Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

DOORNIK

betekenis & definitie

in het Frans Tournai, is een stad (1546 ha) in de Belgische prov. Henegouwen, aan beide oevers van de Schelde gelegen op een licht heuvelende bodem van tertiair zand en klei, secondaire mergels op een ondergrond van primaire gesteenten.

Er zijn steengroeven, kalkbranderijen en cementfabrieken; metaalindustrie; tuinbouw, vnl. aspergeteelt, en een landbouwmarkt; textiel- en kledingindustrie, voedingsnijverheid en drukkerij. Doornik is ook een voornaam spoorwegknooppunt. Er waren 32.221 inw. in 1947. In de 12de tot 15de eeuw kon Doornik bogen op architecten en beeldhouwers, befaamd niet slechts in de Schelde-vallei maar tot in Frankrijk, Engeland en Scandinavië. De kunstschilders Robert Campin, Rogier van der Weyden en Jacques Daret waren te Doornik werkzaam. De tapijtweverij en de geelgieterij leverden vermaarde producten, vnl. in de 15de eeuw. Daarna trad het verval in. Maar in de 17de en 18de eeuw bloeiden de kunstambachten weer op: naast het goudsmeden en bronsdrijven vooral het porseleinwerk en het tapijtweven, welke men thans weer poogt op te wekken. Het bisdom Doornik, dat in de stad zijn zetel heeft, omvatte tot 1559 het grootste deel van Vlaanderen en Henegouwen ten W. van de Schelde; nu bestrijkt het de prov. Henegouwen.Geschiedenis

Tornacus was reeds onder de Romeinen een belangrijk centrum op Belgisch grondgebied. Doornik is met Tongeren een van de oudste steden van België: zij was gelegen op de Romeinse weg van Keulen naar Boulogne. In de tweede eeuw richtten de Romeinen er een lakenfabriek op. In de vijfde eeuw was het de hoofdstad van de Salische Franken; in 1653 heeft men er het graf teruggevonden van koning Childerik I (gest. 481). Chlodovech bracht zijn residentie naar Parijs over (486), maar vestigde een bisdom te Doornik, met Eleutherus als eerste bisschop. Onder Vlaanderen van 840 tot 1187, dan vrije Franse stad tot 1521, welvarend door zijn lakenindustrie en houder van gewichtige privilegiën, werd Doornik in 1295 door Philips de Schone ommuurd, in 1513 door Hendrik VIII van Engeland veroverd en weer versterkt — de „Grosse Tour” bestaat nog. Het Doornikse (le Tournaisis) was een provincie met een 75-tal dorpen, die tot 1314 afhing van het graafschap Vlaanderen, daarna van de Franse kroon.

In 1521 kon Karel V de stad veroveren en ook daarna bleef zij met de Nederlanden verenigd. Kern van protestantisme, had Doornik fel te lijden van de Beeldenstorm, 1566. In 1581 viel zij voor Parma, na twee maanden heldhaftig verweer onder Christina van Lalaing, echtgenote van de afwezige gouverneur. In 1667 overmeesterde Turenne de stad en Lodewijk XIV liet ze nogmaals versterken; maar bij de vrede van Utrecht (1713) kwam Doornik aan Oostenrijk. Het Barrière-tractaat vestigde er een Hollands garnizoen tot 1782. Op 24 Aug. 1914 werd een Franse legerdivisie bij Doornik door de Duitsers teruggedrongen. Ondanks belegeringen en bezettingen had Doornik veel van zijn middeleeuws karakter behouden en in zijn plattegrond was de aanleg onder Lodewijk XIV bewaard — de vestingen waren in 1865 door lanen vervangen. Een Duits luchtbombardement van 4 dagen, gevolgd door brand, 16 tot 23 Mei 1940, liet van het centrum van de stad bijna niets over.

