Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

DODENVERERING

betekenis & definitie

gold voor de oudere animistische school (zie animisme) als de oorsprong van de religie. Hoewel algemeen van deze mening is teruggekomen, is niettemin de dodenverering (ook wel voorouderverering, Ahnenkult genoemd) een uitermate belangrijk religieus verschijnsel.

Zij geldt echter (althans in primitieve en half-primitieve godsdiensten) niet de „zielen” van de afgestorvenen, doch hen zelf. De mens zet na de dood zijn leven voort, zowel datgene wat wij het geestelijke als wat wij het lichamelijke leven zouden noemen (zie dood). De dode is niet een ziel zonder lichaam, maar een dood mens (l’homme mort, noemt Lévy-Bruhl hem). Zijn existentie aan gene zijde van het graf kan minder macht bezitten dan die onder de levenden; maar zij wordt ook zeer vaak als veel machtiger gedacht.De doden zijn „machtiger”, zeiden de Grieken. In dat geval spreekt men van Dodenverering. Deze kan bestaan in het brengen van offers aan het graf of aan de huiselijke haard of in afzonderlijke dodentempels. Zulke offers vindt men bij de meeste primitieve volken, in het oude Egypte, in Griekenland, enz. De bedoeling van die offers is dan het leven van de dode te onderhouden. Daarom kan het offer ook dan gebracht worden, wanneer de dode als minder machtig, als een „arme Seele” geldt. Maar de houding van de mens tegenover de doden is in de regel ambivalent, tweezijdig: enerzijds verheugt hij zich in het bezit van het leven en voelt zich de meerdere van de afgestorvene; anderzijds gaat er van deze een geheimzinnige invloed uit, die schrik aanjaagt en de dode voor de meerdere doet houden.

Want dodenverering berust niet op een overtuiging of leer, doch op een beleving. Ook in onze tijd weet men nog van spookverschijningen te verhalen. Ervaringen van die aard, vermeende ontmoetingen met een dode en het daarmede gepaard gaande huiveren, hebben tot de dodenverering geleid. Die verering behoeft niet in offers te bestaan. Elk rekening houden met de macht van de dode, elke voorzorgsmaatregel tegen zijn terugkeer, is reeds dodenverering. Deze geldt in de regel niet alle doden. Soms worden de leden van een geslacht door hun eigen nakomelingen vereerd; de plicht van de verering, c.q. van het dodenoffer, rust dan op de oudste zoon; zo was het bijv. in het oude Egypte. Een meer algemene dodenverering genieten zij, die reeds tijdens hun leven blijken van grote macht hebben gegeven, zoals koningen, profeten, heiligen enz. Houdt men de doden voor zeer machtig, dan dienen gaven (en gebeden) niet slechts tot hun onderhoud, maar ook om hen te bewegen tot hulp in allerlei levensnood. Zo roept men in Indonesië de doden aan om bescherming in de oorlog, bijstand bij de jacht, in zeegevaar. Vooral plantengroei en akkerbouw staan zeer dikwijls onder het patronaat van de doden. Dat komt daardoor, dat dezen dezelfde weg zijn gegaan, die ook het natuurleven gaan moet om te ontbloeien: door dood tot nieuw leven. Zij wonen in de geheimzinnige diepte van de aarde, van waaruit alle leven komt.

Vaak vinden wij het geloof, dat de doden de hunnen op bepaalde tijden bezoeken. Op Seranglaoet komen zij elke Donderdag van zonsondergang tot het hanengekraai. Men bereidt hun een maaltijd. Vinden zij die niet, dan vloeken zij het huis. Gelijksoortige gebruiken vindt men in Griekenland en Rome en in vele volksgebruiken. Te Athene golden de dagen van het omgaan van de doden als gevaarlijk. Men zet de doden een maal voor; is hun tijd afgelopen, dan zegt men echter: „de deur uit, doden; nu is het geen dodenfeest meer”. In het volksgeloof gelden vooral de zgn. Twaalf Nachten bij de jaarwisseling als tijd, waarin de doden (de „Wilde Jacht”) omgaan. China is het land, waar de dodenverering haar grootste ontwikkeling heeft gevonden; de piëteit voor de voorouders beheerst een groot deel van de vroomheid van het Confucianisme.

PROF. DR G. VAN DER LEEUW

Lit.: J. G. Fraser, The belief in immortality and the worship of the death (1913-’24); W. F. Otto, Die Manen oder von den Urformen des Totenglaubens (1923).