibben. Nadat het zich van het grafelijk bestuur had weten te bevrijden, werd het een vrije rijksstad; van 1609 tot 1744 lag er een Staats garnizoen. Ook onderhield de Gereformeerde kerk levendige betrekkingen met die van de Nederlanden (tot 1845 is het Hollands er voertaal gebleven op de gereformeerde volksscholen). In 1744 kwam de stad aan Pruisen, waardoor de culturele banden met ons land verloren gingen. Van i8o6-’o9 behoorde zij tot het koninkrijk Holland, van 1809-1813 tot het keizerrijk Frankrijk,van 1815-’66 tot het koninkrijk Hannover. Eerst de Pruisische regering na 1866 heeft afdoende verbeteringen voor de scheepvaart gebracht (Eems-Jadekanaal, 18801887; nieuwe zeehaven, 1905-’13) en door de aanleg van het Dortmund-Eemskanaal (1892-’99) het Ruhrgebied als achterland voor Emden ontsloten. Wereldoorlog II bracht de stad echter zware slagen toe. Na de eerste luchtaanval van de Engelsen op 13 Juli 1940 volgden er talloze (79) andere; de zwaarste was het geallieerde luchtbombardement van 6 Sept. 1944, dat de binnenstad binnen 18 min. in een volslagen puinhoop veranderde. Aan het eind van de oorlog was 78 pct van de huizen en gebouwen verwoest; dank zij de 30 grote „bunkerstorens” beliep het aantal doden slechts 330. Van de buitenwijken bleven er vele grotendeels gespaard (Wolthusen, Borssum, Hilmarsum, Transvaal, Port Arthur). Van wederopbouw is nog weinig te zien.

Lit.: Fürbringer, Die Stadt E. in Gegenwart u. Vergangenheit (1892); Palmgren, E. Deutschlands neues Seethor im Westen (Emden 1901); Festschrift,,Der Hafen von E.”, hrsg. v. G. O. R. Schweckendieck (1901); N. Krebs, E.,eine wirtschaftsgeographische Skizze, in: Deutsche Rundschau für Geographie XXXVI (1914), 416-425; Die Kunstdenkmäler der Provinz Hannover. VI, Stadt E., bearb. v. H. Siebern (1927); M. Erpenbeck, Emdens Entwicklung im Rahmen d. europ. Seeschiffahrt seit Bau des Dortmund-Emskanals (Diss.Köln 1928); J. W. Muller in:Nomina geographica neerlandica IX (1934), 154; H. Siebert, E. (Diss. Greifswald 1936); Maskus, Der Untergang der alten Emsstadt, in: Ostfriesland XXXII (Münster 1949), 83-85. Talrijke artt. in: Jahrbuch der Gesellschaft f. bildende Kunst u. vaterl. Altertümer zu Emden (1ste 38ste jg., 1872-1949) en Upstalboom-Blätter f. ostfries. Geschichte u. Heimatkunde (1ste-14de jg., 1911-’29).

De Gereformeerde Synode te Emden.

Nadat op het convent te Wezel (1568), met name in aansluiting bij de Geneefse kerkorde, reeds enige voorlopige regelingen getroffen waren voor de organisatie van de Ned. Geref. Kerk in den vreemde, kwam van 4 tot 13 Oct. 1571 in Emden een synode bijeen, die van deze organisatorische arbeid de bekroning bracht door zorg te dragen voor een vaste regeling van het kerkverband, waarbij hetgeen in dit opzicht door de Geref. kerk in Frankrijk al tot stand was gebracht, als voorbeeld diende. Afgevaardigden zowel van kerken onder het kruis als van vluchtelingenkerken — die van Engeland ontbraken op het appèl — ten getale van 29, onder wie 5 ouderlingen waren, ondertekenden de Acta. Het moderamen werd gevormd door Gaspar van der Heyden, predikant te Frankenthal in de Palts, Jean Taffin en Joh. Polyander, predikanten bij de Waalse gemeente resp. te Heidelberg en te Emden. De ondertekening van de Ned. Geloofsbelijdenis werd aan alle predikanten tot eis gesteld. De door deze synode geformuleerde artikelen hebben de grondslag gevormd van de kerkordeningen, die door volgende synoden aangenomen zijn. Het samenkomen van een nieuwe synode in den vreemde, tegen Mei 1572 beraamd voor het geval de kerken in Engeland dit verlangden en anders uitgesteld tot 1573, werd overbodig gemaakt door de snelle ontwikkeling van de gebeurtenissen in Holland sedert de inneming van Den Briel (1 Apr. 1572). De verdere opbouw en organisatie van de kerk kon in het land zelf geschieden.

PROF. DR D. NAUTA

Lit.: B. van Meer, De Synode te Emden 1571 (1892); J. de Jong, De voorbereiding en constitueering van het kerkverband der Nederl. Geref. Kerken in de 16de eeuw, 1ste gedeelte (1911); D. Nauta, Wezel (1568) en Emden (1571), in: Ned. Arch. v. Kerkgesch. XXXVI (1949).