Van de monumenten van Doornik bleef de O. L.- Vrouwe-kathedraal grotendeels gespaard. Het is de aanzienlijkste kerkbouw van België, gebouwd in de 12de-13de eeuw op de plaats van de kerk van St Eleutherus die al in 850 vervangen was; 134 m lang, met 5 vierkante torens, „les cheoncq clotiers”, waarvan de middelste 85 m hoog reikt. Het driebeukige Romaanse schip uit de jaren 1110-1171 moet worden gerestaureerd; de dwarsbeuk, 12de en begin 13de eeuw, met Vroeggothische gewelven, is 66 m lang en eindigt op 2 halfronde koornissen met omgangen; bij het Hooggothische koor, herbouwd 1243-1255, sluiten transkapellen aan, 5 straalkapellen en een kooromgang. De O.L.-Vrouwe-kapel, in 1516 opgericht ter plaatse van het 12de eeuwse klooster, is afgebrand met haar rijke stoffering. Ook het Gothische hoofdportaal is 16de-eeuws. Indrukwekkend zijn de pijlers van de kruisbeuk, merkwaardig de gebeeldhouwde kapitelen en portalen (o.a. de noorder- of Mantille-poort); het wit-en-zwartmarmeren oksaal van Cornelis de Vriendt (1572) is een meesterwerk van Vlaamse Renaissance.

In de 12de-13de eeuw verrezen 12 parochiekerken rondom de kathedraal. St Jan en St Margaretha werden vervangen door 18de-eeuwse bouwwerken, de overige, St Pilatus, St Jakobs, St Niklaas, St Maria-Magdalena e.a., bleven Romaanse en Vroeggothische specimina van haar oorspronkelijke Doornikse stijl. St Kwintens kan weder worden opgebouwd, maar de stoffering is in 1940 uitgebrand. Van St Brixius, de oudst bewaarde Gothische hallekerk in België (ca 1200) en een echte schatkamer, blijft weinig meer over dan de toren; onder het puin ontdekte men de prae-Romaanse kerk en de Romaanse krocht.

Op de verwoeste Grote Markt rijst nog het Belfort (72 m) met zijn beiaard, de oudste van België, uit de 12de-13de eeuw, maar in 1874 gerestaureerd. De Lakenhalle, museum van schilderijen en oudheden, waaronder een prachtige verzameling porselein, is uitgebrand; evenzo het stadhuis, voormalig weelderig abtspaleis van de St Maartensabdij, herbouwd door Laurent Dewez in 1763; de tiendenschuur van de abdij (1633); het bisschoppelijke paleis (12de-17de eeuw); het enig rijke stadsarchief, in het oude paleis van de Staten van het Doornikse; de bibliotheek (18de eeuw) met haar handschriften en incunabelen. Ook de twee Romaanse huizen uit de 12de eeuw; wel bestaan er nog typische woningen uit de volgende eeuwen. 1266 huizen werden vernield en bijna 4000 getroffen. De Pont des Trous (14de eeuw) wordt hersteld.

LEO DE WACHTER

Lit.: Poutrain, Hist. de la ville et cité de T. (La Haye 1750), 2 dln, plt.; A. Chotin, Hist. de T. et du Tournaisis (T. 1840), 2 dln; L. Cloquet, T. et le Tournaisis (Bruges 1906); C. Piot, Les limites et subdivisions de l’ancien évêché de T. (Bruges 1870); E. Soil de Moriamé, Les anciennes industries d’art tournaisieunes (T. 1912); B. du Mortier, Étude sur les principaux monuments de T. (T. 1862); H. Hymans, Gand et T. (Paris 1902); W. Ravez, T. cité royale (Brux. 1934); P. Rolland, T. noble cité (Brux. 1944). Idem, T. tel qu’il fut (Brux. 1947); J. Warichez en S. Leurs, De kathedraal van D. (Antw. 1934-’35, 2 dln); P. Rolland, Les églises paroissiales de T. (Brux. 1936); J. de Ligne, La reconstruction de Tournai (Bruxelles 1945).